Hortus Botanicus

Een herbarium voor de hortus van Amsterdam

Ze spatten van de pagina’s: de planten uit de 17de- en 18de-eeuwse Amsterdamse hortus botanicus in het nieuwe boek De ontdekking van de natuur. De aquarellen komen uit de Moninckx-atlas die destijds werd samengesteld om de plantensoorten vast te leggen.

Net buiten de toenmalige stadswallen werd in 1638 in de Reguliershof de eerste hortus botanicus van Amsterdam ingericht, ter hoogte van waar nu de Keizersgracht en de Utrechtsestraat elkaar kruisen. De Hortus Medicus, zoals de tuin aanvankelijk heette, was van meet af aan een succes. Medici – in het bijzonder apothekers – haalden er planten als grondstof voor de medicijnen die zij maakten. Zeldzame, vaak uitheemse planten, maar ook geneeskrachtige inheemse. Beginnende apothekers vonden in de hortus hun lesmateriaal. Zij leerden er om de planten te herkennen en hun geneeskrachtige werking te kennen – en deden er het afsluitende examen. De tuin was openbaar toegankelijk.

De aanwas van nieuwe planten was zo groot geweest, schreef Johannes Snippendaal in de oudst overgeleverde catalogus (1646), dat die catalogus heel snel volgde op de vorige (waarvan geen exemplaar meer bekend is). En al gauw zou er weer een volgende komen: “want nauwelijks was de lijst, die een volle achthonderd soorten telde, ter perse gegaan, of enkele nieuwe plantjes schoten alweer uit de grond” (blijkbaar schreef hij het voorwoord nadat de catalogus ter perse was gegaan). De tuin zou maar liefst twaalfhonderd soorten gaan tellen, verwachtte hij. “Met Gods hulp”, dat wel.

In 1665 verhuisde de hortus naar het Binnengasthuisterrein, vlak achter het huidige Allard Pierson, waar de tuin uitsluitend nog ten dienste stond van het medisch onderwijs. De stad stak er nauwelijks geld in, maar daar kwam in 1682 verandering in toen het besluit viel om de tuin andermaal te verplaatsen en ook weer open te stellen voor publiek. De uitbreiding van de stad – die de eerste hortus van de Reguliershof had verdreven – creëerde een lege plek in de Plantage, die uitstekend kon dienen als locatie voor de nieuwe hortus botanicus. Het is de plaats waar de plantentuin nog steeds zit – dit deel van Amsterdam bleef groen.

Kas

De inrichting van de eerste en de tweede hortus was op aansporing van de medische stand gebeurd. Deze nieuwe hortus was een initiatief van de stedelijke regering, op voorspraak van burgemeester Joan Huydecoper van Maarsseveen (een tuinliefhebber) en raadslid Jan Commelin, koopman in kruiden en drogerijen, die aan apothekers geneesmiddelen leverde. Commelin was een groot kenner van de botanie. Beiden hadden een enorm netwerk. De exotische planten kwamen vooral binnen via Huydecoper: hij beschikte over goede contacten bij de VOC, de WIC en belangrijke particuliere verzamelaars.

De nieuwe hortus moet al vrij snel een kas hebben gekregen. Al sinds Europese veroveraars op andere continenten voet aan land hadden gezet, probeerden ze planten mee terug te nemen (vaak als bollen of zaden) en thuis op te kweken. Dat lukte slechts mondjesmaat. Het gematigde, soms barre West-Europese klimaat liet niet altijd toe dat exotische planten tot wasdom konden komen. De uitvinding van de tropische kas rond 1683 was dus een grote stap voorwaarts. Wie de uitvinder was, is niet helemaal zeker. Mogelijk was het de Duitse botanicus Paul Hermann, die toen aan de Leidse universiteit doceerde en eerder zeven jaar op Ceylon werkte.

Huydecoper en Commelin gaven in 1686 opdracht tot de Afteekeningen van verscheyde vreemde gewassen, in de Medicyn-Hoff der Stadt Amsteldam. Een meerdelig werk dat uitgroeide tot een reeks van negen banden in groot folio met 425 aquarellen op perkament van planten die tussen 1687 en 1760 in de Amsterdamse hortus botanicus groeiden. De Afteekeningen staan bekend als de Moninckx-atlas, naar de kunstschilders Jan en Maria Moninckx, die de meeste afbeeldingen maakten.

Het vastleggen van plantensoorten gebeurde dikwijls door het aanleggen van een herbarium: planten werden tijdens hun bloei afgeknipt, gedroogd en opgeplakt op vellen papier om in een album te bewaren. Het schilderen van planten op perkament was een alternatief om de aanwezige soorten vast te leggen. Naast de vele herbaria zijn er dan ook verschillende van zulke albums met geschilderde planten bekend. De Moninckx-atlas is een van de omvangrijkste verzamelingen.

Buitenbeentje

De aquarellen in de Moninckx-atlas hadden nog een ander belangrijk doel: ze dienden als voorbeeld voor de etsen die met de beschrijvingen van Caspar Commelin – hij werd in 1696 de botanicus van de Hortus – vanaf 1697 in druk verschenen. Caspar was een neef van Jan Commelin en de zoon van Caspar sr., drukker, uitgever en auteur van de Beschryvinge van Amsterdam. Hij was in 1694 in Leiden gepromoveerd als medicus en werd in 1706 naast Frederik Ruysch hoogleraar in de botanie aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre. Net als zijn oom Jan werkte hij aan het beschrijven en afbeelden van de exotische planten in de hortus.

Over Jan en Maria Moninckx is weinig bekend; zelfs hun onderlinge relatie is onduidelijk. Vermoedelijk behoorden ze tot de Haagse schildersfamilie Moninckx. Jan maakte 271 aquarellen, Maria Moninckx 101. Ook namen twee van de destijds beroemdste vrouwelijke natuurschilders, Alida Withoos en Johanna Helena Herolt (de dochter van entomologe en planten- en dierenschilderes Maria Sibylla Merian), enkele afbeeldingen voor hun rekening. Withoos dertien en Herolt twee.

De banden van de Moninckx-atlas zijn op verschillende momenten samengesteld. De delen een en twee vóór 1692, drie en vier in 1701, vijf en zes na 1755, zeven na 1732 en acht weer na 1755. Het negende deel is een buitenbeentje. Er zijn slechts vijf afbeeldingen in opgenomen, geschilderd op papier, niet op perkament zoals in de andere banden. Dorothea Storm signeerde er een en Jan Matthias Cok vier. De overige bladen bleven blanco.

De Moninckx-atlas is een sprekende illustratie van de nauwe relatie tussen kunst en wetenschap die toen vanzelfsprekend was. Met de aquarellen als voorbeeld werden voor de West-Europese wereld nieuwe planten beschreven, geëtst en gedrukt, die zo hun weg vonden naar de wetenschap en een breed publiek. Het mag een wonder heten dat we de oorspronkelijke aquarellen nog hebben. Want vaak werden zulke verzamelingen ontmanteld en gingen de afbeeldingen per stuk van de hand – verloren voor kunst en wetenschap.

Januari/Februarinummer 2021

Delen:

Buurten:
Centrum Oost
Dossiers:
Kunst en Cultuur Natuur
Editie:
Februari Januari
Jaargang:
Tijdperk:
1700-1800
Rubriek:
Verhaal