'Je moet die dingen scheiden'. Ben Polak, huisarts en communist

Zijn vader was rabbijn, zijn moeder socialiste. Ben Polak viel al jong van zijn geloof en sloot zich aan bij de CPN. Na de oorlog werd hij huisarts. Zijn hele leven bleef hij een ‘gelovige’ maar zeer eigenzinnige communist.

De medicus en politicus Ben Polak was een dwarsligger, een verzetsstrijder en een strijdbare communist, maar ook een stevige wethouder, een bevlogen hoogleraar en vóór alles een “opgewekte, warmvoelende, behulpzame huisarts”. Een krant omschreef hem eens als “klein, benen op een voetenbankje, een bril met dikke glazen, daarachter fonkelende pretoogjes, knokkend tegen onrecht. Zo kennen duizenden Amsterdammers hem”.

Benjamin Sally (Ben) Polak (1913-1993) had twee carrières: een langdurige als arts en een relatief korte als politicus. Hij had vele jaren een drukke huisartsenpraktijk en was actief voor de Communistische Partij van Nederland (CPN). Voor die partij was hij gemeenteraadslid en wethouder, lid van Provinciale Staten van Noord-Holland en lid van de Eerste Kamer. Polak was van Joodse komaf. Zijn vader was rabbijn, zijn moeder was socialiste. Tijdens zijn gymnasiumtijd viel hij van zijn geloof; toen hij studeerde, werd hij politiek actief. Korte tijd was hij lid van de Nederlandse Zionistische Studenten Organisatie en van een antifascistische studentengroep. In 1933 of 1934 sloot hij zich aan bij de CPN.

Polak trouwde in 1940 met de juriste Petra ‘Pim’ Eldering, afkomstig uit een remonstrants domineesgezin. Hij had haar leren kennen in de antifascistische beweging; ook zij was lid van de CPN. Samen kregen ze twee kinderen. Na hun echtscheiding eind 1945 trouwde Polak nog drie keer. In 1947 met de communiste Letty Bronsing, in 1950 op verzoek van zijn kinderen opnieuw met zijn eerste vrouw – ook deze keer hield het huwelijk geen stand – en in 1977 met de veel jongere Mireille Smit.

Modedokter

Na zijn afstuderen in 1941 kon Polak zich door zijn gemengde huwelijk nog enigszins vrij bewegen. Hij en Pim werkten voor illegale bladen – De Waarheid en De Vrije Katheder – en verleenden hulp aan onderduikers. Hun huis aan de Rivierenlaan (nu: President Kennedylaan) was een centrum van verzetsactiviteiten. De CPN-leiding en de top van de Raad van Verzet vergaderden er. In november 1943 werd Polak gearresteerd, maar hij wist uit de Hollandsche Schouwburg te ontsnappen. Daarna dook hij onder en ging door met zijn verzetswerk.

Direct na de bevrijding ging Polak aan de slag als arts. Dertig jaar lang had hij een drukke praktijk, met zo’n 5000 patiënten, aan de Tweede Constantijn Huygensstraat. Omdat zijn patiëntenkring veel bekende Amsterdammers telde, stond hij bekend als een ‘modedokter’. Er werd wel gezegd dat je er niet bij hoorde als je hem niet als huisarts had. Maar niet alleen de linkse intelligentsia en de culturele elite kwamen bij hem langs: rijk en arm, hoog- en laagopgeleid, zijn patiënten waren van zeer diverse pluimage.

Voor zijn patiënten deed hij veel; hij was vóór alles een “opgewekte, warmvoelende, behulpzame huisarts”. Hij vergeleek zich als arts wel eens met zijn vader, de rabbijn: “Wat ik als huisarts in de relatie met mijn patiënten had, was een soort nabootsing van zijn pastorale habitus.” Hij was ook vooruitstrevend in zijn werk en verrichtte abortussen en euthanasie toen die nog taboe waren.

