I.L. Flesseman: textielverkopers

400 jaar Nieuwmarkt 17-25 in vogelvlucht

Flesseman is de naam van het woonzorgcentrum op de Nieuwmarkt. I.L. Flessemans Engros- en Confectiebedrijven ILFRA was de firma die het gebouw midden jaren twintig van de vorige eeuw liet neerzetten. Een heel rijtje oude huizen moest eraan geloven. De schilder Bartholomeus van der Helst had er nog gewoond.

Op een steenworp afstand van zijn geboortehuis opende textielhandelaar Isaac Levie Flesseman in 1890 een groot, nieuw winkelhuis in de Sint Antoniesbreestraat (nummer 3), midden in het centrum van de Joodse textielhandel. Hij was 52 en keerde terug uit Rotterdam, waar hij 23 jaar eerder een textielhandel was begonnen. Hij verkocht zijden stoffen, kant, vitrage, festons (geborduurde randversieringen), kousen, knopen en korsetten. Ook leverde Flesseman naalden, scharen, spelden, band, stoplinnen, drukknopen en dergelijke, enz.aan kleermakers en naaisters en had hij een breimachine voor truitjes, boorden, sokken enz.

In 1893 sloot hij met zijn oudste zoons Louis (1868-1896) en Jacob (1869-1934) een handelsvennootschap onder de naam ‘I.L. Flesseman’: “ten doel hebbende het in het groot en in het klein verkoopen van sajetten, knoopen, garens, passementerieën, galanterieën en wat verder daartoe behoort”. Na het overlijden van vader Isaac in 1905 zetten zij het bedrijf voort, waar inmiddels ook zijn zonen Samuel (1878-1938) en Benjamin (1881-1953) werkten. Het bedrijf spon letterlijk en figuurlijk garen bij Nederlands neutraliteit in de Eerste Wereldoorlog en leverde kleding en textiel aan zowel Belgische, Russische als Britse hulpcomités. Vanaf 1924 was de officiële naam ILFRA Flesseman, naar de beginletters van ‘Isaac Levie Flesseman Rotterdam Amsterdam’.

De gebroeders Flesseman wilden uitbreiden en kochten een voor een de panden aan de Nieuwmarkt op. Zij presenteerden hun plannen in 1925, waarvoor vier huizen moesten wijken. Alleen broodbakker Gerard Pijl op de hoek (Nieuwmarkt 25, uit 1724) liet zich niet uitkopen. Met een goede reden: hij had zijn bakkerij in 1907 net helemaal laten moderniseren. 

 

Moeke

De slooppanden vormden een schilderachtig rijtje. Alle vier dateerden uit de 17de eeuw, twee waren in 1618 gebouwd door stadsbouwmeester Hendrick de Keyser, in opdracht van het stadsbestuur. De een (nummer 19) had een gevelsteen met Sint Andreas, de ander (21) met Sint Jacobus. Op 17 zat het biljartcafé De Vriendschap van Tinus Pooters (Ons Amsterdam, oktober 2019). 

Een van de eerste bewoners van nummer 19 was de portretschilder Bartholomeus van der Helst (ca. 1613-1670). Hij huurde het huis in 1636, toen hij met Anna du Pire trouwde, vermoedelijk hetzelfde jaar dat hij vanuit Haarlem naar Amsterdam verhuisde en hier in de leer ging bij Nicolaes Eliasz Pickenoy, die iets verderop bij de Sint Antoniesluis woonde. In 1719 stond het huis bekend als De Drie Oude Kemphaantjes en zo heette het in 1785 nog toen de weduwe Ryksen en Hendrik Steenbergen reclame maakten voor hun koekkramen op de Nieuwmarkt, “regt over de Kemphaantjes”. 

Later zaten er een tapperij en nog “een Koffiehuishoudersaffaire, genaamd de Eendracht”. In 1890 opende kruidenier Carl Friedrich Nolte er zijn Handel in Koloniale Waren – een keurige zaak, totdat Johan Kommers in 1898 het onderhuis huurde en een schaftkelder annex kroeg begon, die binnen korte tijd een verzamelplaats van schimmige figuren werd. Kommers’ vrouw, Dienie Elzinga, kreeg de bijnaam Moeke en het café stond weldra bekend als ‘de Kuil van Moeke’. 

Moeke zou jonge criminelen aanzetten tot inbraken en overvallen, zelf ontkende ze elke betrokkenheid. Maar eind 1901 kon ze er niet meer onderuit. Drie trouwe bezoekers van de Kuil van Moeke – Jantje van Leeuwarden, Heintje Lawaai en ene Arie – hadden uit een schip in het Noordhollandsch Kanaal bij Purmerend “kleinoodiën” gestolen, terwijl de schipper naar de kermis was. De drie ontkenden, maar ook Moeke werd verhoord en gaf toe dat ze van een van hen uit de buit “een meerschuimen sigarenpijpje” had gekocht. 

