Inbreker Harmen Bakker. ‘Lees hier! en ween... hij is gevangen!’

De beruchte inbreker Harmen Bakker was welbespraakt en wist altijd met een overtuigend alibi voor de dag te komen. Totdat hij na een inbraak op de vlucht werd gevloerd. Na zijn overlijden groeien zijn daden uit tot mythische proporties.  

Op maandagmorgen 9 februari 1835 dromde in alle vroegte een enorme mensenmenigte samen op het Koningsplein. De aanwezige verslaggever van het Algemeen Handelsblad constateerde dat de drukte niet alleen door lieden van geringe komaf werd veroorzaakt, maar ook door deftige en welgeklede dames. Men verdrong elkander tot op de stoepen van de aanliggende huizen en herbergen, waar zich ook achter de vensters veel nieuwsgierigen vertoonden, soms nog maar half gekleed.  

Allen wachtten op Harmen Bakker, de schrik van de gegoede burgerij die de spot dreef met de politie. Op deze maandagmorgen zou hij worden overgebracht van het Huis van Bewaring naar het Paleis van Justitie op de Prinsengracht, waar hij zich moest verantwoorden voor diefstal met braak.  

Bleek en mager van gelaat 
Bakker, geboren op 30 november 1797, woonde in de Nieuwezijds Armsteeg. Hij trad op jonge leeftijd in de voetsporen van zijn vader, die schuitenvoerder was. Toen de graanhandel in 1817 kortstondig opbloeide werd Harmen tevens korendrager en tapper. Op 25 augustus 1824 trouwde hij met de 21-jarige Rensje Wiltschut, dochter van een schipper die op de West voer. In 1827 hield hij het korendragerbestaan voor gezien en werd vervolgens geroyeerd uit de corporatie. Hij had een ander métier gevonden. 

In dat jaar werd hij namelijk betrapt bij een inbraak, samen met Hendrik Reijnen. Beiden werden beschuldigd van diefstal, maar uiteindelijk werd alleen Reijnen veroordeeld tot een zevenjarige gevangenisstraf. In 1828 was het weer raak. Nu sloeg Bakker zijn slag samen met schuitenvoerder Klaas de Leeuw en ook nu ontsprong hij de dans. Alleen zijn kompaan werd schuldig bevonden en verdween voor lange tijd achter de tralies.  

Hoewel Bakker een zeer beruchte dief was, bestaan er geen afbeeldingen van hem. Wel een signalement. Zo zou hij van ‘gewone mansgrootte’ zijn en ‘bleek en mager van gelaat’. Alleen zijn ogen vielen op. Die waren groot en glazig en straalden een zekere slimheid uit.  

Bakker wist iedere keer met een overtuigend alibi voor de dag te komen. Toen hij op een keer bijna was betrapt bij een inbraak, schoot hij een herberg binnen. Ongemerkt verzette hij daar de klok en vroeg aan een argeloze vrouw hoe laat het was. Mocht het tot onverhoopte rechtszitting komen dan kon zij als getuige à décharge zijn alibi bevestigen – hij kon immers niet op twee plaatsen tegelijk zijn geweest.  

Ook was hij zeer ad rem en welbespraakt. Toen rechter Pieter Provó Kluit hem ooit eens tijdens een rechtszitting op slinkse wijze vroeg of hij ‘altijd dat ronde hoedje droeg’ tijdens zijn daden antwoordde Bakker hem met een wedervraag. Hij vroeg Provó Kluit of die ‘dat ronde mutsje’ altijd droeg als hij op achterbakse wijze iemand er in wilde luizen? Daarna sloot hij zijn weerwoord af en zei dat hij nog nooit ‘over een turf was gevallen’ en ook nu niet ‘over een “kluit” zou struikelen’.  

Rijksdaalders en een zilveren horloge 

In de nacht van 5 op 6 november 1834 zag Cornelia Harderwijk, weduwe van de goud- en zilversmid Van Greuningen in de Herenstraat, rond drie uur ’s nachts een man naast haar bedstede staan. Hij trok een mes uit zijn buis en sprak een paar onverstaanbare woorden. Kort daarna dook een tweede man op, waarop zij haar dienstmeid wekte, die naast haar sliep. Deze Maria Dwingers was voor geen kleintje vervaard, sprong uit haar bed en rende achter de twee vluchtende mannen aan. Daarna sloot ze de huisdeur. Later werd de eerste man door Cornelia en Maria herkend als Harmen Bakker en de tweede als Klaas de Leeuw. 

Terwijl dit in het huis van de weduwe geschiedde, liepen er twee nachtwachten vanaf de Keizersgracht de Herenstraat in en zagen voor het huis van de weduwe een man staan. Toen deze de nachtwakers in het oog kreeg, rende hij naar de deur, waarschuwde zijn maten en vluchtte via de Keizers- naar de Brouwersgracht. Kort daarna renden Bakker en De Leeuw naar buiten en liepen daarbij een van de nachtwakers omver. Daarop werd meteen groot alarm geslagen, waarna Bakker al op de Leliegracht werd gevloerd en in zijn kraag werd gevat. 

‘Nu ben ik voor goed binnen’, waren zijn eerste woorden en hij liet zich vervolgens gewillig overbrengen naar het Corps de Garde, het bureau van de nachtwacht. Daar troffen ze bij fouillering meerdere gouden en zilveren voorwerpen aan. Verder had hij nog een zakje met vijftien Zeeuwse rijksdaalders, een zilveren horloge en een dito pennenmes onder zijn kleren verstopt. De Leeuw en de derde man, Reijnen, werden later gearresteerd en door de nachtwakers direct herkend. Zij hadden het drietal in de voorgaande weken al ten minste zes of zeven keer in de buurt zien rondkruisen.  

15 jaar tuchthuis 
Ditmaal had Bakker geen alibi en hij verklaarde schuldig te zijn. Daarentegen ontkenden Reijnen en De Leeuw in alle toonaarden iets met de inbraak te maken te hebben gehad. Het Hof dacht daar anders over en veroordeelde de drie inbrekers tot tuchthuisstraffen van vijftien jaar. Bovendien moest Bakker een uur te pronk staan op het schavot. Zijn twee handlangers kwamen er nog minder goed af: zij werden voorafgaand aan hun gevangenisstraf nog gegeseld en gebrandmerkt. 

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right

Van Jean Baptiste Didier Wibmer verschenen nog in datzelfde jaar een drietal rijmschriften over Bakker. Deze Wibmer, opgeleid tot Frans predikant, werd bekend als schrijver van de Utopiaansche Courant, een krant, ‘zoo zot, zoo koddig als ooit onder de zon was verschenen’. In zijn ‘Brief aan den wel-edelen heer Harmen Bakker, van beroep Schuitenvoerder en Hardlooper op zijn Eds. Lustslot: Dikke-Grendel’ uit 1835 vergelijkt Wibmer Bakker met Napoleon, die ook ten val kwam en gevangen werd genomen:  

‘Lees hier! en ween... hij is gevangen!/ Hij is gevallen, de HEKTOR van de Brouwersgracht! [...] Had hij dan zulk een zin in goud?/ Was geen fatsoen voor HARMEN te oud?’  

In 1850 kwam Bakker vrij en scheidde kort daarna van zijn vrouw, omdat zij overspel had gepleegd. Vier jaar later overleed hij.  

Fabelachtige capriolen  
Zijn naam raakte echter niet in de vergetelheid, integendeel. In 1859 verscheen een krantenbericht dat de beruchte Harmen Bakker in Den Haag was gearresteerd, nadat hij daar had ingebroken. Vier dagen later werd dat bericht gerectificeerd, nadat de krant had vernomen dat Bakker al enige jaren geleden overleden was. 

En in het Amsterdamsch Jaarboekje van 1901 lezen we, dat Bakker van de rijken stal en aan de armen gaf. Zijn vlucht op de bewuste avond, die in werkelijkheid al snel ten einde kwam, kreeg haast mythische proporties door de haast fabelachtige capriolen die hij uithaalde. Zo sprong hij met een polsstok over de grachten, vloog hij door de stegen en klom hij over de daken, totdat hij door de nachtwacht werd gevloerd.  

In Uit één pen (1908) laat Justus Van Maurik een oude nachtwacht aan het woord, die nog altijd trots is op ‘het kleine wachie’ dat ooit Harmen Bakker inrekende: ‘Dat was de goochemste inbreker destijds. De politie kon hem nooit snappen, omdat hij altijd een aalebie - of hoe heet zoo'n ding - kon bewijzen, totdat op een keer het kleine wachie hem ergens zag inbreken en z'n eigen koest hield, totdat Harmen Bakker binnen was; toen hij ook naar binnen en hem beetgepakt van heb ik jou daar. En of de boef ook al hoog en laag sprong, 't wachie hield hem vast, net zoo lang totdat er assistentie kwam en ze Harmen Bakker inrukten. Ja, ja meneer, in de kleine potjes zit de beste zalf.’ 

Slangenbeest 
In een ander vers van Wibmer werden de daden van Bakker vergeleken met die van Sjako, ook wel Jaco genoemd, een alias voor Jacob Frederik Muller. Deze beruchte dief uit de vroege achttiende eeuw, die met zijn familie het land onveilig maakte, gold als de Robin Hood van de Lage Landen. Hij stal van de rijken en gaf aan de armen en wist lange tijd uit handen te blijven van de politie in zijn ontoegankelijke fort en rovershol in de Amsterdamse Jordaan, althans, dat was de fantasievolle versie die Jacob van Lennep en de volksverteller Justus van Maurik er later van maakten.  

De werkelijkheid bleek een stuk genuanceerder, want zo edelmoedig waren Sjakoo en Bakker zeker niet. Eerstgenoemde was niet alleen een oplichter en een beruchte dief, maar vermoordde ook een oude vrouw toen zij de bende stoorde bij een inbraak in een boerderij. Ook Bakker dacht meer aan zichzelf dan aan anderen. Zijn vrouw liet hij onbemiddeld achter. Jaren achtereen moest zij voor steun bij de Amsterdamse Huiszittenhuizen aankloppen. Hendrik Reijnen sprak over hem als een man die ‘een slangenbeest in zijn hart droeg’. 

 

JACO 
Rechtshistoricus Frans Thuijs heeft in zijn proefschrift (De ware Jaco. Jacob Frederik Muller, alias Jaco (1690-1718), zijn criminele wereld, zijn berechting en zijn leven na de dood uit 2008) de geschiedenis van Sjako en diens ‘fort’ op de Elandsgracht grondig onderzocht. Jacob Balck alias Jaco was een oorlogsvluchteling uit Oost-Europa die met zijn familie een collectezwendel opzette. Jaco ging het dievenpad op, totdat hij in 1716 werd gearresteerd in Amsterdam. Bij zijn verhoor noemde hij zich Jacob Frederik Muller, de naam van zijn moeder. Hij werd ter dood veroordeeld en in 1718 geradbraakt en onthoofd. Jaco heeft nooit op de Elandsgracht gewoond. 

Februarinummer 2022

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Februari
Jaargang:
Tijdperk:
1800-1900
Rubriek:
Verhaal