Hoe hoger, hoe mooier

Houten ladder of hoogwerker?

Glazenwassers mogen om veiligheidsredenen straks met de ladder niet hoger lappen dan driehoog. Voor al het schoonmaakwerk dat daarbovenuit komt, zullen ze dan moeten uitrukken met een hoogwerker. De Amsterdamsche Glazenwasscherij introduceerde de eerste hoogwerker, voortgetrokken door paarden, al meer dan een eeuw geleden.

Amsterdam had meer dan een eeuw geleden de primeur van de eerste Nederlandse ‘hoogwerker’: een ladderwagen met waterspuit die door paarden werd voortgetrokken. De introductie van dit Reinigingstoestel was een nieuw bewijs van modern ondernemerschap van A.G. Heineken, directeur van de Amsterdamsche Glazenwasscherij. Hij haalde de uit licht doch taai hout gemaakte ladders uit Neurenberg, de spuit kwam uit Leipzig en de waterwagen met perspomp was in Berlijn gekocht. Met het reinigingstoestel konden de raamwassers in hun witte oliepakken alleen voorgevels schoonmaken, maar er werd gewerkt aan toestellen voor achterpuien.

Al in maart 1878 liep de voormalige effectenmakelaar A.G. Heineken (een neef van G.A. Heineken, oprichter van de brouwerij) rond met het idee om de Amsterdamsche Glazenwasscherij te beginnen. Hij had een man in dienst genomen om de ramen van zijn kantoor aan het Damrak schoon te houden en het duurde niet lang of de buren wilden ook gebruik maken van deze raamwasser. Kort daarna had Heineken al schoonmaakcontracten afgesloten met bijna alle kantoren op het Damrak. Dat was het begin van glazenwassen als nieuwe industrietak. In maart 1878 schreef Heineken aan zijn relaties en aan verschillende ‘woningcorporatiën’ dat hij een maatschappij voor glas- en puireiniging wilde oprichten en op 15 mei 1878 was de zaak rond. In Van der Helststraat 1 ging het kantoor open van de Amsterdamsche Glazenwasscherij en Puibewassching.

Reinigingsabonnement

Heineken heeft het vanaf het begin professioneel aangepakt. Hij opende kantoren in Den Haag, Hilversum, Utrecht en Baarn en had duidelijke richtlijnen voor de tarieven. Particulieren en bedrijven konden een abonnement nemen voor vijf jaar en betaalden dan één gulden per raam per jaar. Voor dat bedrag konden zij rekenen op zes reinigingsbeurten per jaar. Op verzoek konden ook “jalousiën, stores en luiken” voor 10 cent per stuk worden gewassen. En in één van de aanbiedingen werd ook een abonnement aangeboden voor het wassen of lappen van winkelramen tegen 30 cent per stuk. En: “Het breken der glazen wordt door de Maatschappij vergoed, zoo die niet verzekerd zijn.”

De onderneming, die zich vanaf september 1903 hofleverancier mocht noemen, had inmiddels een breed werkgebied. De firma had in 1909 niet minder dan 120 glazenwassers in dienst, die zo nodig ook de bel konden poetsen, de stoep konden schrobben en zelfs de kleden konden uitkloppen. Het bedrijf was speciaal ingericht voor het van binnen schoonmaken en witten van kerken, particuliere gebouwen, stallen, winkels en kantoren. Heineken leverde ook zonneschermen en rolluiken en verhuurde steigers en mechanische ladders. Al snel moest het bedrijf uitbreiden. In 1912 ontwierpen de architecten Van Rossum en Vuyk een nieuwe smederij met bergplaatsen voor Heineken’s Glazenwasscherij in Quellijnstraat 119-121.

Het schoonmaakbedrijf heeft na de Tweede Wereldoorlog nog korte tijd geprofiteerd van de stormachtige ontwikkeling in de branche. In 1982 ging het bedrijf failliet, maar de naam bleef als Heineken’s Rolluikenfabriek bestaan. Wie nu het telefoonnummer uit de gids draait, wordt doorgeschakeld naar de jonge ondernemer A.W. Geul in Katwijk, directeur van Allroll Products. Hij heeft de naam overgenomen van zijn vroegere werkgever I.A.G. Klein BV in Alphen aan de Rijn. “Zo kunnen we de oude klanten van de firma nog service bieden,” zegt Geul.

