Hobbezakjes op de Dam

Reformkleding omstreeks 1900

Dat eind jaren zestig jongeren rebelleerden tegen de ‘dictatuur van de mode’ en feministes hun bh verbrandden, dat staat velen nog wel bij. Minder bekend is dat een vergelijkbare stroming rond 1900 de gemoederen bezighield: de Reform-beweging. Toen was het korset het voornaamste doelwit. Maar net als rond 1970 ging het eigenlijk om veel meer: een verlangen naar een natuurlijker, ongekunstelder levenstijl en gelijkwaardigheid van iedereen.

Het waren de jaren waarin het socialisme opkwam, maar men ook in heel wat andere opzichten zich wilde verlossen van de knellende banden van de heersende dogma’s en conventies. Er werd, in wisselende coalities, geijverd voor vrouwenkiesrecht, de achturige werkdag, vegetarisme en geboortebeperking, en tegen de prostitutie, tuberculose, roken en kindersterfte. En in die sfeer werd ook de vrouwenkleding onderwerp van publiek debat.

De 19de-eeuwse mode met haar insnoerende korsetten maakte veel vrouwen ongeschikt voor een actief leven. Op de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 in Den Haag werd daarom propaganda gemaakt voor kleding voor werkende vrouwen, die zowel praktisch als hygiënisch was. Dit had veel reacties tot gevolg en zo werd in 1899 de Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleeding (de VvVvV) opgericht, die de verspreiding van de nieuwe kleedstijl met verve aanpakte.

De vereniging gaf het Maandblad der Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleeding uit en organiseerde lezingen en kleine tentoonstellingen. Tegenstanders van reformkleding lieten van zich horen in dag- en weekbladen, zodat er een levendige publieke discussie ontstond. Het ‘weekblad voor jonge dames’ De Hollandsche Lelie werd een spreekbuis van anti-reformgezind Nederland, waar met name de bekende Amsterdamse vrouwenarts Hector Treub (1856-1920) zich roerde, broer van de niet minder vermaarde liberale politicus Wim Treub.

Treub ergerde zich aan de vrouwenbeweging die zich naar zijn idee te veel met medische zaken bemoeide. Zijn mening had veel invloed, want rond 1900 was hij de meest vooraanstaande gynaecoloog was en vanaf 1896 leidde hij de moderne vrouwenkliniek in het Wilhelminagasthuis. Hij was nota bene overtuigd van de gelijke geschiktheid van man en vrouw om te studeren en was voor geboortebeperking (omdat te veel zwangerschappen de gezondheid van de vrouw zouden ondermijnen). Maar reformjaponnen vond hij “hobbezakken” en het korset zou helemaal niet slecht zijn.

Kleding mag niet knellen

De VvVvV wilde, zoals gezegd, het korset afschaffen en was ook gekant tegen jurken met een streep, behalve voor feestavondjes thuis. Maar kleding mocht bovendien niet zwaar zijn of knellen. Daarom moest bijvoorbeeld het ondergoed liefst van rekbare, maar in ieder geval van ademende (‘poreuze’) stoffen gemaakt zijn. De bustehouder werd geïntroduceerd (het korset steunde voordien de boezem), en jarretellegordels ter vervanging van de strakke kousenbanden.

Daarnaast had de VvVvV een aantal morele bezwaren tegen de mode: voor de vereniging waren bontjassen en opgezette vogels op hoeden taboe. En ondanks de voorkeur voor voetvrije rokken en blote halzen, werden diepe decolletés bij avondkleding juist weer om hun zinnenprikkelende werking afgekeurd.

Maar vooral protesteerde de vereniging tegen de dwangmatige jaarlijkse modeveranderingen, die ook toen al snel en tamelijk massaal nagevolgd konden worden omdat steeds meer kleding geconfectioneerd werd. De vereniging was niet tegen het dragen van mooie kleren, maar wel tegen het dwingende ritme van veranderingen. Ze pleitte voor een rustiger, evenwichtiger en zo mogelijk tijdlozer modebeeld, als onderdeel van een nieuwe esthetiek voor een nieuwe, vrijere mens.

De eerste modellen van reformjurken waren vrij wijd en geplooid, alsof men van de weeromstuit helemaal geen taille meer wilde laten zien: vandaar de naam ‘hobbezakken’. Al vrij snel werd de snit verbeterd door de japonnen van een zacht vloeiende taillering te voorzien, die het figuur ook zonder korset slank liet uitkomen. De dames uit de betere middenklasse, die het leeuwendeel van het ledenbestand van de VvVvV uitmaakten, wilden zich wel praktisch en gezond kleden, maar het oog wilde ook wat.

De oplossing voor een verbeterde vormgeving werd gezocht in een nieuw ‘waarheidsprincipe’: het lichaam moest in zijn ware gedaante – dus zonder korset - getoond worden en de constructie van de kleren diende duidelijk te zijn, zo nodig geaccentueerd met borduurwerk. Dit laatste was niet het gangbare borduurwerk volgens allerlei Lodewijk-stijlen, maar het nieuwe kunstnaaldwerk, waarbij geometrische figuren werden gebruikt.

In 1889 had de weefster Margaretha Verwey een handwerkzaak in Nieuwe Spiegelstraat 64 geopend, die ze in 1902 uitbreidde met nummer 66. Op de ruit stond: “Margaretha Verwey-Hollandsch Kunstnaaldwerk”. Verwey had zich verdiept in de nieuwe vormgeving en had lessen gevolgd bij kunstenaars als M. Lauweriks en K.P.C. de Bazel, die werkten met basisbegrippen als lijn, cirkel en vierkant. Die vormbeginselen waren terug te voeren op de theosofische principes van de ‘esthetische meetkunde’. Haar eigen borduurontwerpen en het werk van de kunstenaars dat ze verkocht (onder anderen Chris Lebeau, het echtpaar Dijsselhof-Keuchenius, Bertha Bake), hadden veel invloed op de wijze van versieren van de reformkleding.

Het maandblad van de VvVvV publiceerde maandelijks knippatronen zodat de kleding thuis vervaardigd kon worden, maar er kwamen in de loop van de tijd ook winkels waar men reformkleding kon kopen. Bij artistieke zaken als Van Wisselingh & Co. (Rokin 78), waar naast meubels en kunstvoorwerpen ook reformkinderkleren werden verkocht, en vooral Metz in de Leidsestraat, waar de gesmockte jurken van het Engelse warenhuis Liberty’s werden verkocht en de mooie zijden Libertystoffen die door hun lichtheid en fraaie kleuren bij uitstek geschikt waren voor de nieuwe kleding. Magazijn De Koning van Zweden (Keizersgracht 149) adverteerde met een eigen atelier voor reformkostuums en een apart atelier voor dames- en meisjesreformondergoed. Alles was per postorder verkrijgbaar.

Aangezien naaisters in die tijd onder slechte omstandigheden werkten, werden de VvVvV-leden opgeroepen om hun huisnaaisters goed te behandelen en om hun ondergoed te laten maken bij de Samenwerkende Linnennaaisters (Amstel 101), een coöperatie die in 1899 was opgezet door enige leden van de toen één jaar oude Algemeene Nederlandse Naaistersbond. Die bond hield hier ook een jaar lang kantoor. Oprichtster en bondsvoorzitster Roosje Vos genoot met haar medearbeidsters van een ruim atelier en een achturige werkdag, in plaats van het toen nog geldende maximum van elf uur per dag. De kleding die de dames uit de reformbeweging bestelden werd bovendien vooraf betaald.

Over verantwoord ondergoed gesproken: vermaard was tricotondergoed van Jansen & Tilanus, onder meer verkrijgbaar bij Abraham Meier op het Koningsplein. Dit was rekbaar; heel belangrijk in de nieuwe manier van comfortabel kleden. De Duitse dokter Jaeger had al in de jaren 1880 zijn wollen ondergoed aan de man gebracht met de filosofie dat alleen kleren die van dierlijke materialen waren gemaakt positief werkten op de geestelijke en lichamelijke conditie van de mens. In Duitsland en Engeland had hij veel aanhangers, maar in Nederland gaf men steeds meer de voorkeur aan katoenen tricot.

Slepend conflict

De VvVvV was een landelijke vereniging, maar verreweg de meeste leden woonden toch in het westen van het land. Maar binnen die regio heersten grote verschillen in stedelijke sferen. Dat bleek begin 1902, toen een conflict uitbarstte tussen de radicalen, van wie de meeste uit Amsterdam kwamen, en de gematigden, die vooral in Den Haag woonden.

De Amsterdammers dachten dat de reformbeweging de meeste kans van slagen had wanneer ze zich zou richten op de werkende vrouwen uit de middenklasse. Het gezondheidsaspect van de reformkleding en de praktische voordelen ervan waren voor hen wel heel belangrijk, maar ze zagen deze kleding vooral als een onderdeel om vrouwen vrij te maken van mode en conventies. De gematigden uit Den Haag vonden daarentegen dat verbeteringen uit moesten gaan van vrouwen die veel geld aan hun kleren konden besteden en die daardoor, zo redeneerden zij, druk konden uitoefenen op fabrikanten en winkeliers om mooie reformmodellen op de markt te brengen.

Deze tegenstelling leidde tot een scheuring. De directe aanleiding was het voorstel in het bestuur dat de VvVvV in principe overal en altijd tegen het dragen van een sleep aan kleding was. Slechts bij hoge uitzondering zouden nog modellen met sleep voor recepties of avondpartijen worden gepubliceerd in het maandblad, alle andere modellen zouden een voetvrije rok hebben. Enkele Haagse dames traden daarom uit het bestuur. Nog datzelfde jaar richtte hun aanvoerster mevrouw J. Bouman-de Lange het blad Schoonheid door Gezondheid op. Daarin stonden modellen voor de vrouw van de wereld. Het gezondheidsprincipe van de reformkleding had volgens Bouman niets te maken met standsverschil, sociale vraagstukken en ideeën van allerlei vooruitstrevende bewegingen.

Dat lag voor de Amsterdammers wel anders. Het was dan ook in Amsterdam dat de vereniging een eigen school oprichtte. In september 1909 werd met subsidie van het rijk de Vakschool voor Vrouwen- en Kinderkleeding geopend in Kerkstraat 127. Er waren te weinig plekken waar men het vak van reformkledingnaaister kon leren, want de reguliere opleidingen werkten met patronen voor kleding die over een korset gedragen moest worden. Over de hele linie lieten de bestaande opleidingen voor naaisters nog veel te wensen over, leerde een onderzoek van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid.

Op de industriescholen en particuliere naai-instituten kregen de leerlingen hoofdzakelijk onderwijs in grof huishoudelijk naaiwerk. Daardoor had de Nederlandse confectie internationaal een slechte concurrentiepositie en hierin hoopte men met de Vakschool verbetering te brengen. De sfeer van de Vakschool was moderner en artistieker dan die op andere scholen, omdat er meer aandacht werd besteed aan vakken als kostuumgeschiedenis (vanaf 1912 door Cato Neeb, later werkzaam in het Rijksmuseum), decoratief tekenen en ontwerpen (tussen 1910 en 1918 door Connie Berlage, dochter van de architect). De Zweedse juffrouw Alsing gaf gymnastiek, want wanneer je geen korset droeg moest je zelf je spieren trainen.

Na een verhuizing in 1920 naar het te kleine pand Keizersgracht 586 kwam er zicht op een eigen gebouw, maar in 1922 werd de school door een hergroepering van het nijverheidsonderwijs samengevoegd met de Dagteeken- en Kunstambachtsschool voor Meisjes, in de Da Costastraat 64. In 1955 betrok de Vakschool een nieuw gebouw en werd onderdeel van de Vereniging Vak- en Huishoudschool Prinses Irene. Nog in 1974 werd het 75-jarig bestaan van de VvVvV op deze school herdacht met een tentoonstelling en de brochure Van sleep tot spijkerbroek. In 1983 werd de Prinses Ireneschool opgenomen in een scholengemeenschap en verwaterde de oorsprong.

De overgang van school naar werk verliep voor de meeste leerlingen van de Vakschool bepaald niet probleemloos. Dat was deels te wijten aan de malaise tijdens de Eerste Wereldoorlog maar kwam ook doordat de reformbeweging al over zijn hoogtepunt heen was. De grondgedachte vond weinig weerklank en door gebrek aan opdrachten waren goed opgeleide naaisters met gevoel voor mooi versierde reformkleding nog maar sporadisch te vinden, zo klaagde de VvVvV.

Maar de mode in de jaren twintig had veel elementen uit de reformkleding overgenomen: luchtige kleding, korte rokken, verdoezelen van de taille. Er liepen nu vrouwen in korte hobbezakjes over de Dam! Deze mode veranderde ook weer, maar tot op de dag van vandaag hebben we het gemak van het toen ingevoerde rekbare ondergoed, bh’s, truien en vesten.Tekst: Carin Schnitger
November-December 2004

Beeld: Vrouw in reform-kleding, 1909. Stadsarchief Amsterdam/Martin Monnickendam.

Delen:

Dossiers:
Kunst en Cultuur Mode
Editie:
December November
Jaargang:
2004 56
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950