In oktober 1945 werd Polak voor de CPN lid van de noodgemeenteraad, om in 1946 aan te treden als een van de twee communistische wethouders, met als portefeuille Gemeentebedrijven. Lang duurde zijn wethouderschap niet. De communistische machtsovername in Tsjechoslowakije in 1948 – toegejuicht door de CPN – gaf de gemeenteraad alle reden om beide communistische wethouders te ontslaan wegens gebrek aan vertrouwen. De Koude Oorlog was begonnen, ook in Nederland.

Gelovig

Terugkijkend vond Polak zijn wethouderschap “best leuk werk”, maar fundamentele veranderingen kon hij niet doorvoeren, en daar ging het voor een communist toch eigenlijk om. “Toen ik er twee dagen zat, moest ik de tarieven voor energieverbruik verhogen. Dat was mijn eerste beleidsdaad. Het enige van echt politiek belang was dat ik heb verhinderd dat de arbeiders die in staking waren gegaan tegen de koloniale oorlog van Drees werden gestraft. Dat vond ik een politieke daad van enige betekenis. Verder heb ik de elektriciteitscentrale aan de Hemweg gebouwd en wat trams gekocht.” Kortom: “veel gerommel in de marge”, weinig echte veranderingen. De CPN had beter geen wethouders kunnen leveren, dat was maar “reformistische flauwekul”.

Zijn hele leven bleef Polak wat je noemt een ‘gelovig’ communist, maar hij had veel moeite met de autoritaire leiding van de CPN. Die had weinig op met intellectuelen die zelf nadachten en bleven discussiëren, zelfs nadat de partij haar machtswoord had gesproken. Zijn politieke carrière werd dan ook getekend door conflicten met de partijleiding. Typerend is het lot van het wetenschappelijke partijbureau dat hij had opgezet: met één pennenstreek werd het weer opgeheven. “Dat had het partijbestuur beslist, zonder enige verdere motivering. Je stond daar volkomen machteloos tegenover. Als nette partijganger kon je alleen maar ‘Ja, meneer’ zeggen.”

Ook zijn vrouw kwam in conflict met de partijleiding. Pim Eldering was redacteur van De Vrije Katheder, een onafhankelijk blad dat een open discussie tussen communisten en progressieve niet-communisten beoogde. Zij werd in 1950 uit de partij gezet, omdat zij zich niet had verzet tegen de plaatsing van een kritisch artikel over Sovjetleider Josef Stalin. Polak bleef lid. “Dat kon ik goed scheiden”, zei hij later. Wel vond hij het ‘stompzinnig’ dat er de partij zo met haar leden omging.

Royement

De conflicten voedden het wantrouwen bij de CPN tegen Polak. Begin 1953 raakte hij wederom in aanvaring met de partijleiding – met grote gevolgen. Deze keer ging het om de (show)processen tegen voormalige leiders, onder wie ook Joden, in enkele Oost-Europese landen begin jaren vijftig en het zogenoemde ‘dokterscomplot’ in de Sovjet-Unie. De Pravda schreef in januari 1953 dat er een samenzwering was ontdekt van negen artsen, “(sluip)moordenaars in doktersjas”, met als doel het vermoorden van Sovjetleiders. Zes waren van Joodse afkomst. Polak uitte zijn twijfel over de berichten. Het verhaal over die Russische artsen kón gewoon niet kloppen. Zo werkte het niet in een ziekenhuis: voor zo’n samenzwering had je veel meer mensen nodig, behalve artsen bijvoorbeeld ook verpleegkundigen.

Een collega-statenlid briefde de twijfel van Polak meteen over aan CPN-leider Paul de Groot. Tijdens een spoedvergadering van het partijbestuur op 6 maart 1953 kwam de kwestie aan de orde: Polak moest zijn raads- en Statenlidmaatschap neerleggen en er kwam een royementsprocedure. Dagblad De Waarheid opende in de beste communistische traditie de aanval op de persoon Polak: hij had foute standpunten, dus deugde hij niet, dus had hij nooit gedeugd. Hij had zich beziggehouden met “achterbaks gewroet in de partij”, geprobeerd “partijgenoten van Joodse afkomst op te zetten tegen de partijleiding en het optreden van de Sovjet-Unie”, geprobeerd twijfel te zaaien aan de juistheid van de berichtgeving vanuit de Sovjet-Unie, enzovoort. Polak legde daarop al zijn vertegenwoordigende functies neer, enige tijd later volgde het royement. Alsof dat nog niet genoeg was, drong het partijbestuur er bij Polaks communistische patiënten op aan om een andere, betrouwbaardere huisarts te zoeken.

Buitenstaander

Enkele weken na de dood van Stalin trokken de nieuwe leiders van de Sovjet-Unie eind maart 1953 de aanklachten tegen de negen artsen weer in en werden ze gerehabiliteerd. Pas in november kwam het CPN-partijbestuur tot de conclusie dat ook Polak rehabilitatie verdiende. Hij mocht er weer bij, maar moest wel erkennen dat hij “ernstige politieke fouten” had gemaakt. Bijna dertig jaar later zei Polak dat hij op dat moment geen fanatieke partijganger meer was. “Ik geloofde er nog wel in, maar ik ging niet meer naar de kerk.” Hij deed zijn werk “maar verder wilde ik geen flikker met hen [zijn partijgenoten, JdV] te maken hebben”. De partijtop omschreef hij als “een stelletje incompetente voorbijgangers”. Hij was een buitenstaander geworden. Te liberaal, te eigenwijs, te vriendelijk voor niet-communisten, teveel een burger.

Eind mei 1956 werd Polak wel nog voor de CPN lid van de Eerste Kamer. Hij bleef dat tot 1960. Daarna eindigde eigenlijk “als vanzelf” zijn relatie met de partij. “In 1960 eindigde mijn mandaat als Eerste Kamerlid en toen hebben ze gewoon nooit meer contributie bij me opgehaald. Dat was de manier. Ik ben gewoon kaltgestellt. Er kwam niemand meer langs die vroeg of ik nog wat wilde doen.”

Zo nam Polak afscheid van de actieve politiek. Wel bleef hij communist, maar had steeds vaker vraagtekens. De theorie klopte, vond hij, maar in de praktijk leidden geslaagde revoluties steeds weer tot zeer autoritaire regimes. Hij werd er pessimistisch van – was het ideaal wel ooit te verwerkelijken? “Ik geloof dat de grondgedachte [van het marxisme, JdV] juist is. De gedachte dat mensen uit zichzelf niet slecht zijn, maar dat ze rotdingen doen als reactie op de structuren waarin ze leven. En dat je die structuren dus veranderen moet.”

Flauwekul

Hij stortte zich met “angstaanjagende werkdrift” op zijn carrière als medicus en had daarmee veel succes. Hij werd wetenschappelijk medewerker en later hoogleraar huisartsgeneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam (1977-1984). Hij stond als medeoprichter en directeur van het Instituut voor Huisartsengeneeskunde aan de basis van de moderne huisartsenopleiding. Verder was hij onder meer lid van het hoofdbestuur van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), zette hij zich in voor Joodse en andere oorlogsslachtoffers en was hij voorzitter van het Medisch Comité Nederland-Vietnam.

In de jaren tachtig keek Polak in interviews terug op zijn politieke activiteiten. Hij deed dat op een nogal koele, analytische manier, zonder veel emoties. Destijds woonde hij in een kapitaal grachtenpand aan de Keizersgracht. Interviewers vroegen hem wel eens hoe hij dat kon rijmen met het marxisme. Dat was volgens Polak ‘flauwekul’. Hij had altijd heel hard gewerkt en veel geld verdiend, terwijl hij toch relatief lage tarieven rekende: “Ik heb het goed, en daar heb ik een boel lol in.” Hij had zich altijd sociaal opgesteld, “maar ik ben er niet de man naar om soep in hongerend Afrika uit te delen. Je moet die dingen scheiden”. Dat kon hij.

Tekst: Jan Vetten

Beeld: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

Juli-augustus 2021

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
Rubriek:
Markante Amsterdammers
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000