Juni 1949: Brand op de Oudeschans verwoest de Koorndrager

Op 3 juni 1949 brandde het 17de-eeuwse pakhuis De Koorndrager op de Oudeschans af. Een brandmeester kwam om het leven, twee brandwachten raakten gewond. Meer pakhuizen gingen dat jaar in vlammen op. De nieuwbouw die kwam, is inmiddels alweer vervangen.

De Oudeschans bood aan het begin van 1949 nog een stoere 17de-eeuwse aanblik. Een lange rij pakhuizen met stemmige, donker geteerde gevels en wit-omrande luiken gaf de toon. “Zelden tekent een straatwand met huizen van verschillende hoogten zich tegen de lucht af met een zo fraaie lijn als dit stuk Oude Schans. (…) ‘De Koorndrager’ domineert in die lijn”, schreef de architect David Zuiderhoek (1911-1993). Dichter Henk Fedder (1890-1979) was al even lyrisch, in het bijzonder over het beeld van de korendrager bovenin de gevel, dat het pakhuis zijn naam gaf: “Hij staat ten voeten uit aan pakhuismuur gehouwen,/ Hem heeft der eeuwen loop van verv’ noch gloed beroofd,/ De steenen leden recht, onwrikbaar, onbewogen,/ Torst hij zijn kost’bren last met opgeheven hoofd.”

De Koorndrager, Oudeschans 73-77, was een indrukwekkend pakhuis. Eigenlijk waren het er drie achter één gevel, tegelijk gebouwd omstreeks 1635 op het terrein van een voormalige scheepswerf op Uilenburg. Sinds de 18de eeuw deelden ze voorgevel, maar ze behielden hun verschillende huisnummers. Het pakhuis was in 1949 nog vol in bedrijf, acht jaar na de restauratie.

 

Explosie

De brand brak uit in de nacht van drie op vier juni. Om kwart over een ontdekte de nachtwaker Van Hoorn rook, waarna de brandweer uitrukte en het signaal ‘middenbrand’ doorgaf. Toen die op de Oude Schans arriveerde klonk er een doffe explosie en werd meteen groot alarm geslagen. In het pakhuis lag veel uiterst brandbaar materiaal: huiden, leer, alcohol, terpentine, meubels, lompen en kurk. De rampenverslaggever van het Algemeen Handelsblad noteerde: “Honderdduizenden stukjes kurk, bestemd voor kroonkurken, warrelden brandend uit een der pakhuizen omhoog en vormden een gevaar voor huizen en kleding.” 

De hele nacht ging de brandweer het vuur te lijf, met 22 stralen en drie waterkanonnen. De Handelsblad-verslaggever was zeer onder de indruk van het spektakel: “Bloedrode vlammentongen sprongen uit de kleine boogvensters van de zware bakstenen voorgevel met de mooie trapeziumvormige top. Hoger en hoger laaiden de vlammen op en vliegvuur kolkte met de verhitte lucht omhoog als een zuil, die zich hoog boven de oude stad verhief. In de rosse gloed, die de brand verspreidde, schenen de huizen rondom de grachten angstig samen te schuilen voor dit schrikkelijk tempeest van razend vuur.”

 

Begrafenis

De brandweer onder leiding van de commandant zelf, J.B. (Johannus) Schuitemaker (1895-1960), kreeg geen vat op de vlammen. De hitte op de kade werd zo hevig dat de brandweerauto en de ladderwagen weg moesten. Tegen half drie stortte de zware bakstenen topgevel naar beneden. De meeste mannen op de kade konden zich ternauwernood in veiligheid brengen – brandwacht B.L. Hemminga liep een lichte verwonding op aan het voorhoofd en zijn collega J. Schreuder in de linkerzij – maar brandmeester Willem de Boer werd door het vallende puin geraakt en in de gracht geslingerd. Het Handelsblad: “Twee brandweerlieden sprongen hem na. Van de overkant van de Oude Schans, waar de toeschouwers dicht opeengepakt stonden, gingen luide kreten op en drie, vier mannen sprongen van zolderschuiten gekleed te water om hulp te bieden.”

De brandmeester werd uit het water gehaald, maar de verwondingen waren zeer ernstig en in het Binnengasthuis overleed hij kort na aankomst. Willem de Boer was in dienst sinds januari 1933. Hij liet een vrouw en vier kinderen achter. Burgemeester Arnold Jan d’Ailly en brandweercommandant Schuitemaker brachten de weduwe daags na het ongeluk een condoleancebezoek. Drie dagen later werd het lichaam van De Boer “met corpseer” door de stad begeleid. De stoet ging van het uitvaartcentrum aan de P.C. Hooftstraat over de Van Baerlestraat naar de Voormalige Stadstimmertuin, achter de brandweerkazerne. Het Brandweermuziekkorps ging voorop, “met het vaandel in rouwfloers, de trommen, eveneens met floers omwonden”, gevolgd door drie brandweersecties. Alle mannen waren in uniform, met de helm op, en ook aan het stuur van de lijkwagen zat een brandweerman in vol ornaat. Achter de auto liepen de Boers collega’s van de vierde sectie. Het muziekkorps speelde de treurmars van Chopin. 

 

Meubelzaal

Het waren slechte tijden voor de oude pakhuizen in de stad. Eerder dat jaar was op 5 maart het pakhuis Vrede (Prinseneiland 79-43) verwoest, op 22 juli woedde een grote uitslaande brand in een pakhuis op Prinseneiland 75, waarin een bleekwaterfabriek, een lakspuiterij en een optische slijperij zaten en op 23 augustus ging op de Oudeschans 31-33 pakhuis Gouden Reaalen eraan (een lompenopslag en een dropfabriek).

De Koorndrager bleek onherroepelijk verloren. In 1950 werd besloten de bouw van een nieuw pakhuis dat (volgens Het Parool) “niet ‘namaak oud’ mag zijn, maar dat toch goed bij de omgeving moet passen”. Op de drie percelen verrees een nieuw pand, weer in drie ‘delen’, een meubeltoonzaal. De teleurstelling was groot. Monumentenbeschermer Ton Koot schreef in Het Parool: “Ik moet bekennen dat ik als geslagen stond, toen ik zag, wat er in de plaats was gekomen voor wat eens het monumentale hart van de Oude Schans was. [Het is] een zielloos gat gebleven, slap en miezerig, een onvoldragen product, noodbouw, een armzalig toonbeeld van gebrek aan begrip en respect voor een dergelijke Amsterdamse gevelwand.” Daar konden de architecten Frits Eschauzier en Bart van Kasteel het mee doen. De laatste bouwde later in Amsterdam wel meer ‘in historische context’, zoals de Schuttersgalerij aan het Amsterdam Museum en de nieuwe vleugel van het Stedelijk Museum.

 

Beeld

In kwam 1974 nam het Bimhuis het pakhuis over, een initiatief van Hans Dulfer, Willem Breuker en Mischa Mengelberg, leden van de Beroepsvereniging van Improviserende Musici, op zoek naar een concertzaal voor de Nederlandse jazzwereld. Het gebouw werd in 2009 afgebroken, vier jaar na het vertrek van het Bimhuis naar het Muziekgebouw aan ’t IJ. Onder de fundering van de oude Koorndrager bleken nog de planken van de scheepshelling te liggen. Ze rustten direct op de ondergrond en liepen in de lengterichting af naar de gracht. 

De gevel van het nieuwe appartementen- en hotelcomplex Luxury Suites Amsterdam heeft weer de contouren van de oude Koorndrager, zij het zonder het manshoge beeld van de korendrager zelf. Waar dat gebleven is, is een raadsel. Bij brand was het beeld in het water van de Oude Schans gestort. Een aannemer had nog dagenlang gezocht. Op 17 september zou hij de kop van de korendrager hebben gevonden. Maar waar die is gebleven, is onbekend.

 

Beeld: collectie Stadsarchief Amsterdam.

 

Juninummer 2019

Delen: