Kunstenaarskolonie in Meerhuizen

Broedplaats aan de Amstel

De behoefte aan broedplaatsen voor kunstenaars en andere creatieve figuren is niet van vandaag of gisteren. Rond 1916-1920 betrokken tal van schilders, beeldhouwers en musici Meerhuizen, een voormalig ‘buiten’ aan de Amstel. Gas, elektriciteit en stromend water waren er niet: toen de avant-gardisten erin trokken stond het al op de nominatie te worden gesloopt om plaats te maken voor Berlages Plan Zuid.

Er liepen vreemd uitgedoste types in en uit, de ramen waren tot laat in de nacht verlicht en het was er soms bepaald luidruchtig. Geen wonder dat de tramconducteurs van lijn 4 (die toen nog over de Amsteldijk reed) zich afvroegen wat er in ‘dat huis’ gaande was. Mary Vecht kon het op een dag niet laten en ‘ontrafelde’ het mysterie. Zij vertelde aan een van de conducteurs dat Meerhuizen een huis vol artiesten was met één grote kamer waarin ze allemaal samen sliepen. De conducteur, die ongetwijfeld zijn stoutste vermoedens bevestigd zag, keek haar meewarig aan. Afgaande op haar alledaagse kledij zei hij: “Jij bent er zeker in betrekking.”

Dat was Mary Vecht niet. Samen met haar kinderen en echtgenoot, de bevlogen kunsthandelaar Jack Vecht, bewoonde ze een ruime hoekkamer in het hoofdgebouw van het voormalige buiten aan de Amsteldijk 91. Omringd door ‘artiesten’ was ze er wél, want in Meerhuizen streken rond 1916-1920 diverse avant-gardistische kunstenaars neer - die overigens allemaal een eigen slaapvertrek hadden.

De schilder en kunstcriticus Conrad Kickert woonde op de zolder van het achterhuis. Zijn medebewoners noemden hem goedmoedig “Rembrandt”, omdat hij soms een grote fluwelen baret droeg en omdat hij eens wanhopig had uitgeroepen dat Rembrandt zich al op zijn vijfendertigste aan een meesterwerk - de Nachtwacht- had gezet. Kickert was een van de drijvende krachten achter de introductie van moderne kunststromingen in Nederland. In Parijs, destijds hét centrum voor de culturele elite, was hij gegrepen geraakt door het kubisme van Picasso en in het bijzonder door de donkere kubistische doeken van zijn vriend Henri le Fauconnier. Samen met Jan Toorop, Jan Sluijters en Piet Mondriaan haalde hij in 1911 tal van kubistische werken naar het Stedelijk Museum in Amsterdam voor de eerste belangwekkende tentoonstelling van de Moderne Kunstkring, die de vier kunstenaars het jaar daarvoor hadden opgericht. Van Paul Cézanne werden liefst 30 doeken getoond en ook was er voor het eerst werk te zien van Odile Redon.

Zo’n vijf jaar later reorganiseerde Kickert de inmiddels wat sukkelende Moderne Kunstkring. Een aantal nieuwe leden was het echter niet eens met de ideeën van Kickert, die nogal strak de hand hield aan het Franse kubisme. De nieuwe garde stapte op - met medeneming van het verenigingsorgaan - en richtte de Nieuwe Kunstkring op. Onder hen bevonden zich onder meer de schilders Thé Lau (grootvader van de gelijknamige popmuzikant en zanger van The Scene) en Petrus Alma, de beeldhouwer John Rädecker (ontwerper van het Nationaal Monument op de Dam) en de pianist/componist Jakob van Domselaer. Allemaal verbleven ze, net als Kickert, voor kortere of langere tijd in Meerhuizen. En hoewel er natuurlijk stevig over de kunsten werd gediscussieerd, vormde deze scheiding der geesten geen belemmering voor de ontspannen verhoudingen op Meerhuizen.

Maaike van Domselaer, die samen met haar echtgenoot Jakob in het najaar van 1916 twee grote kamers in het achterhuis van Meerhuizen betrok, omschreef de sfeer als volgt: “Al die mensen kenden elkaar min of meer en ondanks de grote verschillen die zich op den duur hoe langer hoe meer aftekenden hadden ze één ding gemeen: ze vielen allen buiten het gangbare, het normale. Daarin verstond men elkaar en daardoor was er in de sfeer vanzelf iets kameraadschappelijks.”

