In de schaduw van de macht

Het kabinet van de burgemeester

Een burgemeester van Amsterdam moet onmogelijk veel tegelijk doen. Hij moet eindeloos vergaderen en als voorzitter eigenlijk overal verstand van hebben. Hij moet duizenden handtekeningen zetten, honderden toespraken houden, en ook nog goed reageren op al die wanhopige burgers die denken dat alleen híj hun problemen op kan lossen. Gelukkig hoeft hij dat niet helemaal alleen te doen. Hij heeft een ‘persoonlijke staf’, die hem terzijde staat. Dat is het Kabinet van de Burgemeester.

Dat Kabinet bestaat volgend jaar 40 jaar, wat overigens betekent dat een lange reeks burgemeesters het zónder die steun heeft moeten doen. Maar intussen werd de stad steeds groter en de problematiek steeds ingewikkelder. Er gebeurde veel meer dan een burgemeester bij kon houden. Mede daardoor heeft bijvoorbeeld in de jaren zestig burgemeester Van Hall de problemen bij de politie onderschat, wat bijdroeg tot zijn val in 1966. Toen justitieminister Samkalden gevraagd werd hem in die hondenbaan op te volgen, stond die dan ook niet te trappelen. Dus stemde hij alleen toe op voorwaarde dat hij een eigen staf mocht vormen. Samkalden kende het kabinets-fenomeen uit Nederlands-Indië, waar hij bij het koloniale bewind zijn carrière als jurist begonnen was.

En zo ging het Kabinet van de Burgemeester op 1 november 1967 van start. De náám was overigens niet nieuw: vanaf 1812 tot ver in de 20ste eeuw had er al een stadhuisafdeling met dezelfde naam bestaan, maar die had een veel beperkter functie: het waren een paar Secretarie-ambtenaren, die zorgden voor de aan- en afvoer van door de burgemeester te tekenen stukken. Het Kabinet-nieuwe-stijl kreeg een veel bredere taak en samenstelling. De burgemeesterssecretaresse (onder Samkalden, Polak en Van Thijn was dat Corrie van Heteren; nu is het Judith Vos) maakte er deel van uit, net als de bode (nu al decennialang Jan Henningheim). Maar daarnaast waren er vier beleidsmedewerkers.

Het instellingsbesluit noemt als hoofdtaken, naast het secretariële werk: “het verzamelen van gegevens en het geven van adviezen” ten behoeve van de beslissingen en standpuntbepaling van de burgemeester. Waar het in de praktijk op neer komt, beschreef Ed van Thijn (burgemeester 1983-1994) in zijn boek BM: “Op basis van hun intensieve contacten met alle afdelingen van het stadhuis, brengen ze advies uit over alle agendapunten, in het bijzonder die waarbij problemen verwacht kunnen worden. Ten tweede handelen ze de talloze verzoeken, uitnodigingen en klachten van burgers en organisaties af. Niemand mag met een kluitje in het riet worden gestuurd. In de derde plaats fungeert het kabinet als schrijfatelier voor de speeches die ik aan de lopende band afsteek.”

En zo is het nog steeds, constateert mr. Maria Cuartas y de Marchena, sinds 2002 directeur van het Kabinet, als opvolgster van drs. Roeland Gilijamse. Daar werd zij (al sinds 1985 werkzaam op een andere stadhuisafdeling) in 1991 door Ed van Thijn binnengehaald, “omdat hij vond dat ik goed kon schrijven”. Destijds was drs. Lo Breemer directeur. “Van hem heb ik veel geleerd. Lo kon geweldig relativeren. Als ik gestresst was, omdat iemand ergens geweldige drukte over maakte, dan zei Lo: ‘Ach, denk maar dat Pietje gek is!’ En dan kon ik er weer tegen.”