 

Nieuwbouw

Het andere pand van Hendrick de Keyser werd halverwege de 18de eeuw bewoond door de rijke porseleinhandelaar Cornelis Kleerbesem (1688-1767). Hij handelde in allerhande exotische waar: “speksteenen, vogels, gediertens, groepen en ornamenten, Japanse en Chineese lakwerken en verder Oost-Indische kostbaarheeden en rarityten”. Hij was getrouwd met de zus van Daniel Raap, een porseleinverkoper die zich in 1747-1748 opwierp als leider van de Doelisten uit verzet tegen de stadsregenten. Kleerbesem deed mee en verspreidde heimelijk pamfletten en vlugschriften. Martha Raap overleefde hem tien jaar en liet een vermogen na in geld en huizen. In de 19de eeuw volgde een lange serie huurders en eigenaren: van een “van ouds Amsterdamsche Meubel-Magazijn” tot een melkslijterij.

Op 18 februari 1925 deed het Algemeen Handelsblad een oproep om de twee Hendrik de Keyser-panden te sparen, maar vergeefs. Flesseman trok twee architecten aan: Daan Roodenburgh (de latere ontwerper van het Ajax-stadion De Meer) en Hendrik Th. Wijdeveld (betrokken bij Plan West). Roodenburgh ontwierp de constructie, Wijdeveld de bakstenen gevel. De opening was op zondag 13 januari 1927, de dag dat het bedrijf zijn zestigjarig bestaan vierde. Het pand bleek een maatje te groot: vanaf 1936 werd er ruimte verhuurd, onder meer aan de Dienst der Publieke Werken.

Na het overlijden van Samuel Flesseman in 1938 namen zijn zoons Frits (1909-1993) en Dick (1906-1969) het stokje over. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog brachten zij de aandelen van ILFRA onder bij de Rotterdamse bank R. Mees & Zoonen. Op 10 mei 1940 werd het moederbedrijf van Flesseman op de Gedempte Botersloot in Rotterdam tijdens het bombardement verwoest. Toen het bedrijf in Amsterdam te maken kreeg met een Verwalter, een door de bezetter aangestelde bewindvoerder, was dat het sein om er vandoor te gaan. Frits Flesseman vluchtte in 1942 met zijn gezin naar het Zwitserse Balsthal, Dick dook onder in Friesland.

 

Overbodig

Na de oorlog begon Frits Flesseman op de Nieuwmarkt aan de heropbouw van ILFRA. Het zwaartepunt kwam in Amsterdam te liggen, in het gebouw aan de Nieuwmarkt. In 1961 verhuisde het bedrijf naar de Nobelweg. De confectiewereld veranderde: met de opkomst van grootwinkelbedrijven raakte de groothandel overbodig. ILFRA legde het loodje. Na Rotterdam (1969) sloot ook Amsterdam in 1986 definitief de deuren. 

De Flesseman was na het vertrek in 1961 aangekocht door de gemeente. Bij de kaalslag in de Nieuwmarktbuurt voor de metroaanleg bleef het gebouw gespaard. Krakers bezetten het pand totdat zeker was dat sloop van tafel was. In 1986 was de verbouwing tot bejaarden- annex verzorgingshuis voltooid. Begin 21ste eeuw verdween de bakstenen gevel onder een dikke laag “thermisch pleisterwerk”. 

Anno 2019 is Gebouw Flesseman een ‘woonzorgcentrum’ voor ouderen van zorginstelling Amsta. De zelfstandigheid staat voorop. Elke bewoner heeft een zelfstandige woning met een eigen huisnummer en eigen brievenbus. Er zijn een kapsalon, wasserette en logeerruimte. Bewoners én buurtbewoners kunnen in het restaurant tegen een kleine vergoeding eten. Het gaat er bij de Flesseman duidelijk anders aan toe dan gebruikelijk in ouderenhuizen – en zo hoort het ook in een eigenwijze wijk als de Nieuwmarkt.

SIMON VAN BLOKLAND EN FRANS DUIVIS ZIJN DE AUTEURS VAN HET BETHANIËNBLOK IN AMSTERDAM. ONDER DE SLUIER VAN HET VERLEDEN VANDAAN, WALBURG PERS, 2016.

 

Novembernummer 2019

 

Kader:

DERTIEN KINDEREN

Dertien kinderen kregen Isaac Levie en Roza Flesseman-Houtkruijer. Allemaal werden ze in Rotterdam geboren. Zeven overleden nog vóór de Tweede Wereldoorlog: Louis, Jacob, Sera, Emanuel, Samuel en Eleazar. Vier kinderen werden in concentratiekampen vermoord: Simon op 14 december 1942 in het Franse Camp de Gurs, Elisabeth op 5 maart 1943 in Sobibor, Eleazar in Auschwitz op 17 februari 1943 en Marianna op 25 oktober 1944 in Auschwitz. Alleen Alina (1873-1952) en Benjamin (1881-1953) overleefden de oorlog.

 

Beeld: De trotse nieuwbouw in 1927 met breeduit op de gevel: N.V. I.L. Flesseman. Collectie Stadsarchief Amsterdam

Delen: