Laat de kinderen vrij spelen

Aldo van Eyck ontwierp 860 speelplaatsen voor Amsterdam

Betonnen zandbakken en aluminium klim- en duikelrekken. De speelplaatsen van Aldo van Eyck waren in Amsterdam lang een vertrouwd beeld. Maar ook zo transparant en onnadrukkelijk, dat het maar weinig kinderen van de jaren vijftig, zestig en zeventig zal zijn opgevallen dat het koele metaal waarop zij leerden kopjeduikelen bijna volledig uit het straatbeeld is verdwenen.

In 1947 trad de 28-jarige Aldo van Eyck (1918-1999) in dienst van de Amsterdamse Publieke Werken. Nog in datzelfde jaar kreeg hij van zijn meerdere Jacoba Mulder  –een van de ontwerpers van het Amsterdamse Bos – opdracht om een speelplaats te ontwerpen in Amsterdam-Zuid. Daarmee luidde zij voor Nederland het tijdperk in van de openbare, buurtgerichte speelplaatsen. De speeltuinen van voor de oorlog waren bedoeld voor de hele wijk, kinderen moesten er lid van zijn en speelden er onder toezicht. Van Eycks speelplaats op het Bertelmanplein was de eerste van naar schatting 860 speelplaatsen, die tot 1978 in Amsterdam naar zijn ontwerp zijn uitgevoerd.
Aldo van Eyck was behalve ontwerper van speelplaatsen, een van de belangrijkste naoorlogse Amsterdamse architecten en een invloedrijk denker over stedenbouwkundige kwesties. In zijn publicaties over het belang van speelplaatsen verwees hij vaak naar het effect dat sneeuw op het gebruik van de stad heeft. Als het heeft gesneeuwd, nemen kinderen de stad over: ze sleeën, gooien sneeuwballen, maken sneeuwpoppen en zijn zichtbaarder dan ooit. “Maar wat de stad voor haar kinderen nodig heeft, moet duurzamer zijn dan sneeuw”, aldus Van Eyck. 
De abstracte esthetiek van Van Eyck verwijst nog duidelijk naar die van De Stijl en het Nieuwe Bouwen, maar in zijn denken was hij eerder verwant aan (en bevriend met) de kunstenaars van Cobra. Van Eyck verzette zich tegen de steriele, technocratische en autoritaire kantjes van het moderne bouwen. Terwijl zijn baas, de stedenbouwkundige Cor van Eesteren, met zijn Algemeen Uitbreidingsplan in 1934 een dwingende blauwdruk had opgesteld voor de latere tuinsteden, wilde Van Eyck zijn ontwerpen juist aanpassen aan de bestaande stedelijke omgeving. Net als zoveel generatiegenoten uit de kunst, film, politiek en filosofie kwam hij in opstand tegen de grootse, hiërarchische systemen van de vooroorlogse generatie. 

