Keizersgracht. 'Drenkeldoden in de mist', 31 december 1790

Plotselinge mist in de namiddag van oudejaar 1790 ontwrichtte de stad volledig. Toen de duisternis inviel, raakte menigeen het spoor bijster. Tallozen belandden in de gracht en voor het gloednieuwe gebouw van Felix Meritis schoot zelfs een koets het water in. Mensen verdronken. Achttien doden werden naar het Gasthuis gebracht en even zovele mensen raakten vermist. Nog heel veel meer werden er uit het koude grachtenwater gered.

Geheel onvoorbereid was Amsterdam niet, toen op 31 december 1790 door de “zwaare nevel” velen in de gracht vielen. Extreme weersgesteldheden zoals plotseling opkomende dichte mist kwamen zelden voor, maar regelmatig kwamen mensen in stadswater terecht. De nachtwachters – ook wel ratelwachters genoemd – dienden dan ook dreggen ensinds 1783 ook flinke koorden met kurken bij zich te dragen. Aan het eind van die touwen zaten twee loden kogels, “ter bevordering van de wisheid en snelheid van het werpen”. De stedelijke overheid verplichtte de kasteleins van tapperijen aan de grachten om drenkelingen ter verzorging op te nemen; wie weigerde kreeg een boete. Wijkmeesters moesten er direct naartoe en de hulp van een chirurgijn inroepen.

Het was vooral aan de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen te danken dat deze maatregelen waren getroffen. Opgericht in 1767 in Amsterdam probeerde de maatschappij de overheid te bewegen preventief op te treden om ongelukken te voorkomen en gaf richtlijnen uit hoe de levens te redden van op het droge gebrachte ‘schijndoden’. Redders ontvingen een gouden of zilveren medaille, van de hand van Johan George Holtzhey naar ontwerp van Reinier Vinkeles – of desgewenst een equivalent in geld.  

De annalen van de maatschappij vermelden zes gevallen van bewusteloze drenkelingen die op deze oudejaarsavond weer tot leven werden gewekt. Weduwe Geijs raakte bij de Bloemmarkt te water, maar kwam met wrijving met warme doeken en brandewijn in een nabijgelegen huis weer bij. Pruikenmaker Johan Conrad Lam werd meer dan dood levend uit de Binnen Amstel bij de Halvemaansteeg gevist. Drie passanten sleepten hem naar een herberg op het ’s-Gravelandse Veer, waar zij hem warm wreven en een chirurgijn aderlating toepaste. Hij kwam bij kennis en het drietal bracht hem naar zijn huis op het Rusland. 

 

Blaasbalg

Blijkbaar waren in en nabij de Raamgracht nogal wat Amsterdammers te water geraakt, want daar waren tien mannen met een bootje actief om mensen te redden. Zij brachten onder anderen Dirkje Roos (25) op het droge en droegen haar naar een bierkelder. Het duurde een half uur voordat een chirurgijn na wrijving en na prikkeling met ammoniakzout weer een polsslag voelde. Ze werd naakt bij de kasteleines in bed gestopt, om te profiteren van haar lichaamswarmte, geheel volgens voorschrift van de reddingsmaatschappij. 

In de Leprozengracht bij het Arsenaal (nu Waterlooplein, het gedeelte dat toen bekendstond als Joden Stromarkt) redde chirurgijn Mozes Zadok het leven van een oude man, Samuel Levi. Hij hanteerde een blaasbalg om via de anus tabaksrook in te brengen, gaf hem een braakmiddel en wreef hem in met warme brandewijn. Zadok was een expert: tussen 1775 en 1800 redde hij 26 mensen. 

Uit de Oudezijds Achterburgwal werd Teuntje Lieshout gehaald. In een tapperij in de Stoofsteeg ontfermden een chirurgijn, een apotheker en een leerling-chirurgijn zich met succes over haar. (Naderhand weigerden de eerste twee overigens de reddingsmedaille omdat de leerling ook in de prijzen viel.) Minder goed liep het af met Daniel van Oudvorst (62). Hij werd “stijf, zwaar en zonder polsslag” uit de Nieuwezijds Achterburgwal (nu Spuistraat) gevist, herstelde na langdurige behandeling, maar overleed twee dagen later aan koorts.