Niet lang na de Van Domselaers verhuisde Charley Toorop met haar twee zoontjes naar Meerhuizen, met in haar kielzog een kindermeisje - dankzij de financiële steun van haar vader had zij het wat breder dan de meeste andere bewoners. Met haar bebopkapsel en zwart fluwelen baret was zij een opvallende verschijning en haar zoontjes wisten menig bewoner om hun vingertjes te winden. Na Toorops vertrek naar Schoorl in 1919, betrok John Rädecker met zijn gezin haar kamers in het voorhuis.

Vaste bezoekers

Een van de kleurrijkste figuren uit de beginjaren van de kunstenaarskolonie was Thé Lau, die zijn rommelige atelier in het achterhuis had. Hij mocht zich graag tooien met een grijze of zwarte ‘halve hoge’, waar zijn lange haren en bakkebaarden onderuit kwamen, en liep rond met een forse wandelstok. Met zware basstem en heftige bewegingen protesteerde hij tegen alles en iedereen. Bijvoorbeeld tegen het leger; hij kon elk moment worden opgeroepen voor de landstorm en dat zat hem niet lekker. Op een avond was het zo ver: hij werd naar de voordeur geroepen, waar een korporaal hem sommeerde onmiddellijk naar de Oranje-kazerne te vertrekken. Lau sputterde hulpeloos tegen. Hij had niet in de gaten dat hij tegenover Jack Vecht stond, die - in voor een geintje - ergens een korporaalsuniform had opgeduikeld.

Kunstenaars en kunstminnenden betrokken Meerhuizen misschien omdat ze op dat moment nergens anders terecht konden, maar vooral omdat ze hier gelijkgestemden troffen. Toch respecteerden de bewoners elkaars privacy en liepen niet voortdurend bij elkaar in en uit. Maar op de vrijdagavonden van de familie Vecht, die dan meestal open huis hield, troffen zowel bewoners als bezoekende kunstenaars en intellectuelen elkaar. Mary en Jack Vecht bewoonden de ‘feestzaal’ van Meerhuizen, waar het slaapgedeelte was afgeschermd met kamerschermen. Tegen de achterwand hing De Graflegging, een destijds bejubeld doek van de schilder Jaap Weyand, die tijdelijk bij Thé Lau was ingetrokken. Het echtpaar Vecht werd geroemd om zijn gastvrijheid - altijd drank en spijs in overvloed - en Jack betoonde zich bovendien een begenadigd causeur. Een van zijn stokpaardjes was de Oost-Aziatische kunst; hij verzamelde destijds Chinees keramiek. De luidruchtige gesprekken gingen veelal gepaard met - onbedoelde - muzikale begeleiding van Charley Toorop, die in haar kamer onder die van de Vechten zong of piano speelde.

Vaste bezoekers waren de wetenschapper Alfred Waldenburg en de dichter Jacques Rensburg, beiden op hun eigen manier wereldvreemd. Waldenburg, zoon van een Duitse professor en in Meerhuiselijke kring de “schedelmeter” genoemd, ging volledig op in zijn rassenstudie en wilde te pas en te onpas schedels meten. Hij was verlegen en in zijn ruime cape en versleten schoenen liep hij meestal schichtig over straat. Desondanks kon hij tijdens discussies helder en soms zelfs venijnig uit de hoek komen - maar niemand nam hem dat lang kwalijk. Musicus Van Domselaer wierp hij ooit op hoge toon voor de voeten: “Bleiben Sie in Ihre Musikhalle; kommen Sie nicht in den Garten der Kunst!” En een hoog oplopende twist over kunst met Thé Lau, bij wie inmiddels het kookpunt was bereikt, kapte hij vernietigend af met de opmerking: “Ach, Sie sind doch nur ein Christ.” Maar de goedgelovige Jacques Rensburg wist hij pas echt tot razernij te brengen. Tijdens een van de wekelijkse bijeenkomsten kon Rensburg er slechts met man en macht van worden weerhouden Waldenburg aan te vallen. Hem restte niets anders dan met zijn stok op tafel te slaan, schreeuwend “dat hij zijn leven gegeven had voor de kunst en de wetenschap”. Rensburg was een randfiguur binnen de Amsterdamse bohème, die weliswaar werd geprezen voor zijn vertaling van Dantes Divina Commedia, maar die toch niet helemaal serieus werd genomen. Hij sprak met enige regelmaat in volle overtuiging van ‘zijn’ schone Française - die niet bestond - en werd om zijn naïeve geloof in het utopisme wel “de graalzoeker” genoemd.

