Hoop voor kapiteins

De kapiteins zijn allang vertrokken, maar het spectaculaire pand op de Buitenkant dat hun Collegie Zeemanshoop betrok in 1828 staat er nog altijd. De collectieve verzekering bood steun in de bange dagen van hun riskante beroep.

In mei 1822 vergaderen achttien koopvaardijkapiteins in de Nieuwe Stadsherberg aan het IJ  om te komen tot de oprichting van een ‘omslagfonds’, een onderlinge verzekering. De zeevaart is in die tijd zó riskant, dat geen enkele gewone verzekering wil voorzien in een waarborg voor invaliditeit, pensioen of uitkeringen aan weduwen en wezen. Riskant is niet te veel gezegd: van de achttien oprichters zullen er vijf omkomen op zee. 

De nieuwe vereniging krijgt de naam Collegie Zeemanshoop. Samen beginnen de zeelieden een van de eerste sociale fondsen in Nederland, het Weldadig Zeemansfonds. Het is gebaseerd op bijdragen van de kapiteins (en later ook stuurlui en matrozen) en wordt ondersteund door ‘honoraire leden’, invloedrijke Amsterdamse burgers afkomstig uit de koophandel, de rederij en het assurantiewezen. Elke kapitein krijgt een eigen nummervlag, die hij bij speciale gelegenheden trots in de top van de fokkemast van zijn schip hijst.  

Zwaartepunt van het werk ligt bij het innen van de contributies, boetes en schenkingen, en de toekenning van uitkeringen uit het Zeemansfonds voor de verzorging ‘van de oude en gebrekkige zeelieden, derzelver weduwen en weezen’. Maar het Collegie betoont zich ook maatschappelijk zeer betrokken. De kapiteins nemen in hun statuten – ‘Wetten’ – een tweede doel op: ‘De bevordering van den bloei der Nederlandsche Zeevaart’.  

Het Collegie Zeemanshoop is meteen zeer actief. In 1825 komen de kapiteins met hun reddingssloepen, Zeemanshoop-vlaggen in de mast, in actie na de overstromingsramp in Waterland van donderdag 4 februari. Honderden mensen worden van daken en schuren gered. Een collecte in de stad op 15 februari brengt meer dan 200.000 gulden op. Als waardering voor hun inzet ontvangen de kapiteins van koning Willem I elk een grote zilveren medaille en bijbehorend getuigschrift.  

In 1831 nemen de leden van Zeemanshoop ook het initiatief voor een inzamelingsactie voor de nabestaanden van Jan van Speijk, die zichzelf en zijn schip in de haven van Antwerpen heeft opgeblazen, en de oprichting van een monument in Egmond aan Zee. 

Sociëteit 
De eerste zeven jaar van zijn bestaan houdt Zeemanshoop de wekelijkse ledenvergaderingen in een ‘locaal’ in de Nieuwe Stadsherberg aan het IJ. De nieuwe vereniging bloeit; al spoedig is er gebrek aan ruimte. Een commissie krijgt de opdracht uit te kijken naar iets anders, liefst een ‘aan de IJkant gelegen localiteit’ waar ruimte is voor een eigen bibliotheek.  

In februari 1828 besluiten de leden na uitvoerige discussie tot de aankoop van een pand aan de Buitenkant tussen de Schippersstraat en de Kalkmarkt, nu Prins Hendrikkade 142. De historie van het pand gaat terug naar 1646. In 1711 werd het gehuurd door de koopman in tabak Jan Agges Scholten, heer van Aschat, om er zijn bedrijf te vestigen. Hij kocht in 1730 ook het buurpand en liet de twee verbouwen tot één herenhuis met de naam Scholtenburg.  

Nu moet een grote verbouwing het geschikt maken voor de activiteiten van Zeemanshoop. Architect Tieleman Suys ontwerpt op de eerste verdieping een grote sociëteitszaal met een verhoogd plafond en een balkon, vanwaar de kapiteins en de honoraire leden een prachtig uitzicht hebben over de haven, het IJ en in de verte Waterland. De hoge vooruitstekende daklijst en witgepleisterde gevel maken het gebouw op grote afstand herkenbaar. Het nieuwe pand wordt door de leden nog lang aangeduid als ‘het locaal’, een herinnering aan de oude vergaderplek in de Nieuwe Stadsherberg.  

Het grote gebouw heeft op de begane grond kamers voor het bestuur, de penningmeesters en het bureau van het Weldadig Zeemans Fonds, met de kas voor de ontvangsten en uitbetalingen. De grote vergaderzaal heeft ruimte voor driehonderd personen en is versierd met de bustes van zeehelden De Ruijter en Tromp. Daarachter ligt de zaal voor de sociëteit voor kapiteins en andere leden. Bijzonder is een wijzerbord dat door een verbinding met de windvaan op het dak de windrichting aangeeft. Op de tweede verdieping bevinden zich kamers voor de administratie.  

Leesinrichting 
De kastelein geeft leiding aan het dagelijkse beheer over het gebouw, de inkoop, het verzorgen van lamplicht, de verwarming en klein onderhoud. Daarnaast moet het buffet soepel draaien voor de maaltijden en drank voor de ‘schoot aan’, de dagelijkse borrel voor het eten.  

Bij de ingebruikneming van het gebouw wordt een instructie opgesteld voor de kastelein, met afspraken over de kwaliteit en prijs van de wijnen, het kurkengeld, het schoonhouden van het gebouw, het recht op vrije woonruimte, vuur en lamplicht et cetera. Hij ontvangt een vast jaarbedrag waarmee het personeel moet worden betaald. De ‘knechten’ gaan gekleed in ‘grijze lakensche buis en pantalon’, en wel voor eigen rekening.  

