Keizer was beter

In die tijd belden we elkaar op zondagmorgen op en maakten dan een afspraak in de tram. Lijn 9 naar het eindpunt, waar het Stadion was. In de tram, die altijd vol zat met mensen die ook naar het Stadion gingen, werd van alles besproken. De vraag bijvoorbeeld of je voetbal ook als kunst kon beschouwen, een belangwekkende kwestie, want als dat zo was, zaten we goed, en stonden we min of meer op het punt het Stedelijk te bezoeken. Maar o wee als het niet zo was, want wat hadden wij jonge intellectuelen, sommigen van ons studeerden zelfs voor professor, dan bij voetballen te zoeken, dat was toch voor het klootjesvolk?

Dat was natuurlijk zo, maar Piet Keizer lieten wij ons niet afpakken. En dus kochten we een kaartje voor de Reynolds-tribune en namen plaats vlak naast het veld, waar je Keizer, Swart en Cruijff niet alleen met elkaar kon horen praten maar ook de wonderbaarlijkste dingen kon zien doen. Na de wedstrijd ging het onveranderlijk over de vraag wie de beste was, Cruijff of Keizer. Cruijff, vonden wij, was de beste, maar Keizer was beter.
Vele jaren later had ik een vriendin die maar één vriend had en omdat ik dat was, was ik het ook die voor haar zorgde toen haar leven ten einde liep. Het was herfst, en als ik na mijn werk naar haar toe fietste, fietste ik door het duister. Aan haar bed dronken we een glas wijn en daarna bereidde ik haar muizenhapje. Vaak praatte ze over haar man, die ze na zijn dood nog een week bij zich had gehouden, tot ze waren gekomen, de mannen die haar hadden meegenomen en haar opgesloten hadden.

Deze keer had ze het over het hotel naast het Odéon in Parijs, waar ze ’s winters vaak drie maanden verbleef, zonder iemand te spreken. “Op het laatst weet je niet meer hoe het moet”, zei ze, “praten.” Toen ik weer op straat stond, bleek het te waaien, en niet zo’n beetje. Door een vliegende storm fietste ik zingend door het Vondelpark, waarna ik een afzakkertje ging kopen in een café op de Overtoom.

Aan de bar trof ik Jip Golsteijn, in druk gesprek met een man die mij bekend voorkwam, en die natuurlijk Piet Keizer bleek te zijn. “Ik heb je mooie doelpunten zien maken”, zei ik, “met ballen die zolang onderweg waren dat we dachten dat ze nooit meer zouden landen.” “O ja?”, zei Piet en weg was hij. De volgende dag bleek het Vondelpark vol omgewaaide bomen te liggen.

 

Delen:

Editie:
Januari Februari
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Column

Gerelateerd

Column Felix Rottenberg: Merwedeplein 17
Column Felix Rottenberg: Merwedeplein 17
Column 1 januari 2020