Per koets over de ‘hobbeldijk’

Lang voordat Meerhuizen begin 20ste eeuw een vrijplaats werd voor de avant-garde, kwamen er al vooruitstrevende kunstenaars over de vloer voor een aangenaam ‘discours’. De eerste eigenaar was immers de koopman en dichter Hendrik Laurensz Spiegel (1549-1612). Hij ontving hier graag zijn letterkundige vrienden, die per koets over de weinig comfortabele “hobbeldijk” naar het huis aan de Amstel kwamen. Als een van de invloedrijkste rederijkers van zijn tijd onderhield Spiegel nauwe banden met onder anderen de rondborstige dichter Roemer Visscher en de strijdbare literator Dirck Volckertsz Coornhert. Ook jong, aanstormend talent zoals Joost van den Vondel, Gerbrand Adriaansz Bredero en Pieter Cornelisz Hooft verheugden zich in zijn belangstelling.

Op Meerhuizen kwam Spiegels belangrijkste literaire werk, Hertspieghel, tot stand, waarin hij onder meer de geneugten van zijn buiten bezingt. Sierbomen en -struiken wisselden perenbomen af, de visbeek was omzoomd met olmen en iepen en natuurlijk stond er zijn befaamde lindeboom, “naer de wijze van dien tijdt gevlochten, en met trappen in de hoogte gelegt en gevormt tot een Prieel”. Of ook latere eigenaren zo van de natuurpracht onder de indruk waren, is niet te achterhalen, maar zowel aan de tuin als het huis is in de loop van de eeuwen behoorlijk veel veranderd. In de 19de eeuw kwam de stad gestaag naderbij en aan het begin van de 20ste eeuw was er van het paradijselijke buiten van Spiegel weinig meer over. De gemeente plande er een nieuwe woonwijk.

In afwachting van de stadsuitbreiding had de gemeente het pand vast onteigend, maar de nieuwbouw liet nog even op zich wachten. Berlages Plan Zuid werd pas in 1917 door de gemeenteraad goedgekeurd en toen was het economisch tij - in Europa woedde de Eerste Wereldoorlog - niet gunstig voor het uitvoeren een dergelijk omvangrijk project.

‘Laat alle hope varen’

Ondertussen vond in de zomer van 1913 de emancipatoire tentoonstelling De vrouw 1813-1913 een onderkomen in Meerhuizen. Op het terrein langs de zuidzijde van het Amstelkanaal waren paviljoentjes opgetrokken waarin het resultaat van honderd jaar vrouwenarbeid - van ‘Ziekenverpleging’ tot ‘Kleeding en Toegepaste Kunst’ - werd geëxposeerd en in de met lampions verlichte tuin klonk ’s avonds muziek. Het huis zelf was ingericht alsof er een welgestelde familie uit 1813 woonde - vandaar dat de Amsterdamse bohème ook wel over “Huis 1813” sprak. Maaike van Domselaer, die een week lang toezicht had gehouden op het zaaltje ‘Letterkunde en Toneel’, was destijds nog geïmponeerd door het statige vierkante huis. Toen ze het in 1916 terugzag, schrok ze.

De gemeente had het huis aan een kippenboer verhuurd, die de kamers uit financiële nood onderverhuurde. In de tuin stonden kippenhokken en in sommige kamers waren kippenbroedmachines opgesteld, zo herinnerde de kunstschilder Laurens van Kuik zich later. De armlastige kippenboer woonde zelf met vrouw en kinderen in de keuken. Maaike van Domselaer en Charley Toorop trokken zich het lot van de oudste dochter aan, die het mikpunt was van “hysterische driftbuien” van haar moeder. Toen Toorop vertrok wilde ze het meisje ‘meesmokkelen’ naar Schoorl, maar het “gewillige kind” durfde de ontsnapping uiteindelijk niet aan.