Al vrij snel wordt in april 1830 door het bestuur 400 gulden gereserveerd voor een bezoek van Prins Frederik, de tweede zoon van koning Willem I. College-President Doeff verzoekt de heren ‘bij de tegenwoordigheid van de Prins met rooken te staken’. Het bezoek wordt een groot succes; naderhand meldt Doeff dat Frederik met belangstelling niet alleen het hele gebouw heeft gezien, maar ook ‘de gehele inrigting, het doel van het college heeft vernomen en door het bestuur van tijd tot tijd attent [is] gemaakt op enige onderwerpen van belang voor de zeevaart, die zonder vrucht zijn gebleven. Hetgeen zijne Hoogheid minzaam heeft aangehoord en daarna onderzoek heeft toegezegd’. 

De behoefte van kapiteins aan informatie over alles wat betrekking heeft op de zeevaart, is groot. Veranderingen in routes, zeekaarten, en nationale en internationale overheidsvoorschriften zijn bij iedere thuiskomst onderwerp van aandacht voor elke alerte kapitein. In de sociëteit hangen die dan ook aan de muur.   

Hier bevinden zich ook de kasten voor zeekaarten, de bibliotheek, een tafel voor kranten en tijdschriften, een biljart en kaarttafels. In april 1852 wordt die bibliotheek geformaliseerd tot een ‘Zeevaartkundige leesinrigting’, die onder het beheer komt van de Wetenschappelijke Commissie van Zeemanshoop. De Almanak van 1859 meldt: ‘dat ook deze Inrigting zal medewerken tot bevordering van het schoone doel, dat door ons Collegie wordt beoogd’. 

Dat ‘schoone doel’, de ‘Bevordering van den bloei der Nederlandsche Zeevaart’ uit zich in aandacht voor veiligheid op zee met vuurschepen en vuurtorens, de totstandkoming van opleidingen voor matrozen, stuurlieden en machinisten, en de bouw van een Zeemanshuis, om zeelui tussen twee reizen uit de handen van louche logementhouders te houden.  

De wetenschappelijke commissie houdt zich bezig met de invoering van wind- en stroomjournalen voor de verbetering van zeilroutes, de verbetering van meteorologische kennis, een wedstrijd in het nauwkeurig bijhouden van kompasjournalen, enzovoort.  

Stoomvaart  
Vanaf het eind van de jaren vijftig neemt het bezoek van de honoraire (niet-zeevarende) leden aan de sociëteit af. De Buitenkant ligt een beetje uit de route; het bestuur zoekt daarom naar een andere locatie, dichter in de buurt van de Beurs waar veel van die honoraire leden hun zaken doen. De zoektocht leidt in 1862 tot de huur van een gebouw aan de Dam.  

Het vertrek uit de haven doet de oudere kapiteins ongetwijfeld pijn; het gebouw aan de Buitenkant had in 1854 nog een opknapbeurt ondergaan, en op de voorgevel prijkte de naam Zeemanshoop in volle glorie. Maar de leden stemmen met 35 vóór en 1 tegen voor de verkoop van de Buitenkant en het huren van Grand Café Restaurant Mulder, Dam 10, als het nieuwe sociëteitsgebouw. De verhuizing heeft een gunstig effect; het ledental bedraagt in 1872 bij het 75-jarig jubileum meer dan 2000. 

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Abonneer je Arrow right Geef cadeau Arrow right

De groei van de stoomvaart eind 19de eeuw leidt echter tot een kentering. Steeds minder kapiteins worden lid, de rederijen zorgen voor eigen sociale voorzieningen, waardoor het Weldadig Zeemans Fonds overbodig wordt, en het verbindingsmiddel van de sociëteit als plaats van samenkomst voor kapiteins tussen twee reizen verliest zijn functie. Na ruim honderd jaar komt er een einde aan het Weldadig Zeemansfonds. Het ledental daalt naar een dieptepunt. Het woord liquidatie valt.  

Spiritueel centrum Kosmos 
Zeemanshoop hervindt zich echter op een nieuw onderkomen aan de Herengracht, en geeft zijn doelstelling nieuwe invalshoeken, met een bibliotheek, studiebeurzen, lezingen, liefdegiften en steun aan instellingen. Het Collegie – inmiddels Koninklijk College Zeemanshoop – bestaat nog altijd, en is gevestigd aan de Munt; volgend jaar wordt het tweehonderdjarig bestaan gevierd. 

In grote pand aan de Buitenkant komt na het vertrek van Zeemanshoop een school. In 1968 wordt het een cultureel centrum, Fantasio, en daarna spiritueel centrum Kosmos. Nog later wordt het Nationaal Pop Instituut er gevestigd, gevolgd door kunstcentrum De Appel.  

De betimmeringen en de schouw van een 18de-eeuwse stijlkamer uit het huis van Jan Agges Scholten, die in 1899 waren verhuisd naar het Stedelijk Museum, zijn in 2009 weer aangebracht in het pand. Het gebouw aan de Prins Hendrikkade wordt nu onder de naam ‘Amsterdamse School’ gebruikt als scholingslocatie voor gemeenteambtenaren.  

Beeld: 'Aan het Oosterdok, omstreeks 1850.' De Buitenkant, met het gebouw Zeemanshoop, later Prins Hendrikkade 142 gezien in westelijke richting met rechts het Oosterdok. Stadsarchief Amsterdam/Willem Hekking jr.

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Economie
Editie:
December
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900

Gerelateerd

Paul van Vlissingen en zoon. Ondernemers in stoom
Paul van Vlissingen en zoon. Ondernemers in stoom
Verhaal 1 december 2021