Keizersgracht, tweede kerstdag 1637. Rechtzinnig protest tegen Vondel

“O Kerstnacht, schooner dan de daegen”: samen met andere klassiek geworden passages uit Vondels treurspel Gysbreght van Aemstel had deze regel op tweede kerstdag 1637 gezongen moeten worden bij de opening van de eerste Amsterdamse schouwburg op de Keizersgracht. Dat ging niet door vanwege protesten van rechtzinnige predikanten, die toneel in het algemeen te lichtzinnig en Vondel in het bijzonder te katholiek vonden. Uiteindelijk ging het stuk op 3 januari 1638 toch in première en op den duur zou de vertoning van dit kerstspel op nieuwjaarsdag een traditie worden.

Vondel schreef zijn Gysbreght speciaal voor de opening van de schouwburg en het stuk ademt ook de sfeer van de kersttijd waarin het vertoond moest worden. Het speelt zich af in de kerstnacht van 1304. Amsterdam is al een jaar omsingeld door vijandelijke soldaten (Kennemers en Waterlanders) onder bevel van Egmont en Diedrick van Haerlem. Die nacht zal de stad met geweld worden ingenomen. Het dappere verzet daartegen door van heer Gijsbrecht is tevergeefs en zijn edele inborst legt het af tegen de arglistigheid van de vijand. De wreedheid van de oorlog staat in de Gysbreght in huiveringwekkend contrast tot de vrede van de kerstnacht en dat is niet het enige effect dat Vondel toepaste om zijn publiek te boeien. Hij appelleerde ook aan de trots van de Amsterdammers door aan de ondergang van Gijsbrechts middeleeuwse stad een voorspelling te verbinden: “Al leght de stadt verwoest, en wil daer van niet ijzen / Zij zal met grooter glans uit asch en stof verrijzen.” En die herrijzenis van Amsterdam hadden de toeschouwers op 3 januari 1638 – midden in de Gouden Eeuw – zelf natuurlijk tot stand gebracht, zodat ze het theater na afloop met een goed gevoel konden verlaten.

 

 

 

 

Vondel baseerde zich voor zijn Gysbreght op kronieken en andere werken over de geschiedenis van Amsterdam, maar over de historische juistheid van zijn interpretatie kunnen we kort zijn: er klopt weinig van.

 

 

Wegens succes geprolongeerd!

 

“Eergisteren is dit drama voor het eerst vertoond, en met zoveel temeer toejuiching, naarmate de verwachting van het publiek langer in spanning gehouden is.” Dat schreef de geleerde Vossius aan de eminente rechtsgeleerde Hugo de Groot, die in Parijs zat en aan wie Vondel zijn Gysbreght had opgedragen. De ophef die de predikanten over het stuk gemaakt hadden, had de belangstelling van het publiek natuurlijk alleen maar vergroot – constateerde ook Vossius. Het stuk werd kort na de première nog dertien keer opgevoerd; de voorstelling van 5 februari werd bijgewoond door het voltallige gemeentebestuur. De tekst van de Gysbreght werd hetzelfde jaar nog minstens drie keer herdrukt. Intussen bleven de predikanten zich verzetten en mogelijk daardoor verdween Vondels treurspel van de planken. Pas in de winter van 1641/1642 kwam het terug, maar toen is dan ook – met een enkele onderbreking - een traditie gevestigd, die tot 1968 stand zou houden.

 

Over de enscenering van de oer-Gysbreght van 1638, toen het nieuwe theater overigens nog helemaal niet klaar was, is veel gespeculeerd, maar weinig bekend. Zeker is dat de rollen gespeeld werden door amateurs: mannen die in het dagelijks leven hun brood verdienden als barbier, boekbinder, trommelslager, poortwachter, kunsthandelaar of iets anders. Naar verluidt waren deze toneelspelers ruwe kerels, die vaak dronken op het toneel verschenen en een hartige grap niet meden. Zo zou Willem Bartolsz de Ruyter, de man die bij de première bisschop Gozewijn speelde, tijdens een repetitie zijn mijter hebben aangeduid als een pispot. Dat meldt tijdgenoot Tengnagel in zijn in 1653 verschenen boekje D’Onbekende Voerman van ’t Schouburgh en hij voegt eraan toe dat Vondel zelf het grapje niet kon waarderen.

 

 

Een eeuwenoude traditie

 

Amsterdams eerste stenen schouwburg lag iets van de Keizersgracht af: aan de straat was een toegangspoort, waarna het publiek op een klein binnenpleintje kwam. Het gebouw was ontworpen door Jacob van Campen, die zich daarbij had laten inspireren door de Italiaanse bouwkunst. Het was een van de eerste grote bouwwerken die getuigden van de rijkdom en de trots van de Amsterdamse burgerij in de Gouden Eeuw (Van Campens stadhuis op de Dam zou pas in 1662 worden voltooid). Wie in de 17de eeuw het toegangspoortje doorging en het pleintje overliep trof achter de eigenlijke toegangsdeur een portaal of vestibule, van waaruit de verschillende rangen van de schouwburg te bereiken waren. Op de begane grond in de zaal bevond zich het ruim met staanplaatsen (parterre). Voor de toeschouwers met een beter gevulde beurs waren er twee rijen met huisjes (loges) boven elkaar en daar weer boven was een galerij met banken aangebracht.

 

Het toneel zelf bestond uit een voor- en een achtergedeelte, van elkaar te scheiden door een zwaar gordijn, dat was uitgevoerd in de stadskleuren rood en zwart. Het was een vast toneel met deuren, vensters, balkons, galerijen en in het midden een troonhemel. Met verwisselbare panelen, doeken en schermen kon het voor de verschillende scènes aangepast worden.

 

Alleen het pleintje en de toegangspoort aan de Keizersgracht 384 zijn nog steeds terug te vinden. De eigenlijke schouwburg is bij een rampzalige brand op 11 mei 1772 volledig afgebrand, en daarbij kwamen bovendien 16 mensen om het leven. Daarna werd op het Leidseplein een nieuwe toneeltempel gebouwd, die in de 19de eeuw overigens ook in vlammen opging en werd opgevolgd door de huidige Stadsschouwburg.

 

Ook in dat theater op het Leidseplein werd ieder jaar de Gysbreght opgevoerd – totdat aan deze Amsterdamse traditie in 1968 een einde kwam. Een jaar later vlogen de tomaten door de Stadsschouwburg en dat laat weinig te raden over de achtergrond van het besluit om ermee te stoppen. Toch is het stuk ook nadien nog met enige regelmaat in januari in Amsterdam gespeeld, voor het laatst in de Staddschouwburg in januari 1995. Voor de jonge regisseur die het stuk voor die gelegenheid op de planken bracht, ging het in de Gysbreght om overleven in barre tijden. Dat soort tijden komt steeds weer terug, dus heer Gijsbrecht zullen we ook in de toekomst op het Amsterdamse toneel wel weer eens tegenkomen.

 

 

 

Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman

 

December 2002

 

 

 

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Kunst en Cultuur
Editie:
December
Jaargang:
2002 54
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1600-1700