Omdat Meerhuizen vanwege de nieuwbouwplannen was genomineerd voor de sloop, verspilden gemeente, huurders en onderhuurders geen cent aan het gebouw. De woonomstandigheden waren dan ook primitief; Maaike van Domselaer heeft zelfs even overwogen boven de deur een bordje te hangen met: “Gij die hier binnentreedt, laat alle hope varen.” Er was geen gas of elektriciteit en ook geen stromend water. Tweemaal daags haalden de zonen van de kippenboer een groot vat water bij de watertoren op de hoek van de Amsteldijk en de Vrijheidslaan, waarmee de bewoners zo veel mogelijk emmers probeerden te vullen. Maar het werd allemaal nog erger.

Rebelse sentimenten

Na de Eerste Wereldoorlog trokken een aantal bewoners weg naar Schoorl, Bergen of Parijs. Andere kunstenaars namen hun plaats in, onder wie Laurens van Kuik, de beeldhouwer Jan Havermans (maker van het monument voor verzetsstrijders op de Apollolaan hoek Beethovenstraat) en het ‘enfant terrible’ Erich Wichman. De Eerste Wereldoorlog liet veel mensen - zowel op als buiten het slagveld - ontredderd achter. De slachting van de war that will end all wars had bij de toch al rebelse Wichman een gevoel van afkeer tegen de maatschappij en de bourgeoisie losgemaakt. Hij vertaalde dit sentiment in geëngageerde kunst en politieke actie. Om aan te tonen tot welke absurditeiten het democratische bestel kon leiden, richtte hij samen met onder meer Jan Havermans de Rapaille-partij op. Deze anti-parlementaire partij deed in 1921 mee aan de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen, onder lijsttrekkerschap van de dakloze Cornelis de Gelder, in Amsterdam beter bekend als Had-je-me-maar.

De gehuwde Wichman nam in 1919 zijn intrek in Meerhuizen, samen met zijn zwangere vriendin Rie Zürcher. Zijn komst zorgde binnen de kunstenaarsgemeenschap voor spanningen, zo vertelde Jack Vecht later: “Wichman was aan een kant zeer geniaal, aan de andere kant psychopaat. Zeer belezen. Genie und Irrsinnreikten elkaar bij hem de hand. Hij was bezeten. Je moest voortdurend oppassen voor conflicten.” Rie herinnerde zich nog hoe Wichman eens een potkachel wilde schilderen tegen de achtergrond van een gebroken raam: hij sloeg een ruit in hun kamer aan diggelen. De schrijver Arthur Lehning, die Wichman samen met de dichter Hendrik Marsman in Meerhuizen bezocht om diens financiële nood te lenigen, beschreef de kapotte ramen, die met bordpapier - het was winter - waren afgeplakt. Wichman had er een gedicht van de Duitse dichter Frank Wedekind op geschreven. Ook noteerde Lehning dat het eens zo “beroemde huis 1813” toen reeds in een “zeer delapidaire” staat verkeerde.

Het moment van sloop naderde. Het terrein rondom Meerhuizen was inmiddels bouwrijp gemaakt en opgehoogd, waardoor Meerhuizen lager kwam te liggen dan de omgeving. Wateroverlast was het gevolg. De vrouw van Laurens van Kuik baarde in Huis 1813 nog een kind, terwijl het water in de naastgelegen kamer centimeters hoog stond - de kraamvisite moest over vlonders naar de babykamer om de jonge boreling te bekijken. Het was overduidelijk: zelfs voor bohémiens, hoe wereldvreemd ook, was Meerhuizen geen geschikte vrijplaats meer. Het huis werd onbewoonbaar verklaard en maakte uiteindelijk plaats voor Berlages Zuid. Even voorbij het Amstelkanaal ligt nu het Meerhuizenplein.

M. van der Weg freelance journaliste.

Bronnen en literatuur

M. van Domselaer-Middelkoop: Brieven over Meerhuizen, in: Jaarboek Amstelodamum, 1971.

F.J Haffmans (red.), Geest, koolzuur en zijk, Briefwisseling van Erich Wichman. Van Gruting, 1999.

Maurits Dekker, Amsterdam bij gaslicht, 1949.

Wichman-archief, Centraal Museum Utrecht.

Delen: