Koepelkerk Botermarkt: Een Amsterdamse Tempel van Salomo

De gedroomde kerk

Amsterdam had kerken nodig na de groeispurt in de Gouden Eeuw. Advocaat Nicolaas Listingh ontwierp er een die alle andere in de schaduw moest stellen. Hij liefhebberde graag als architect. Hoon was zijn deel.

Amateurs vormen een mensensoort die professionals vaak op de zenuwen werkt. Zij kunnen wel eens met frisse, visionaire ideeën komen, maar meestal laat hun praktische kennis van zaken dan zozeer te wensen over dat realisatie ervan onmogelijk blijkt. Te veel theoretische boekenkennis, te weinig inzicht in de uitvoerbaarheid. Als er één branche is waarin zich amateurs in het verleden graag actief toonden én tegelijk rampen konden aanrichten, was het de architectuur wel. Zo hadden we in Nederland koning Willem II, de romanticus op de troon, wiens eigenhandig ontworpen neogotische aanbouwsels aan het Haagse Paleis Kneuterdijk zijn kortstondig bewind amper hebben overleefd – het grootste deel moest na zijn dood ijlings gesloopt worden wegens grote bouwkundige gebreken.

Ook in de Republiek waren er enthousiaste dilettanten met ambitieuze plannen waar de bouwkundige wereld zo haar twijfels bij had. Een van hen was de Amsterdammer Nicolaas Listingh (1630-1705), advocaat, notaris en meer dan veertig jaar lang kerkmeester van de Oude Kerk, waar in een zijkamer nog steeds een statig portret van hem hangt. Veelzeggend genoeg niet met de notariële en juridische paperassen voor zich op tafel die zijn broodwinning vormden, maar met twee eigen bouwkundige ontwerpen. Hij was daar duidelijk trotser op dan op het feit dat hij ooit Rembrandt had bijgestaan in diens pogingen om van alle geportretteerden op de Nachtwacht de verschuldigde bedragen te innen.

Hoon

Wij zien op zijn portret de ontwerpen voor een zeedijk bij Muiden en voor een immense koepelkerk op de toenmalige Botermarkt, het huidige Rembrandtplein. Geen van beide projecten is verwerkelijkt. Listingh was zelf niet vermogend en hij wist stadgenoten die wel kapitaalkrachtig genoeg waren niet voor zijn plannen te winnen. Net zo verging het een derde project: dat voor vernieuwing van de kap over de Burgerzaal van het nieuwe stadhuis, die al binnen een kwarteeuw goeddeels doorgerot was. Alice Taatgen schreef erover in dit blad (‘Help, het dak van het paleis lekt’, juli/aug. 2018), waarbij ze ook de kritiek vanuit de vakwereld op Listinghs bedenksels uit de doeken deed.

Zijn ontwerpen werden met hoon overladen. De Amsterdamse burgemeesters, aan wie Listingh in 1699 zijn tekeningen en houten modellen had aangeboden, sloten zich daarbij aan: “wat hij sig met sulke dingen te bemoeijen hadde”, beten zij hem op de uiteindelijk bewilligde audiëntie toe. De burgemeesters namen niet eens de moeite om naar de maquettes te komen kijken in zijn tuinhuis buiten de Utrechtse Poort.

De kritiek van de stedelijke meestertimmerlieden betrof vooral vermeende bouwtechnische defecten. Soortgelijke bezwaren hadden zij eerder ook op het nog veel ambitieuzer project van Listingh voor die koepelkerk, dat dus evenmin een willig oor vond bij het stadsbestuur.

Behoefte aan een kerk van enige omvang bestond er intussen wel degelijk. Amsterdam maakte zijn laatste groeispurt van de Gouden Eeuw door, die het inwonertal boven de 200.000 bracht en de stad na Londen, Parijs en Napels in grootte de vierde van Europa maakte. In 1663 was onder leiding van stadsbouwmeester Daniël Stalpaert met de Vierde Uitleg begonnen. De plannen waren ambitieus: men wilde in één keer de rest van de halvemaan voltooien, van de Leidsegracht tot aan de Oostelijke Eilanden toe. De stagnatie van de bevolkingsgroei na de eeuwwisseling stak daar een stokje voor: ten oosten van de Amstel bleef het gebied grotendeels onbebouwd.

Leemte

De bouw van kerken in het nieuwe deel van de stad had niet de prioriteit van de stadsbestuurders, maar vroeg toch wel de aandacht. Stalpaert tekende er binnen zijn geprojecteerde stadsuitleg liefst vier, alle vier tussen de Keizersgracht en de Prinsengracht, een logische voortzetting van de ‘boog’ die met de Noorderkerk en de Westerkerk was begonnen. De eerste kerk ter hoogte van de Leidsegracht, de tweede bij de Reguliersgracht, de derde zo’n beetje waar nu de Plantage Muidergracht loopt en de vierde op het middelste van de Oostelijke Eilanden. Een straat moest het viertal onderling verbinden. Die kwam er inderdaad, toepasselijk de Kerkstraat geheten, maar van de vier kerken is er slechts eentje gebouwd: de Oosterkerk, ontworpen door Stalpaert zelf.

Nummer een en drie kwamen er nooit en op de plaats van nummer twee verrees in 1668-1670 niet meer dan een tijdelijke houten noodkerk, de Amstelkerk, die er ondanks enige latere verbouwingen nog steeds staat. Wel werd met de ruime aanleg van het plein ernaast, het Amstelveld, rekening gehouden met de komst van zo’n volwaardige stenen stadskerk later. Er zat alleen geen enkele schot in die zaak, waardoor de hele nieuwbouwwijk die in de laatste decennia van de 17de eeuw aan de grachten verrees het met de schuurachtige Amstelkerk moest doen.

Tussen Westerkerk en Oosterkerk gaapte dus een groot klerikaal gat. Die leemte wilde Listingh met zijn koepelkerk vullen, ook al koos hij daarvoor een plek veel dichter bij het stadshart, op de Botermarkt. Er bestaat een latere editie van de grote stadsplattegrond die Nicolaes Visscher in 1664 (dus direct na het begin van de Vierde Uitleg) had uitgegeven, waarop zijn koepelkerk alvast als een rondje is ingetekend, alsof hij er gewoon al stond.

Gram

Listingh haalde in 1701 zijn gram door zijn onheuse behandeling per notariële akte op schrift te stellen, een document waaraan menig sappig detail te ontlenen valt. Het smeuïgste is de opmerking van de burgemeesters dat “de Toorn op syn koepel gestelt indiense soo gemaakt wierde, door haar onderstaande Dak heen soude sacken”. Die schimpscheut betrof een toren die Listingh voor de kerk had bedacht. Hij bestreed met klem dat “de Tooren, op syn model van de Coupelkerk, wanneer in ’t groot gemaakt was, door de kerk heen soude sygen”.

Het laatste houten model stond toen en staat nog altijd in de Oude Kerk. Het is met een hoogte van liefst vijf meter het grootste model dat in Nederland uit de tijd van de Republiek bewaard gebleven is. Listingh had dus de nodige pretenties. Zijn koepelkerk moest zelfs min of meer als protestantse tegenhanger dienen van de katholieke Sint-Pieterskerk in Rome en de oorspronkelijk orthodoxe (inmiddels in een moskee veranderde) Hagia Sophia in Constantinopel. De monumentale platenatlas die hij tussen 1689 en 1695 in druk liet verschijnen, bevat behalve grote bouwtekeningen van zijn eigen koepelkerk ook plattegronden van de beide hoofdkerken van de westerse en oosterse christenheid aan. Ook afbeeldingen van de Ronde Lutherse Kerk ontbreken niet als vergelijkingsmateriaal.

Voorbeelden

Veelzeggender nog zijn de plattegronden van de Oude Kerk, de Zuiderkerk en de Westerkerk, waarin met stippellijntjes de omtrek van Listinghs project getekend is: die moesten in één oogopslag het forse formaat van zijn koepelkerk duidelijk maken. Met een hoogte van ongeveer negentig meter had de kerk alle andere Nederlandse koepelkerken verre moeten overtreffen, zowel de Ronde Lutherse Kerk in Amsterdam (1668-1671) als de Marekerk in Leiden (1639-1649). De Marekerk fungeerde duidelijk als voorbeeld: zo zijn de hol uitzwenkende steunberen – die de buitenmuren van de omgang met de tamboer onder de koepel verbinden – aan die kerk ontleend.

Die opvallende steunberen vormden een bouwkundig element met grote theologische betekenis: zij moesten Listinghs koepelkerk tot een soort Hollandse Tempel van Salomo maken. Ze waren ontleend aan de grootse en fantasievolle reconstructies die de Spaanse jezuïetenpater Juan Bautista Villalpando in 1604 van de Bijbelse Tempel van Jeruzalem had gemaakt. Die tempel gold als hét voorbeeld van perfecte architectuur, aangezien volgens de overlevering God in eigen persoon de bouwplannen aan Salomo had gedicteerd. Villalpando’s reconstructie had al eerder voor enkele protestantse kerken in de Republiek model gestaan, onder meer voor de Amsterdamse Oosterkerk (1669-1671). Ook (en nog veel toepasselijker) bij de Hoogduitse Synagoge (1670-1671) en de Portugese Synagoge (1671-1673) keerden die steunberen terug.

Begraven

De burgemeesters lieten zich niet vermurwen door de theologische boodschap, niet door het imposante houten model (waarvoor Listingh overigens wel door de stad betaald kreeg) en evenmin door de niet minder imposante platenatlas, die hij aan hen had opgedragen. Nicolaas Listingh overleed kort daarna in 1705 en werd begraven in de Oude Kerk, waar het gigantische model voor de Botermarktkerk nog steeds te zien is voor iedereen.

Bijna twee eeuwen later – tussen 1879 en 1884 – lieten de Amsterdamse hervormden alsnog een koepelkerk bouwen, even buiten de grachtengordel aan de Stadhouderskade, ter ere van 300 jaar Alteratie. Deze kerk, die simpelweg Koepelkerk kwam te heten, is in 1972 gesloopt.

 

Thomas H. von der Dunk, #3 maart 2021

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Architectuur Kunst en Cultuur Religie
Editie:
Maart
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1600-1700