Stakingen en verduistering

Voordat Heineken het grootscheeps ging aanpakken, waren er misschien al mensen die het glazenwassen als beroep hadden, maar daarover is niets te achterhalen. Eeuwenlang hadden de bewoners of hun dienstmeisjes, uit het raam leunend, zelf hun ruiten gelapt. De behoefte aan professionele glazenwassers kwam waarschijnlijk voort uit het toenemend aantal grote kantoorgebouwen na 1870, die weer samenhing met de economische opbloei van Amsterdam.

Amsterdam heeft een groot aantal glazenwassersbedrijven gehad, waarvan sommige uitgroeiden tot landelijke ondernemingen, zoals Cemsto en Heineken. Bekende namen in Amsterdam waren Spiegel, De Gast, Losemann & Co, Van Raam & Zoon, Roskam, De Toekomst, Verbeek en Zanikken. Veel bedrijven hielden zich ook bezig met rolluiken, jaloezieën en zonneschermen. En in 1942, tijdens de Duitse bezetting, maakte glazenwasser R.A. Happel, Kerk­straat 251-253, reclame voor wéér een nieuwe nevenactiviteit: “Verduistering! Geachte mevrouw. Weet u het al, dat de Fa. R.A. Happel uw raam verduistert voor ƒ 0,65 per m2?”

Kenmerkend voor het vak was het verloop (veel ‘vrije jongens’ hielden het snel voor gezien) en het hoge ziekteverzuim (vaak door ongelukjes). Om zieke glazenwassers toch geld te kunnen uitbetalen, kwamen er al snel ziekenkassen en -fondsen. Voor het behartigen van de belangen van de beroepsgroep werd in 1911 de eerste glazenwassersvereniging opgericht, Nieuw Leven geheten. Regelmatig braken er echter wilde stakingen uit, buiten de bond om. De glazenwassers legden dan korte tijd het werk stil om betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen.

Ieder z’n eigen wijk

Glazenwasser Rens Braam (39) werkt in Amsterdam bij particulieren en bedrijven rond de Kruislaan en in Diemen. En hij blijft, als iedere rechtgeaarde glazenwasser, in zijn eigen wijk. Het is een vrij beroep; er wordt niets geregeld door de gemeenten. Hij zegt: “Er is een ongeschreven wet dat je niet in elkaars wijk zit. Een gentleman’s rule dat je daar niet doorheen fietst. Als je niet weet hoe het zit, kom je er gauw genoeg achter door te vragen: zit er een glazenwasser in uw wijk?”

Hij noemt zichzelf een echte kleine ondernemer. Zoals zijn vader, die melkman was in Diemen. Niet dat die gelukkig was. “Hij zei altijd tegen mijn broer en mij: ‘Als jullie hetzelfde gaan doen als ik, breek ik jullie beide benen.’”

Braam zit al 23 jaar in het vak. “Ik heb het in de praktijk geleerd, van mensen om me heen. Sinds 1997 is er een officiële opleiding voor glazenwassers. Daar krijg je nuttige tips: hoe je moet tillen, hoe je de ladder op moet stellen.” Op de man af gevraagd, vindt Braam de praktijk toch de beste opleiding. Het is een afmattend en risicovol vak, maar Braam heeft nog steeds veel plezier in zijn werk. “Het is mijn hobby. Vroeger ging ik weinig op vakantie, maar dat vond ik niet erg. Het mooie van dit vak is dat je de boel onder je handen ziet opknappen. Je komt voldaan weer thuis.”

Vijftien jaar geleden begon hij voor zich zelf. “Ik deed veel hoogbouw in de Bijlmermeer. Hoe hoger hoe mooier,” zegt Braam. “Het kan me niet hoog genoeg zijn, hoewel de souplesse bij mij nu wel iets minder is dan vroeger. Vierhoog mag binnenkort niet meer met ladders. Dan zullen we allemaal met hoogwerkers moeten werken. De grote jongens hebben die techniek al in huis, maar voor de kleintjes wordt het een probleem. Zo’n hoogwerker betekent toch een investering van minimaal een ton. En voor de Amsterdamse binnenstad is het niks.”

Sterke verhalen

Rens geeft de voorkeur aan een kleine ploeg: twee man in dienst en zijn vrouw Liesbeth, die samen met hem de administratie doet. Op regenachtige dagen is er minder werk. Dan zit hij vaker thuis te cijferen aan de lange eettafel en laat de jongens het werk doen.

Hij kent de typische verhalen uit het vak. Allemaal onzin, meent hij. “Bij mij gebeuren geen wilde dingen. Als ik zoiets hoor, zeg ik: dan zit ik zeker in de verkeerde wijk. Als je ramen lapt, zie je alleen glas. Het enige wat ik weleens tegenkom zijn oudere mensen, die je door een schuifraampje een reepje chocolade, een sinaasappel of een fooi willen geven.”

Rens Braam werkt met ladders en sporadisch met gehuurde hoogwerkers. “Ik heb er speciaal een zwaardere wagen voor gekocht, de grootste die je met rijbewijs B mag rijden. Die hoogwerkers gebruik ik voor mijn speciali­teit, de glasrenovatie. Dat kun je niet doen vanaf een ladder, want daar heb je twee handen voor nodig. We doen ook binnenwerk, het onderhoud van trapportalen. Herfst is ‘bijhouden’. Onderhoud is typisch werk voor de wintermaanden. Als de vorst op de ladder komt, moet je stoppen.”

Lapwaarde

“Het is een gevarenberoep,” zegt Braam. “Je gaat toch de lucht in. Er is altijd een risicofactor. Ik betaal mijn mensen gevarentoeslag: zo’n tien procent boven de schoonmaak-cao. Ik ben zelf nooit gevallen, behalve in het begin een keer, in een slagerij. Toen gleed mijn ladder uit over de vettige tegels. Ik stond gelukkig bij de deur, zodat ik met ladder en al naar buiten sloeg. Je hebt het ook op tuintegels, die met algen of mos begroeid zijn. Dat is tricky. Tegenwoordig werken we met antislip, ladderstop. Er zijn rubberen laddervoeten, rechthoekige of met een kogeltje erin. En wat tuinen betreft, mogen we de ladders niet meer in de aarde zetten. Huiseigenaren moeten zorgen voor vaste grond onder de ramen.”

Rens Braam houdt van houten ladders. Het verhaal gaat dat je die tenminste hoort kráken voor ze breken. Bij metalen ladders merk je niets voor het te laat is. “Ladders worden trouwens jaarlijks gekeurd. Dat is verplicht. Dan krijg je een certificaat met de zin: visueel goedgekeurd met als leidraad NEN 2484.”

Braam voorziet dat hoogwerkers het straatbeeld zullen gaan bepalen in de naaste toekomst. “Er zullen veel kleine bedrijfjes gedupeerd worden. Je merkt nu al dat steeds meer mensen in dit vak willen stoppen. Ze proberen hun wijk te verkopen: voor zoveel keer de lapwaarde bijvoorbeeld. Of anderhalf keer de jaaromzet. Veel glazenwassers blijven doorwerken tot ze een jaar of veertig zijn, maar er zijn nog heel wat oude rotten die tot 60 jaar doorwerken. Zonder kapitaal zal niemand het redden.”

Spinnenpoep, zuur en ijzer

Glazenwassers zijn beducht voor de najaarsmaanden, september, oktober en november. “Een erge spinnentijd. Overal zie je dan spinnenpoep. Als het houtwerk goed is onderhouden, kun je het gemakkelijk verwijderen, maar als de verf oud is, dringt het vuil in de poriën.”

