Hoe de Galerij verdween

Sierlijke aanbouw 'Volkspaleis' 50 jaar geleden gesloopt

"Hoe hebben ze dat ooit kunnen afbreken?" Je hoort het veel Amsterdammers kreunen als ze oude foto's zien van de Galerij van het Paleis voor Volksvlijt. Zelfs is er een stichting die ijvert voor de terugkeer van het 19de-eeuwse 'evenementengebouw' (afgebrand in 1929) op het Frederiksplein. Maar toen een halve eeuw geleden de deftige oude winkelgalerij werd gesloopt, was de fut er helemaal uit. En de bouw van De Nederlandsche Bank op die plaats was een symbool van de economische groei.

De Galerij maakte geen deel uit van het oorspronkelijke ontwerp van het Paleis voor Volksvlijt door bouwmeester Cornelis Outshoorn. Dat in 1864 geopende "sprookje van ijzer en glas" was een geesteskind van de onstuitbare arts, filantroop en 'projectontwikkelaar' Samuel Sarphati. Na een bezoek in 1851 aan het Crystal Palace in Londen, wilde hij ook in Amsterdam een tentoonstellingsgebouw openen waar de vruchten van handel, landbouw en industrie konden worden uitgestald. Hij koos voor het Frederiksplein, toen aan de rand van de stad. Ten noorden en ten zuiden van het Paleis had Sarphati zich een plantsoen en een parkje gedacht, met aan weerzijden van het 'park', tussen de Weteringschans en de Stadshouderskade, twee rijen 'Parijs-achtige' statige woonhuizen: het Oosteinde en Westeinde. In een winkelgalerij was zeker niet voorzien. Evenmin was afgesproken wie het plantsoen zou aanleggen. In 1870 besloot de gemeente op eigen kosten een tuin aan de voorzijde aan te leggen, naar ontwerp van J.D. Zocher.
Financieel was de onderneming van de Vereniging voor Volksvlijt geen succes. Behalve tentoonstellingen werden er concerten en theatervoorstellingen gegeven. Om de financiële problemen op te lossen, werd in 1881 een deel van de tuin verkocht. Waar Sarphati's plan in een park had voorzien, opende de Amsterdamsche Galerij-Maatschappij in 1883 de winkelgalerij. De ontwerper was A.L. van Gendt, ook verantwoordelijk voor de galerij in de Raadhuisstraat en voor het Concertgebouw.
De Galerij omsloot de tuin aan drie zijden. (Aan de vierde zijde stond het 'Volkspaleis', zoals het vaak kortweg genoemd werd.) Het complex bestond uit 50 winkels en vier hoekgebouwen die toegang gaven tot de achtergelegen overdekte wandelgang. De vijf meter brede gang werd door sierlijke gietijzeren hekken van de tuin gescheiden. Indrukwekkend moeten de rijkversierde plafonds en de "kostbare bewerkte mozaïekvloeren" zijn geweest. Elke winkel had een kelder, een entresol die als woning kon dienen en een grote zolder boven de galerij, voor opslag of als werkplaats.

Moeilijke eerste jaren
Volgens Het Nieuws van den Dag kwam de bouw van de Galerij het aanzien van het paleis ten goede. Als voorbeeld diende het voorname Palais-Royal in Parijs met de "keurig ingerichte winkels." Bij de feestelijke opening op 26 mei 1883 meldde de krant dat de "winkelgalerij op grootsche schaal" was gebouwd door "een consortium van particulieren." Een van hen was H.J. de Marez Oyens (1849-1911), telg uit een Amsterdamse bankiersfamilie en betrokken bij het Concertgebouw en andere culturele ondernemingen.
Twee van de eerste winkels, die het bovendien lang volhielden, waren de chocolaterie van W. Kuijk en Perry & Co voor leren tassen en koffers. Verder waren er cafés, sigarenwinkels, meubelmagazijnen, zaken in modeartikelen, marmeren schoorsteenmantels, aardewerk en een apotheek. Een vereniging van galerijwinkeliers organiseerde in mei 1908 bij het 25-jarig bestaan een groot feest. Er werd een etalagewedstrijd gehouden en de galerij was versierd. Bloemen ("smaakvol en toch eenvoudig"), illuminatie van "altijd zo mooie en verrassende vetpotjesverlichting" en fraaie etalages trokken een stroom van bezoekers. Ter gelegenheid van het jubileum liet de Galerij-Maatschappij elektrische verlichting aanbrengen.
Maar op doordeweekse dagen trok de galerij weinig bezoekers. Het Nieuws van den Dag: "Als het verkeer in de Galerij altijd zoo druk was als gisteravond, dan zouden de winkeliers geen klagen hebben." Volgens de krant was het de eerste jaren een echte worsteling om in het nieuwe deel van de stad "gevestigde zaken" te krijgen. Maar in latere was door de verdere groei van de stad "een vastere grondslag voor een goede clientèle verzekerd." De galerij trok 's zomers veel wandelaars en bezoekers van concerten in de tuin.
In de nacht van 17 op 18 april 1929 brandde het Paleis voor Volksvlijt in een paar uur finaal af. Heel Nederland was geschokt. De Galerij bleef gespaard, maar het verdwijnen van het Paleis deed haar geen goed. De klandizie van de bezoekers van voostellingen en evenementen – die dan meteen nog maar even een 'rondje Galerij' deden – viel weg. Van de bewoners van de belendende Pijp moesten de (dure) Galerijwinkels het niet hebben.

De winkels verdwijnen
Enkele winkels bleven over, maar ze floreerden niet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er wapens van het verzet en onderduikers verborgen. Na de bevrijding vestigde de gemeentelijke dienst voor Sociale Zaken zich in een groot deel van de panden. Ook sociale en culturele stichtingen, zoals kindercircus Elleboog en het Vacantiecomité vonden er onderdak. Tussen 1954 en 1960 werden in de etalages tentoonstellingen gehouden die een groot publiek trokken, zoals De zware strijd, De Jodenbuurt, gisteren, vandaag en... morgen, Europese affiches en Rondom Rembrandt. Op de bovenverdiepingen, vroeger vooral bewoond door winkeliersgezinnen, woonden nu armlastige kunstenaars en schrijvers. Het pas getrouwde paar Gerard van het Reve (aankomend romancier) en zijn vrouw Hanny Michaelis (dichteres) bewoonden bijvoorbeeld van 1949 tot 1957 de entresol van Galerij 14 en de zolders van 13 en 14, die in de oorlog waren doorgebroken. De benedenverdieping was verhuurd aan de World Friendship Association Nederland.
Na de verwoesting van het paleis werden van diverse zijden nieuwe plannen geopperd voor de plek. A.M. van de Waal (1890-1968), archivaris van De Nederlandsche Bank, Amsterdam-kenner, prentenverzamelaar en redactielid van Ons Amsterdam, schreef in 1968 in dit blad een artikel over de geschiedenis van alle plannen voor het Frederiksplein. Zelf had hij al in 1923 als aankomend hoofd Secretariaat aan de bankdirectie voorgesteld om van de Oude Turfmarkt naar het Frederiksplein te verhuizen. Maar de directie vond de kosten te hoog en de plek te ver uit de binnenstad. Plannen om het stadhuis op het plein te vestigen, waarvoor in 1937 een prijsvraag was uitgeschreven, werden in 1949 weer verlaten. Opnieuw suggereerde Van de Waal om de bank naar het plein te verhuizen. Ditmaal zag bankpresident M. Holtrop er wel wat in, maar de gemeente wilde er een operagebouw neerzetten en lag dwars. In 1958 bleek de gemeente bereid tot grondruil: de Oude Turfmarkt was voor de universiteit, het Frederiksplein voor De Nederlandsche Bank. Het modernistische ontwerp voor de bank van M. Duintjer werd in 1960 geaccepteerd en in 1961 zou de bouw beginnen – ten koste van de Galerij.
In augustus 1959 noemde Het Vrije Volk het plein "het meest mistroostige punt van de stad." Het Parool vond dat het plein vanaf de Stadshouderskade gezien "het uiterlijk van een Venetiaanse gevangenis" had. Anderen betreurden de afbraak, hoe onvermijdelijk ook. De sloop inspireerde Gerrit Kouwenaar tot de bundel Weg / Verdwenen (1961). Maar protestcomités werden niet gevormd. Sindsdien is de weemoed echter gegroeid – vooral omdat veel Amsterdammers het gebouw van De Nederlandsche Bank zo lelijk vinden. In 2002 richtte Wim T. Schippers een stichting op om het Paleis voor Volksvlijt en de Galerij terug te brengen. Maar tot veel meer dan een website lijkt dit initiatief nog niet gekomen te zijn....

Delen:

Jaargang:
2011 63

Gerelateerd

Radioweg, 22 december 1961
Radioweg, 22 december 1961
Hier gebeurde het 9 april 2013
Die brutale Joden
Die brutale Joden
28 november 2011
Bed: f. 100,- per maand
Bed: f. 100,- per maand
28 november 2011