In vol ornaat

Het kostuum van de burgemeester

Twaalf jaar geleden mochten de Nederlandse burgemeesters nog een ambtsgewaad dragen. Maar de mot zat er toen al goed in. Op een dramatische herfstdag in 1956 droeg Arnold d’Ailly op de Dam als laatste Amsterdamse burgemeester de “driekante hoed met zwarte liggende pluimen”.

“Ben je gek!” zegt oud-burgemeester Schelto Patijn op de vraag of hij bij zijn aantreden nog heeft overwogen een ambtsgewaad te laten maken. “Zoiets past niet in deze tijd waarin men nauwelijks nog een stropdas draagt.” Patijn is de laatste Amsterdamse burgemeester geweest die een ambtsgewaad had mogen dragen. Met ingang van 1 december 1994, precies een half jaar na zijn benoeming, is het officiële kostuum voor burgemeesters bij koninklijk besluit afgeschaft. Patijn herinnert zich foto’s waarop de Amsterdamse burgemeester Arnold d’Ailly (in functie van 1946 tot 1957) zo’n pak draagt. “Het was een soort koloniaal geval. Ik stel me voor dat de bazen van Multatuli ook zoiets moeten hebben gedragen.”

Amsterdam kreeg als eerste gemeente in Nederland een burgemeesterskostuum. In een document van 16 april 1849 beschrijft de minister van Binnenlandse Zaken met zwierige letters hoe het nieuwe ambtskostuum eruit moest zien: “Zwarte lakensche gesloten rok met witte knoopen, waarop het Stadswapen; de kraag, de opslagen en de tasschen [kleppen] der zakken in het zilver geborduurd met eikentakken; zwarte broek met zilveren streep; staande degen met zilveren gevest, waarop Stadswapen; driekante hoed met zwarte liggende pluimen en een oranje cocarde.” De Amsterdamse burgemeester Pieter Huidekoper had om een officieel kostuum gevraagd waarmee hij voor de dag kon komen op de begrafenis van koning Willem II. De ministeriële toestemming kwam te laat voor die gelegenheid, maar bij de inhuldiging van koning Willem III droeg de Amsterdamse burgervader vol trots zijn begeerde ambtsgewaad.

Enkele jaren later – in 1853, een jaar na de landelijke invoering van de ambtsketen – werd voor de rest van de Nederlandse burgemeesters een ambtskostuum vastgesteld. Het zag er net zo uit als het hoofdstedelijke kostuum, maar met borduursels van drie in plaats van zes centimeter, terwijl de zakkleppen niet geborduurd mochten zijn. De burgemeesters van de andere grote steden stoorden zich echter niet aan dat voorschrift en droegen het rijkere Amsterdamse model.

Blauwe rok met rode sjerp

Al eerder waren er aanzetten geweest tot een burgemeestersgewaad. Tijdens de Franse bezetting heeft koning Lodewijk Napoleon vermoedelijk als eerste een bescheiden poging gedaan een facultatief ambtsgewaad voor gemeentebestuurders in te voeren. Het betrof een sober pak van zwart laken, zonder borduursels. Nadat zijn broer Napoleon Nederland bij Frankrijk had ingelijfd, werd in 1811 een ‘Kostuum der Maires’ (burgemeesters) ingevoerd. Een blauwe rok en broek, een rode sjerp en een “Fransche hoed, met eenen zilveren knoop en lis”. Op een schilderij van de intocht van keizer Napoleon in Amsterdam (van de hand van Mattheus van Bree) staat de Dam vol met civiele ambtsdragers in Frans ambtskostuum. Koning Willem I heeft deze kledingvoorschriften snel weer afgeschaft.

Het is onzeker of vóór de Franse tijd in ons land een burgemeesterskostuum heeft bestaan. Met kostuumconservator Bianca du Mortier maken we een virtuele wandeling door de portretgalerij van burgemeesters op de website van het Rijksmuseum. Het kledingbeeld is divers. De 16de-eeuwse burgemeester Cornelis Pietersz Hooft (vader van dichter P.C. Hooft) draagt bijvoorbeeld een tabbaard. Du Mortier vertelt dat zo’n met bont gevoerde toga wijsheid, kennis en macht uitdrukte. In de 17de en 18de eeuw tonen de portretten vooral mannen in dure kledij, volgens de heersende mode. Ook de in de 18de eeuw veelvuldig gedragen mantel met bef (ruime witte kraag die over de borst valt, vergelijk de dracht van advocaten nu) vormde geen standaardkostuum, maar was toen gangbare kleding voor de deftige burgerij. “Uit deze portretten is niet af te leiden dat in deze periode sprake is geweest van een gestandaardiseerd ambtskostuum,” concludeert Du Mortier voorzichtig.

Officieel kent Nederland nog steeds vele tientallen ambtsgewaden voor de meest uiteenlopende overheidsfuncties. Van Provinciale-Statenleden, via ingenieurs van waterstaat, belastinginspecteurs en wethouders, tot ministers. Op het burgemeesterskostuum na is geen van deze gewaden ooit formeel afgeschaft, al zijn ze wel in onbruik geraakt. Het ambtskostuum is een typisch 19de-eeuws fenomeen dat rond 1900 zijn hoogtepunt kende. Maar voor de Tweede Wereldoorlog stond koningin Wilhelmina er nog op dat ministers op Prinsjesdag hun officiële kostuum droegen. Minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns was in de jaren zestig de laatste trotse drager van het ministersambtsgewaad.

Klassieke tragedie

De portretgalerij van Amsterdamse burgemeesters op de website van het Gemeentearchief wekt niet de indruk dat alle 21 burgemeesters die aan het bewind waren toen het ambtsgewaad van kracht was, daar even dol op waren. Vanaf het begin in 1849 is de aanschaf van het kostuum een vrijwillige aangelegenheid geweest. Eigenlijk zijn alleen de burgemeesters Willem de Vlugt (1921-1941) en Arnold d’Ailly (1946-1957) veelvuldig vereeuwigd in hun ambtsgewaad. “In de bijna twee decennia van zijn burgemeesterschap werd Willem de Vlugt een zeer bekende figuur in de Amsterdamse straten. Nagenoeg iedereen kende de man met de witte kuif, de puntige snor en het baardje, die vooral bij officiële gelegenheden snel te onderscheiden was omdat hij dan in vol ornaat met steek, onderscheidingstekens en ambtsketen verscheen,” luidt de typering van De Vlugt in het boekje Bekende Amsterdammers van J.A. Groen.

Bij zijn installatie in 1946 bedankte PvdA-burgemeester D’Ailly de nazaten van zijn liberale en antirevolutionaire voorgangers Tellegen en De Vlugt, omdat zij hem de officiële attributen van het ambtsgewaad hadden geschonken. “Ik gevoel mij daardoor zeer verbonden aan de hooge opvattingen welke hen hebben bezield,” aldus D’Ailly in zijn rede. Het scheelde hem bovendien een bom geld. Want burgemeesters moesten deze hang naar zwier uit eigen zak betalen.

Het afscheid van het burgemeesterskostuum in Amsterdam bevat elementen van een klassieke tragedie. Op een foto in het Amsterdamse Gemeentearchief zien we Arnold d’Ailly in zijn burgemeesterskostuum op de Dam. Hij inspecteert de leden van de Koninklijke Studenten Schietvereniging Amsterdam, het paramilitaire onderdeel van het Amsterdams Studenten Corps. D’Ailly staat, volgens het onderschrift, tegenover zijn zoon Rutger. De foto is gedateerd op 15 oktober 1956, niet lang voor D’Ailly’s vertrek. In september had hij zijn aftreden per 1 januari 1957 aangekondigd. Hij zag zich daartoe gedwongen door het bekend worden van zijn buitenechtelijke relatie met de kunstenares Gisèle van Waterschoot van der Gracht. De foto laat een lachende D’Ailly zien. De zoon staat in het gelid en lacht flauwtjes mee. Je vraagt je af wat er door het hoofd van de gewapende jongen is gegaan, zo oog in oog met zijn overspelige vader die op het punt stond van zijn moeder te scheiden. Het is de laatste keer geweest dat een Amsterdamse burgemeester het ambtskostuum droeg.

Tekst: Fanta Voogd
Foto: Stadsarchief
November-December 2006

Delen:

Dossiers:
Politiek
Editie:
December November
Jaargang:
2006 58
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000

Gerelateerd

Baas boven baas
Baas boven baas
Verhaal 25 november 2006