Jongenssopraan Leo Meijer: mooie carrière met een schaduwkant

Ademloos luisterde Ben Poelman naar de hemelse stem van jongenssopraan Leo Meijer. Tijdens een kerstdiner midden jaren zestig had de gastvrouw een 45-toerenplaatje op de Philips pick-up gelegd en daar klonk Schlaf wohl, du Himmelsknabe du. Later kocht hij in een kringloopwinkel een EP’tje. Hier vertelt hij het verhaal van de jonge zanger.

Jongensstemmen hebben door de eeuwen heen tot de verbeelding gesproken van componisten en muziekliefhebbers. Legio opera- en concertzangers in binnen- en buitenland zijn begonnen als koorzanger; in Nederland ook populaire liedjesvertolkers als Johnny Kraaijkamp sr., Willy Alberti, Hein Simons en Jan Smit. Jongenssopraan Leo Meijer was geen uitzondering: als knaapje van zeven kwam hij bij het koor van de Sint-Augustinuskerk onder leiding van Henri Bauer.

Leo Meijer was de jongste uit een muzikaal katholiek gezin. Hij werd op 7 november 1947 geboren op Postjeskade 16, éénhoog. Vader Z.I. Meijer (1909-1979) was chef-monteur bij Bronswerk aan de Grasweg in Noord en in zijn vrije tijd lid van het koor van de Sint-Augustinuskerk aan de Postjesweg. Zus Ria speelde piano, zijn broers Henk en Frans ook nog orgel. De kleine Leo luisterde naar de radio en zong mee met kleuterliedjes of met de bekende liedjes van Paul Christiaan van Westering op tekst van Annie M.G. Schmidt, zoals Beertje Pippeloentje

Het gebeurde eens bij het Augustinuskoor dat de repetitie van een mis maar niet wilde vlotten. Elke koorknaap werd afzonderlijk naar voren geroepen om de bewuste passage voor te zingen. Als enige slaagde Leo erin dat feilloos te doen. Deze gebeurtenis was het beginpunt van zijn carrière. Henri Bauer en zijn organist Gerard Peelen klopten met het jonge zangtalent aan bij Tanny Wegerif-van de Garde, sopraan van het Amsterdams Vocaal Kwartet en tevens zangpedagoge. Zij nam de elfjarige Leo drie maanden op proef – en zou zich verder gedurende Leo’s hele loopbaan met zijn scholing bezighouden. 

 

Gave stem

“Ik heb na de lagere school op de St.-Louis MULO in de Falckstraat in Amsterdam gezeten. Eens per week had ik een uur les van Tanny Wegerif. Zij woonde aan het Olympiaplein in Amsterdam. Ik ging altijd met de bus. Ik vond zelf dat ik helemaal niet zo denderend kon zingen, bij mijn lerares kwam ik dan ook eerst op proef. Veel studeren en veel oefenen heeft me gebracht waar ik ben gekomen. Thuis moest ik toonladders en stemoefeningen doen. Bij het instuderen van aria’s zong Tanny voor en begeleidde ze mij op de piano. Als ik een muziekstuk een keer had gehoord, kon ik het meestal meteen nazingen. De teksten in andere talen schreef ze fonetisch uit. Tanny kreeg ƒ 125,- per maand, dat was voor die tijd erg veel, en als ik wel eens opstandig was als puber of niet wilde studeren, werd me dat regelmatig voor de voeten gegooid.”