Achttien ‘drenkeldoden’ werden bij het (Binnen-)Gasthuis binnengebracht, evenveel mannen als vrouwen. Zes ’s nachts al: twee soldaten en vier vrouwen, diena bezoek aan een wijnhuis kennelijk aangeschoten op verschillende plekken in de gracht gevallen waren. Tien de volgende dag en later nog eens twee, die de krant niet meer haalden. Het Treur-Lied, Op de droevige en akelige toestand van de laatsten Dag in ’t Jaar 1790 rept over nog grotere aantallen: “Wel veertig mensen zo met zijt/ Die raakte om het Leeven/ En nog wel vyftig zijn bevrijd/ Die daar nog hulpe kreegen.”

 

Petitie

Na de rampzalig verlopen oudejaarsavond en -nacht drong een viertal burgers met een petitie bij de stadsregering aan op afrastering van de grachten. Het stadsbestuur vond het plan van koopman Joan Scherenberg, boekhandelaar Hendrik Gartman, arts Christiaan Schacht en Isaac Jan Alexander Gogel (die later als minister in de Franse Tijd het belastingsysteem zou hervormen) niet uitvoerbaar, maar kwam eind januari wel met een keur. Brandmeesters kregen de opdracht om bij zware mist bij bruggen en sluizen pikblakers (kandelaren met pek) en brandende toortsen te plaatsen. Nachtwachten moesten de bewoners langs de gracht vermanen om de spullen in huis te halen voor geval van nood: verlichting en touwen (van boom tot boom te spannen op ongeveer een meter hoogte). Een onmogelijke opdracht.

Het aantal drenkelingen was ook zonder extreem weer schrikbarend hoog in Amsterdam. In de negen jaren 1784-1792 werden er 844 geteld (Nieuwe Nederlandse Jaerboek 1793), van wie er 547 waren verdronken en slechts 297 gered.  Vooral kinderen en vrouwen waren het slachtoffer. Kinderen raakten te water bij het spelen en konden niet zwemmen; vrouwen – voor wie zwemmen onfatsoenlijk was – verloren hun evenwicht bij het uitspoelen van de was in het grachtenwater of bij het water halen uit waterschuiten. Pas heel langzaam zou het aantal sterfgevallen door verdrinking afnemen.

Gelukkig waren er altijd mensen die te hulp schoten. Succesvolle redders waren bijvoorbeeld Johan Seveke, die tussen 1814 en 1849 maar liefst 42 maal bekroond werd voor een redding. En een eeuw later dankte Dirk Rietveld uit de Jordaan er zijn bijnaam Dirk de Waterduiker aan: volgens eigen zeggen had hij 74 mensen gered.

 

REDDINGSMETHODEN

De Maatschappij tot Redding van Drenkelingen bestaat nog steeds en is inmiddels koninklijk. Zij hield en houdt nauwgezet de ontwikkelingen van de medische behandelmethoden van ‘schijndoden’ bij. Voordat mond-op-mondbeademing ingang vond, behielp men zich in de 19de eeuw kiesheidshalve met blaasbalgen. De al in 1932 uitgevonden Automatische Externe Defibrillator (AED) heeft pas recentelijk algemene verspreiding gevonden om toe te passen bij hartstilstand.

 

 

Beeld: ‘Zwaare Mist te Amsterdam, den 31. December 1790’. Koets en mensen in de gracht gevallen ter hoogte van Felix Meritis. Tekening Jan Bulthuis, 1791. Collectie Stadsarchief Amsterdam

 

Marius van Melle en Maarten Hell

Decembernummer 2019

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Natuur
Editie:
December
Jaargang:
2019 71
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1700-1800