In een stad als Amsterdam zijn ramen en kozijnen snel aange­tast door kalk en andere verontreiniging. Braam is behoorlijk milieubewust en foetert over de ‘snelbouw’ en het slordige voegwerk van deze tijd. “Er komen cementzuren vrij uit de voegen en die blijven als strepen op ramen en muren zitten. Dat gaat niet weg met een natte spons. Vooral de zuidwestkant van de huizen is daar heel gevoelig voor. Je ziet het trouwens niet alleen in de nieuwbouwwijken maar ook in de binnenstad. En in de buurt van trams en spoorlijnen zie je vaak rossige plekken op de vensterbanken. Dat is puur ijzerslijpsel van de rails. Uitlaatgassen laten vooral zwarte vlekken achter.”

Vroeger gebruikte Rens Braam een sterk werkend zuur tegen de aanslag. “Gemeen goed was dat. Hoe snel je dat ook toepaste, er kwamen toch vlammen in de ruit. Ik raak het niet meer aan. Een paar jaar geleden had ik iets gelezen over dieptereiniging van glas: eerst polijsten, dan een coating aanbrengen. Het is een methode die ontdekt is door een Canadees die de rechten heeft verkocht aan een Engelse firma. Het wordt met name op nieuw glas uit de fabriek toegepast. Die coating is een soort waslaag, een polymeer, die je met beleid moet opbrengen. Ik heb een licentie verworven voor vijf jaar. Ik heb het nu drie jaar, maar dat wordt wel doorgezet.

Zo’n specialisatie is belangrijk voor een klein bedrijf als het mijne. Ik wil landelijker gaan werken. En als dit lukt, wil ik in de toekomst verhuizen naar de bergen, of naar Limburg. Als het maar een plek is met mooie natuur, wolken en frisse lucht. Een plek waar ik me vrij kan voelen.”

Iedere glazenwasser een hoogwerker?

Het aantal glazenwassers dat zich voor x keer de lapwaarde laat uitkopen neemt toe, ook in Amsterdam. Nieuwe veiligheidseisen zullen het laddergebruik terugdringen en na 2013 mag geen enkele glazenwasser tot de vierde etage klimmen. Verboden zijn losse hangladders en het klassieke bootmansstoeltje. Eigenaren van gebouwen krijgen tot uiterlijk 1 januari 2013 de tijd om hun panden te voorzien van een permanent opgestelde dakwagen of andere vaste constructies, die het werken op grote hoogte veiliger moet maken. Hoogwerkers zullen in de toekomst het straatbeeld domineren en de stoepen blokkeren.

Koos Stuyvers: Geen zicht op de kwakkelaars

“Er zullen legio glazenwassers verdwijnen, maar ik ben er niet rouwig om. Er is een schimmige groep van kwakkelaars waar we geen zicht op hebben. Cowboys die ons imago verpesten.” Dat zegt Koos Stuyvers, voorzitter van de awog, de Algemene Werkgevers Organisatie Glazenwassersbedrijven. De club, die door glazenwassers wordt aangeduid als: ‘Alles Weten Over Glas’, werd vijf jaar geleden opgericht toen er nieuwe wetgeving kwam op het gebied van veiligheid. Om sterker te staan tegenover de overheid, is de awog is inmiddels gefuseerd met de OSB, de Ondernemersorganisatie Schoonmaak- & Bedrijfsdiensten. Stuyvers: “We hebben 3000 glazenwassers die onder onze paraplu vallen.”

De nieuwe wetgeving uit 1995 is door gesoebat van de belanghebbenden wel diverse keren versoepeld; vooral de termijn waarop alles in orde moet zijn is steeds verder opgerekt. Maar toch zullen de gevolgen ingrijpend zijn, niet alleen voor de glazenwassers, maar ook voor eigenaren van hoge gebouwen. “Aanpassingen op de daken gaan hen tonnen, zo niet miljoenen kosten. De vve’s (verenigingen van eigenaren), daar zit wat ons betreft de pijn. Die willen niets betalen en gaan naar de beunhazen. Mensen met deeltijdbaantjes, die in de ww lopen of in de wao. De cowboys van het vak, die maling hebben aan veiligheid. Die lopen, onverzekerd, met afgekeurde ladders en zijn een gevaar voor de maatschappij en voor zichzelf.”

Delen:

Editie:
December
Jaargang:
2000 52
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950 1950-2000