Ook Breemer werkte al vele jaren bij het Kabinet vóór hij er in 1989 directeur werd; hij zat er zelfs allang toen in 1982 de vorige directeur aantrad: Philip van Tijn (broer van journalist Joop), destijds chef van de kunstredactie van Het Parool. Ondanks diens gebrek aan ambtelijke ervaring werd hij aangenomen vanwege zijn charme en slimheid, leert het selectiedossier. Zijn voorganger, mr. J.W. Heybroek, was al een tijd met ziekteverlof; waarnemend directeur jonkheer Lukas van Spengler, was “een heel chique meneer”. De hele sfeer was er nogal stijf en sloom, maar dat veranderde snel. Wim Polak (aan het eind van zijn tropenjaren wat moegestreden) was weliswaar volstrekt kapsonesloos, maar de kattebelletjes van zijn medewerkers hebben toch nog als aanhef “Burgemeester!”. Onder zijn jongere opvolger Van Thijn (van meet af aan “Ed”) werd sfeer steeds informeler en kwajongensachtiger. Hij was bovendien, zeggen zijn kabinetschefs, de meest ‘politieke’ burgemeester, met stellige doelen en opvattingen. “Maar we moesten met ons kleine clubje wel opboksen tegen een gigantisch ambtelijk apparaat,” aldus Philip van Tijn.

Vooral de jaarlijkse Algemene Beschouwingen in de gemeenteraad werden ‘topsport’ voor het Kabinet, want als oud-parlementariër stelde burgemeester Van Thijn er eer in om onmiddellijk te reageren op de speeches van de fractieleiders. Daarvoor moest hij wel meteen alle relevante informatie bij de hand hebben.
Steeds meer werd het Kabinet een informeel ‘klankbord’ voor de burgemeester. Al in Polaks tijd werden de ‘lunchvergaderingen’ ingevoerd, waar onder meer de weekagenda werd doorgenomen. Maar het laatste agendapunt was eigenlijk het belangrijkste. Dat heette (naar een populair VPRO-tv-programma) ‘Berichten uit de samenleving’. Kabinetleden en burgemeester vertelden elkaar wat ze gehoord en meegemaakt hadden, en bedachten wat ze daar beleidsmatig mee konden. Die ‘kabinetslunches’ bestaan nog steeds, vertelt Maria Cuartas, zij het nu niet meer twee maar slechts één keer per week, op maandag.

Het schrijven van speeches is inmiddels nóg belangrijker dan 20 jaar geleden. Na de geruchtmakende moord op Theo van Gogh kondigde Job Cohen aan nog vaker ‘de stad in te gaan’ en mede daardoor is zijn aantal toespraken nu opgelopen tot meer dan 200 per jaar. De kabinetsleden leveren daarvoor concepten. Intern geldt kabinetslid Geert-Jan ter Linden als de man met het gouden pennetje: hij schreef onder meer de veelgeprezen felicitatietoespraak bij het huwelijk van prins Willem-Alexander met zijn Máxima. Cuartas stort zich vooral op de grote, programmatische lezingen.

Het Kabinet is ook een soort postkantoor en ‘deurwacht’. De burgemeester krijgt duizenden uitnodigingen, felicitaties, bedankjes, maar ook scheldbrieven en noodkreten. Velen worden doorverwezen – en soms wordt de GGD gealarmeerd. Maar iedereen krijgt antwoord, en de burgemeester zelf ziet alles, bezweert Cuartas. Al gaat dat sinds Schelto Patijn iets anders dan vroeger. Zijn voorgangers bekeken nog iedere uitnodiging apart; Patijn kreeg liever een becommentarieerde lijst, en zo gaat het nu nog. Dat geldt ook voor verzoeken om een gesprek: die selectie is streng. Intuïtie speelt daarbij een rol. Zo is Philip van Tijn er nog altijd trots op dat hij passende aandacht gaf aan de meneer die ábsoluut de burgemeester wilde spreken, omdat hij de stad een museum wilde schenken. Het bleek dit keer geen gek, maar zakenman en kunstverzamelaar Chistiaan Braun, die met warme steun van Ed van Thijn in 1987 inderdaad op het Museumplein zijn Museum Overholland opende. “Dat de stad het daarna weer schandelijk verklooide, is een ander verhaal,” verzucht de oud-kabinetschef.

Tekst: Peter-Paul de Baar
Foto: Martin Alberts/Stadsarchief
November-December 2006

Delen:

Dossiers:
Politiek
Editie:
December November
Jaargang:
2006 58
Rubriek:
Verhaal

Gerelateerd

Wie was de beste burgemeester?
Wie was de beste burgemeester?
Verhaal 25 november 2006
Biografieën van de drie 'beste burgemeesters'
Biografieën van de drie 'beste burgemeesters'
Verhaal 25 november 2006
De ambtsketen van Amsterdam
De ambtsketen van Amsterdam
Verhaal 25 november 2006