Oefening baarde kunst. Zijn tweede EP (verlengde platensingle) werd in 1962 juichend ontvangen. De opbrengst was bestemd voor de bouw van een parochiehuis annex jeugdhuis in West op initiatief van de paters van de Sint-Augustinuskerk. Dagblad De Tijd-De Maasbode (14 juli 1962): “Leo Meijer [...] heeft een werkelijk prachtige stem, krachtig, vrij en open zoals een jongenssopraan moet klinken en hij is bovendien ook nog zeer muzikaal. Zijn frasering is onberispelijk; hij is dus behalve muzikaal ook goed geschoold.” Het Gereformeerd Gezinsblad van 6 februari 1963: “Het is een belevenis deze zuivere en hoge jongenszang zonder enige gekunsteldheid te horen. Men staat verbaasd dat bijv. de hoge a met gemak wordt bereikt.” Disco Discussies (april 1963): “Bij het draaien van dat plaatje steeg onze verbazing over de gaafheid van Leo’s stem naar een gevoel dat zich maar zelden van ons meester maakt: ontroerende bewondering.” Het Vrije Volk, ten slotte: “Hij heeft niets van een teenager-zanger, toch zingt hij en heeft hij succes. Zijn voorkeur gaat niet uit naar de onstuimige teenagermuziek, maar naar de klassieke in het bijzonder de Latijnse kerkmuziek, Mendelssohn-Bartholdy, Mozart en Beethoven.”

 

Pro deo

Leo Meijer bewaart goede herinneringen aan de opname van de EP voor de Augustinuskerk. “Het had gesneeuwd en met mijn vader, een stugge Fries, ben ik vóór de opname sneeuwballen gaan gooien. Het mocht niet, omdat ik nog moest zingen, maar ik deed het toch.” De plaat werd na concerten en in kerken en platenzaken verkocht. “Ik geloof dat er twee of drie na-persingen zijn geweest en er totaal iets van 5000 platen verkocht zijn. Ik kreeg natuurlijk geen royalty, het was pro deo, maar uiteindelijk mocht ik zeggen wat ik het liefste wilde hebben. Ik was aan het sparen voor een kano, want dat gaf mij vrijheid. Die heb ik gekregen.”

Zijn zangcarrière nam een hoge vlucht. Hij was te horen bij tal van kerkconcerten binnen en buiten Amsterdam, zoals in de Engelse Kerk op het Begijnhof, de Haarlemse Sint-Bavo en de Domkerk in Utrecht. “Iedere zaterdagavond had ik optredens in het land. Door de week was het school en muziek studeren. De school maakte geen bezwaar als ik voor zo’n optreden moest verzuimen, als ik maar beloofde, dat ik als tegenprestatie op ouderavonden gratis zou optreden.” 

Tijdens een uitvoering op 10 maart 1960 van de Mattheus Passie door het R.K. Hoofdstadkoor onder leiding van Theo van der Bijl in het Concertgebouw maakte hij zoveel indruk, dat de NCRV en een platenmaatschappij belangstelling kregen voor het “wonderkind” (Het Vrije Volk, 1963). “Mijn vader was mijn impresario. Hij regelde alle contacten en contracten met de omroepen en met Phonogram. Mijn vader en mijn broer Frans gingen met de concerten mee; Frans hielp met instuderen van aria’s, door me thuis op de piano te begeleiden. Tanny Wegerif gaf een lijstje mee waarop stond wat ik moest zingen. De kopieën van de partituur moesten opgestuurd worden naar de betreffende organist. Ik werd altijd begeleid door een organist of pianist; nooit door een orkest.” 

 

Spaarrekening

“Wij woonden in Amsterdam, dus iedereen die een beetje tot de kennissenkring behoorde werd oom of tante genoemd. Zo ook de broer van onze bovenbuurvrouw, ene ome Ko. Hij was heel belangstellend. Hij bracht ons met de auto veel naar concerten, maar ging niet verder dan Hilversum. De concerten die verder weg lagen, gingen per trein. We namen brood mee voor onderweg. Bijna nooit gingen we vooraf eten, want ik kon absoluut niet zingen met een gevulde maag, ik stond meestal nuchter te zingen.”

Een hapje eten in een restaurant zat er toch al niet in, want van een bescheiden gage van bijvoorbeeld 25,- of alleen de reiskosten kon dat niet bekostigd worden. “Als er voor een kerkconcert gevraagd werd wat ik voor gage wilde hebben, zeiden mijn ouders: ‘Geef hem maar een balpen of een vogeltje voor zijn volière.’ Ik heb wat vierkleurenbalpennen en vogeltjes gekregen! Voor een trouwerij in een kerk kreeg ik altijd een reep chocolade, met uitzondering van de trouwerij van een dochter van de directeur van een groot modeconcern. Wat een spektakel was dat: opgehaald met een grote auto naar Haarlem, waar het echtpaar door de bisschop werd getrouwd in de Sint-Bavo en ik ook op de receptie moest optreden. Ik weet nog heel goed dat ik voor die dag 100,- kreeg, voor mij een immens bedrag.” 

Het weinige dat Leo verdiende, mocht hij van zijn ouders houden en zette hij op een spaarrekening van de Amsterdamsche Bank. “Ik spaarde voor een tweepersoons kano, niet wetende dat ik die later als gage zou krijgen voor dat plaatje voor het Parochiehuis. Varen en zwemmen: dat waren mijn hobby’s. Toen ik die kano had, voer ik vaak een hele dag richting de Nieuwe Meer. Ook heb ik na jaren sparen een mooie geluidsinstallatie gekocht. Ik weet nog goed dat het in het begin bedragen waren van een paar honderd gulden en later van een paar tientjes, omdat de verkoop terugliep. Maar ik verdenk de heren van Phonogram ervan dat ik veel pro deo heb gezongen.”

 

Baard

“Soms werd ik met een taxi van school opgehaald, zoals die keer naar De Papegaai in de Kalverstraat, waar pater Henri de Greeve preekte en ik Blute nur, du liebes Herzuit deMattheüs Passion van Bach zong. Toen ik in de taxi stapte, keken m’n schoolgenoten met lede ogen toe. De prijs was hoog: ik werd op school en in de buurt gepest, en tijd om met vriendjes te spelen was er niet. Ik voelde me geen echt kind meer. Ik was nooit in de gelegenheid om mezelf te zijn. Ik werd geleefd. Thuis hoefde ik niet aan te komen met negatieve verhalen, want dan kreeg ik de wind van voren.”

Zanglerares Tanny Wegerif bepaalde wat er gezongen werd en koos zijn repertoire. “Zij was erg dominant.  Mijn ouders vonden alles goed, als ik maar zong ter ere van God. Van Hem had ik immers die stem gekregen. Het geloof heeft een zware wissel getrokken op mijn jeugd. Zorgzaam als mijn ouders waren, deden ze alles voor mijn zangcarrière, maar ze vergaten dat ik nog een kind was. Alles voor God, zo ging dat in katholieke gezinnen. Lekker buiten spelen zat er niet in. Stel je voor dat een kerkconcert niet door kon gaan doordat ik ziek werd!” 

Ook nadat hij de baard in de keel had gekregen, bleef Leo zangles houden en na verloop van tijd ging hij weer wat optreden. Het einde van zijn loopbaan kwam nogal abrupt. Op een liederenavond van het conservatorium in de Kleine Zaal van het Concertgebouw ging het mis. Twee aria’s uit Don Giovanni van Mozart zou hij zingen, waaronder het duet Reich mir die hand mein Leben. “Ik was denk ik een jaar of twintig. Tijdens de repetitie deed de zangeres overdreven verliefd. Dat irriteerde mij, zo wilde ik niet zingen, zei ik. Tijdens de uitvoering deed ze het toch, prompt raakte ik mijn tekst kwijt. Ik wist de zaak te redden door alleen op klinkers verder te zingen. Slechts weinig mensen hebben iets gemerkt. Maar ik was zó kwaad, dat ik mijn lerares te kennen gaf: ‘Ik stop met zingen.’ Ik trok mijn jas aan, ze heeft me nooit meer gezien. Ik heb ook nooit meer gezongen.”

 

Beeld: Platenhoes

Zomernumer 2019

Delen: