Hier gebeurde het... West-Indisch Huis, februari 1629

Matrozen Piet Heyn bestormen West-Indisch Huis


altEnkele maanden nadat Piet Heyn met de door hem buitgemaakte Zilvervloot als een held was onthaald, sneuvelde hij bij een slag tegen Duinkerker kapers. En ook voor zijn roemruchte daad in de baai van Matanzas was het geluk zelden aan zijn zijde. Meerdere malen werd hij gevangen genomen en als slaaf tewerkgesteld. Zelfs zijn kunststukje ging gepaard met een oproer. De matrozen en soldaten die de Zilvervloot hadden helpen binnenhalen, voelden zich bekocht toen ze hoorden wat ze aan buitgeld uitbetaald zouden krijgen en togen met een kanon naar het West-Indisch Huis, nu Haarlemmerstraat 75, waar het grootste gedeelte van de schat was opgeslagen.


Op 8 september 1628 was de oorlogsvloot van de West-Indische Compagnie onder aanvoering van Piet Pieterz. Heyn (1577-1629) erin geslaagd een rijk beladen Spaanse vloot te kapen. De totale waarde van de buit was ten minste ƒ 12 miljoen, waarvan ƒ 7,8 miljoen aan zilver. Een gevoelige aderlating voor de Spaanse oorlogskas. Het jacht Ooievaar, dat een groter aantal knopen kon halen dan de rest van de vloot van Heyn, arriveerde op 15 november al in de haven van Rotterdam en vanaf dat moment verspreidde het nieuws zich razendsnel. Toen de schepen met de buit uiteindelijk op 10 januari 1629 aanmeerden in de haven van Hellevoetsluis, kon de zegetocht van Heyn dan ook direct beginnen.


Met saluutschoten en klokgebeier werd hij op 14 januari in Den Haag ontvangen door de Staten-Generaal. ’s Avonds hing stadhouder Frederik Hendrik hem een gouden hanger met gedenkpenning om. In het Rijksmuseum is deze nog te zien, evenals een zilveren schenkkan die deel uitmaakte van de buit. In Leiden werd Heyn zo toegejuicht dat hij er verlegen van werd. De Amsterdamse WIC-bewindhebber (en bedrijfshistoricus) Johannes de Laet, die hem vergezelde, vermeldt dat Heyn toen tegen hem zei: “Siet hoe het volck nu raest, omdat ick soo grooten schat thuys breghe, daer (ick) weynich voor hebbe ghedaen, ende tevoren, als ick der voor hadde ghevochten ende verre grooter ghedaen als dese, en heeft men sich naeulijcks aan my ghekeert.” In Haarlem werd hij op het stadhuis onthaald en vandaar ging het per schip over het IJ naar het West-Indisch Huis in Amsterdam (de trekvaart was er immers nog niet). Heyns vriend en biograaf dominee Dionysius Spranckhuysen vermeldt hoe populair de zeeheld was geworden. “Kinderen van vier of vijf jaren, langs de straten doende, wisten te spreken van den generael Pieter Pietersz. Heyn, en van hem te singen, al wasser sijne naeme Kleyn, dat nochtans sijn daden waren uytermate Groot, gelijck bleeck uit het veroveren van de Silveren Vloot.” Het refrein van het versje dat de Amsterdamse huisarts en literator Jan Pieter Heijein in 1844 in de Enkhuizer Almanak liet afdrukken, is dus ontleend aan dit oude volksliedje. Getoonzet door J.J. Viotta – dertien jaar later – zou het lied van de Zilvervlohohohoot niet meer uit het nationale geheugen te wissen zijn.


Galeislaaf voor de Spanjaarden


Pieter Pietersz. Heyn, die in 1577 als zoon van een schipper in Delfshaven werd geboren, had al een veelbewogen leven achter de rug toen hij in 1623 in dienst trad van de WIC. Zijn carrière begon hij als zwabber op de ‘convooier’ van zijn vader, een bewapend scheepje dat haringvissers moest beschermen tegen Duinkerker kapers. Met hen viel niet te spotten: Heyn werd gevangen genomen en moest vier jaar als galeislaaf voor de Spanjaarden roeien. Op zijn eerste tocht na zijn vrijlating belandde hij weer in Spaanse gevangenschap en zat hij vier jaar vast in de citadel van Havana. Daarna klom hij bij de VOC op van stuurman tot kapitein. In 1612 vestigde hij zich, na zijn huwelijk met Anneke Claesdr. De Reus, in Rotterdam en ging het als koopvaardijschipper in Europese wateren rustiger aandoen. Desalniettemin raakte hij weer in Spaanse gevangenschap (in Cadiz dit keer) en werd vervolgens gedwongen om voor de Venetianen te gaan varen. Terug in Rotterdam werd deze schipper schepen, maar de zee bleef trekken. In WIC-dienst leidde hij verschillende expedities die de Portugezen schaadden. Bij zijn matrozen werd hij mateloos populair: hij toonde zich een humaan vlootvoogd, bezorgd over het welzijn van de opvarenden.


