'Ik snoof de geur op van de Korff-chocoladerepen

'Vort jullie, gaat naar huis, naar je moeder. Gaat daar maar de kommetjes volpissen!'

Graficus Jules Schelvis (1921-2016) behoorde tot de slechts achttien Nederlanders die levend vernietigingskamp Sobibor verlieten – hij overleefde bij elkaar zeven nazikampen. Na zijn pensioen maakte hij er grondige studie van (wat hem in 2008 een UvA-eredoctoraat opleverde) en vertelde die verhalen onvermoeibaar aan nieuwe generaties. In 2011 zette hij zijn jeugdherinneringen op papier. Dankzij tijdelijke opbloei in het diamantvak van zijn vader kon het gezin in 1924 verhuizen van het armoedige Rapenburg naar de Waverstraat in de nette Rivierenbuurt.

"Al in de eerste klas van de lagere school aan het Meerhuizenplein begon ik mij te interesseren voor wat er in de buurt gebeurde. Aan het begin van de Waverstraat lag de Amsteldijk, waar de in mijn ogen machtige Amstel langs stroomde. De kademuur was voor mij precies op de goede hoogte gemaakt, zodat ik daar zittend op de rand net niet met mijn voeten in het water kon komen. Ik zag daar puffende stoombootjes en pleziervaartuigen met een vaartje voorbijkomen, als wilden ze een wedstrijd doen wie het eerst bij de Ceintuurbaanbrug zou zijn.
Rechts om de hoek van de Waverstraat, aan de Amsteldijk, verhief zich op enige tientallen meters afstand een hoge watertoren die de omgeving domineerde. Ik dacht dat de toren vol water zat, maar mijn vader zei dat dit maar voor een deel het geval was.
Ik scheen in die tijd veel te grienen, al weet ik mij niet meer te herinneren waarom. Mijn moeder plaagde mij dan en zei: 'Je lijkt wel de directeur van de waterleiding.'
Honderd meter links vanaf de Waverstraat lag een aanlegsteigertje, waar vandaan een pontje heen-en-weer voer naar de overkant. Nadat ik genoeg had van het kijken naar voorbijvarende schepen en roeiers in hun ranke wherry's van de verenigingen Nereus, De Hoop en Laga, gooide ik als sport en tijdverdrijf platte steentjes langs het water, waarbij het de kunst was ze af en toe op het wateroppervlak te laten ketsen.
Bij daglicht kon je vanaf de Amsteldijk duidelijk de fabrieken aan de Omval onderscheiden. Rookpluimen stegen uit grote schoorstenen op. Mijn vriendjes en ik wilden er wel eens een kijkje nemen. De Omval en Schollenbrug waren hemelsbreed dichtbij, maar steeds van ons gescheiden door het brede water; de Berlagebrug moest nog gebouwd worden. Als je er niet per se moest zijn kwam je er niet, zo verlaten scheen het er van verre bij te liggen. Het moest wel een wereldje op zichzelf zijn.
Op een woensdagmiddag besloten we het avontuur aan te gaan. Van mijn karige zakgeld had ik twee centen gespaard om met het pontje heen en weer te varen. Aan de overkant gekomen liepen we langs Schollenbrug, een café met uitspanning.
We liepen verder naar de fabrieksterreinen. Als kinderen die wat op hun geweten hadden en bang waren dat we ons op verboden terrein begaven, liepen we over de modderige weggetjes. Ik snoof al de geur op van de Korff-chocoladerepen en de cacaogeur van de Blooker-fabrieken. Vanuit de verte zag ik op de gevel in grote letters 'Half elf Blookertijd' staan. De fabrieken stonden er zo op het eerste gezicht ongeordend bij, als waren ze er zonder vooropgezet plan neergezet. Juist door het ontbreken van enige structuur was het daar zo avontuurlijk. Weggetjes, spoorrails en sloten maakten het daar spannend.
Je had er de Erdalfabriek, waar voornamelijk schoensmeer werd gemaakt, de fabriek van Maschmeijer, die grondstoffen voor parfums en toiletzeep produceerde, een stofzuigerfabriek, Bertels Oliefabrieken en talloze andere kleine bedrijfjes.
Toen we te dicht in de buurt van de oliefabriek kwamen stoof een portier, die geen kindervriend was, op mij af en baste wat we hier te zoeken hadden. Ironisch vroeg hij: 'Moet je soms voor je moeder een halve liter olie halen?' Toen we antwoordden dat we alleen maar uit nieuwsgierigheid een kijkje wilden nemen snauwde hij: 'Vort jullie, gaat naar huis, naar je moeder. Gaat daar maar de kommetjes volpissen!' Daar hadden wij jongetjes niet van terug. Dit betekende het eind van onze verkenningstocht. We zijn er als kind nooit meet heengegaan."


UIT: JULES SCHELVIS, EEN JEUGD IN AMSTERDAM. HERINNERINGEN VAN EEN OVERLEVENDE VAN SOBIBOR, DE BATAAFSCHE LEEUW, AMSTERDAM, 2016 (EERSTE DRUK 2011).

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Juni
Jaargang:
2017 69
Rubriek:
Stemmen uit het verleden
Tijdperk:
1900-1950