Auto pikt ruimte in
De eerste openbare speeltuin van Nederland, aan het Tweede Weteringplantsoen in Amsterdam, werd in mei 1880 geopend. Het was het begin van de ‘speeltuinbeweging’, waarbij in heel Nederland mensen aan de slag gingen voor een speeltuin in de eigen wijk. De speeltuinen van de eerste generatie waren ruim opgezet, met veel lege ruimte. De houten toestellen vertoonden nog veel overeenkomst met wat er in de gymnastiek werd gebruikt: rekstokken, ringen en klimrekken. Vanaf de jaren twintig maakten de houten gymnastische toestellen geleidelijk plaats voor metalen toestellen. Deze toestellen vormen ons beeld van een klassieke speeltuin met schommels, wippen,  klimrekken en een glijbaan. 
Ook als het gaat om openbare speelplaatsen speelde Amsterdam een pioniersrol. In de jaren dertig introduceerde ‘mejuffrouw Mulder’ zandspeelplaatsen, onder meer in het Vondelpark en het Sarphatipark. Met zand bedekte terreinen waar kinderen als op een strand konden recreëren. De zandspeelplaatsen zijn de directe voorlopers van de speelplaatsen van Van Eyck.
“Over de smalle stoepen van de straatjes tussen de grachten rijden en draaien de grote vrachtauto’s de garages in en uit. Plaats om te spelen is er voor de kinderen nauwelijks. Vooral de kleintjes die niet ver kunnen komen zijn hiervan de dupe want Ma stuurt ze toch de straat op. Kinderen hebben meer bestaansrecht dan auto’s, maar in de binnenstad betwijfelt men dat soms.” Deze hartenkreet uit een brief van een bewoonster van de Noorderstraat aan Publieke Werken van Amsterdam (1953) geeft een goed inzicht in de grootstedelijke noden van een jong gezin tijdens de wederopbouw.            
Na de Tweede Wereldoorlog was het kindertal groot en de woningen waren klein. Het autobezit nam snel toe en hoewel het er veel minder waren dan nu, trad de politie niet effectief op tegen foutparkeerders en snelheidsovertreders. Terwijl in de jaren dertig de straat zelf nog speelterrein was, had de auto in de jaren vijftig vaak ook nog eens een deel van de smalle stoep ingepikt. En vanwege de woningnood werden onbebouwde ‘landjes’ in de binnensteden in rap tempo volgebouwd. 

Vaste elementen
Niet alleen de materiële omstandigheden maakten noodzakelijk dat de jeugd een deel van openbare ruimte heroverde, ook het denken was er rijp voor. Het 19de-eeuwse besef dat kinderen licht en ruimte nodig hebben, was in deze jaren tot in alle lagen van de bevolking doorgedrongen. De historicus Johan Huizinga had met zijn Homo ludens (1938) duidelijk gemaakt dat spel voor het mensdom bloedige ernst is. En jonge ouders volgden en masse het pleidooi van de Amerikaanse kinderarts Benjamin Spock voor een meer ontspannen manier van opvoeden. Het opkrabbelende Europa koesterde zijn jeugd en verheerlijkte de kinderlijke onbedorvenheid en spontaniteit. 
In dit klimaat kreeg Van Eyck alle ruimte en liet het “speelplaatsen sneeuwen over Amsterdam.” Eerst vulde hij braakliggende terreintjes in de binnenstad en saaie pleintjes in de 19de-eeuwse wijken. Vanaf midden jaren vijftig werden zijn speelplaatsen ook opgenomen in de nieuwe wijken aan de stadsranden. 
De speelplaatsen – hoe gevarieerd in vorm en afmeting ook – bevatten telkens een handvol vaste elementen. De zandbakken waren opgebouwd uit gestandaardiseerde betonelementen van de Gelderse Betonfabriek De Meteoor. De klim- en duikelrekken waren aanvankelijk van gegalvaniseerd staal, maar bleken toch te gaan roesten. Vanaf 1954 was Smits Aluminium Verwerkende Industrie uit Kinderdijk de vaste leverancier van klimrekken van geanodiseerd aluminium, in veertien iglo-, tunnel- of trechtervormige variaties. Behalve voor klimmen konden de klimrekken ook dienen als uitkijkpost of – met een kleed erover – als hut. ‘Springstenen’, ‘speeltafels’, ‘klimbergen’ of paaltjes van sierbeton moesten door kinderen naar eigen goeddunken worden betrokken in het spel. Van Eyck omzoomde het geheel telkens met houten zitbankjes. Zijn zandbakken, klimrekken en springstenen vonden overigens in heel Nederland aftrek.
Pas vanaf 1968 maakte Van Eyck voor zijn speelobjecten in de nieuwe wijken ook systematisch gebruik van hout. De gemeente kocht van de Bruynzeel Fineerfabriek in Zaandam zogeheten kernhouten palen, een overblijfsel van de fineerproductie. Die palen gingen zij aan zij verticaal de grond in, waardoor een houten klimberg ontstond, die een veel ruiger en minder gestandaardiseerd beeld opleverde dan zijn eerdere speelplaatsen. Het was de voorbode van een nieuwe generatie speeltoestellen.

Het behouden waard
In de jaren zeventig maakte hout een comeback. Het ‘natuurlijke’ materiaal sloot beter aan bij de tijdgeest dan aluminium en beton, dat zelfs spreekwoordelijk was geworden voor het grauwe kinderbestaan in de grote stad. ‘Zweedse speeltuinen’ en speelforten werden volledig opgetrokken uit hout en touw. Anderzijds maakten kleurrijke wipkippen en speeldieren van polyester een einde aan de door Van Eyck beleden noodzaak van abstractie. Hij en zijn medestanders zagen het als hun missie om de fantasie van kinderen te stimuleren. Speelbeesten maakten huns inziens het speelgedrag passief.
In 1978 ontwierp Van Eyck zijn laatste speelplaatsen. Nadien werden nieuwe speelplaatsen in Amsterdam samengesteld uit catalogi, met een wipkip hier en een glijbaan daar. Zonder samenhang, zonder achterliggende visie. Met de komst van de stadsdelen in de jaren tachtig was het gedaan met de centrale regie van Publieke Werken. Hier en daar leidde dat tot uitwassen, zoals door Snickers, Nuts en Dr Pepper gesponsorde basketbalveldjes. Of een nieuwe stadswijk (Oostelijk Havengebied) waar men was vergeten speelplaatsen in het stedenbouwkundig ontwerp op te nemen.
Van de 860 speelplaatsen die Van Eyck ontwierp, waren er in 2001 nog 90 over. En dat zijn er inmiddels waarschijnlijk nog minder. Op het Jonas Daniël Meijerplein staat er nog één. In het Vondelpark bij het Kattenlaantje en de Amstelveenseweg ook, maar ingebed in een nieuwerwetse speeltuin. Op die laatste is onlangs een flinke glijbaan geplaatst, die Van Eycks “niet-hiërarchische compositie” – geen van de elementen van de speelplaats mochten in zijn visie de andere overheersen – niets overlaat.
Voorzichtig dringt het besef door dat Van Eyks speelplaatsen het behouden waard zijn. De opstellers van het ‘Speelruimteplan 2009’ van Slotervaart stellen dat er in het (inmiddels voormalige) stadsdeel één gehandhaafd moet blijven als ‘cultuurhistorisch element’. “Voorgesteld wordt in een van de laagbouwbuurtjes ten westen van de Johan Huizingalaan bijvoorbeeld in de omgeving van de Louis Bouwmeesterstraat of Hemsterhuisstraat een plekje in tact te laten.”
Concentreert de publieke bezorgdheid zich in onze dagen vooral op de toenemende zwaarlijvigheid onder kinderen, de kern van het probleem is niet veel anders dan 60 jaar geleden. Veel kinderen uit allochtone gezinnen kampen met exact dezelfde problemen als de arbeiderskinderen uit de jaren vijftig: grote gezinnen in te krappe woningen. De kinderen uit de middenklasse spelen minder buiten dan ooit. Overbezorgde ouders brengen hen, uit vrees voor het drukke verkeer, met de auto naar school en hun clubjes. Het enige moment waarop basisschoolkinderen nog wel eens ontsnappen aan het beknellende toezicht van volwassenen, is wanneer zij op het internet dwalen.

Delen:

Jaargang:
2010 62

Gerelateerd

25 jaar geleden: December 1985
25 jaar geleden: December 1985
50 en 25 jaar geleden 25 januari 2011
Winnares Ons Amsterdam-Scriptieprijs op bezoek bij de burgemeester
Winnares Ons Amsterdam-Scriptieprijs op bezoek bij de burgemeester
14 januari 2011
Hier gebeurde het… Kalverstraat, 17 maart 1881
Hier gebeurde het… Kalverstraat, 17 maart 1881
Hier gebeurde het 15 december 2010