Bij de verovering van de Zilvervloot had Piet Heyn, varend op het vlaggenschip Amsterdam, alle geluk van de wereld. Kruisend tussen Florida en Cuba wachtte hij de komst af van de Spaanse vloot, die nietsvermoedend uit Mexico was vertrokken maar al even voorbij Havana de vloot van Heyn ontwaarde. Deze manoeuvreerde zo, dat de Spanjaarden ’s avonds de baai van Matanzas invluchtten, die echter voor de zwaarbeladen galjoenen te ondiep bleek, te meer daar het ook nog eb was. Ze raakten naast elkaar aan de grond en konden met hun kanonnen alleen elkaar treffen. De helft van de bemanning ontsnapte van boord en vluchtte naar de kust van Cuba, 75 kilometer verderop. Heyn roeide naar het vice-admiraalschip en nadat hij duidelijk had gemaakt dat iedereen een vrije aftocht kreeg, gaven de Spanjaarden zich over. De vlootvoogd zelf, don Juan de Benavides, was nergens te bekennen. Hij bleek zich naar de wal te hebben laten roeien in een poging de vluchtende bemanning tegen te houden. Vijf jaar later zou hij wegens plichtsverzuim in Sevilla terechtgesteld worden.


Een week lang werd er door Heyn en zijn bemanning gewerkt om de lading over de schepen te verdelen. De gevangen Spanjaarden waren met brood en kaas aan land gezet. Heyn zelf wees ze de weg, want hij had vier jaar onvrijwillig op Cuba gewoond, vertelde hij hen in vloeiend Spaans. Zieke gevangenen kregen medische verzorging aangeboden. In het proces tegen Benavides hadden de getuigen niks dan lof voor “almirante Xein”.


Een schrale beloning


Na een moeizame terugtocht in het stormachtige herfstseizoen kwam de vloot gehavend en vol scheurbuiklijders aan in Engeland, waar Heyn besloot eerst de bemanning op krachten te laten komen en de averij te laten herstellen. Van de 3800 bemanningsleden (waarvan een derde soldaten) konden 150 man het niet meer navertellen. Een opmerkelijk laag sterftecijfer voor een expeditie van ruim zeven maanden.


De stemming aan boord was opperbest toen aan het laatste stukje van de thuisreis werd begonnen, te meer daar Heyn een algemeen pardon had afgekondigd voor opgelegde (geld-) straffen. De vlootvoogd bepaalde echter niet hoeveel gage en buitgeld zijn mannen zouden krijgen, dat werd vastgesteld door de bestuurders van de WIC, de Heren XIX. Voor deze heren vormde de bemanning de sluitpost. Zo kreeg Piet Heyn zelf ƒ 7000, hetgeen wat schraal afsteekt bij het douceurtje voor de stadhouder (honderd keer zoveel) en het dividend van 50% voor de aandeelhouders.


Toen duidelijk werd dat er inclusief premie 17 maanden gage zou worden uitbetaald, zo’n ƒ 200 becijferde Heyns biograaf M.G. de Boer, vonden veel bemanningsleden dat veel te weinig. Onder tromgeroffel toog men naar het West-Indisch Huis. Op de binnenplaats eiste een delegatie de heren te spreken. Ze lieten zich afschepen met de belofte dat ze de volgende dag tot de vergadering zouden worden toegelaten. Eenmaal buiten de poort, die meteen aan de binnenzijde werd gebarricadeerd, maakten de matrozen en soldaten de delegatieleden duidelijk dat ze zich met een kluitje in het riet hadden laten sturen en raakte de menigte uitzinnig. “De steenen vlogen door het glas,” noteerde Vondel in een hekeldicht waarin Heyn als Sint Pieter opdraaft. “’t Woeste bootsvolk werd opgehitst door de Kroeghouders en Hoeren, die in grooten getale hieromtrent woonden, en op een gedeelte van den buit vlamden,” volgens de 18de-eeuwse stadshistoricus Jan Wagenaar. Een kanon werd aangesleept toen het niet lukte om met scheepsbijlen de poort te forceren. Maar aan buskruit bleek niet te komen. De dreiging was voor het stadsbestuur genoeg om de schutterij erop af te sturen, die voorkwam dat de zaak uit de hand liep.


Piet Heyn heeft niet lang op zijn roem mogen teren. Toen hij met de Heren XIX niet tot overeenstemming kon komen over een nieuw contract, wist Frederik Hendrik hem te strikken voor de net vacant geworden post van opperbevelhebber van ’s lands vloot. Op zijn eerste missie, tegen Duinkerker kapers, sneuvelde hij, 20 juni 1629. Op het hoogtepunt van zijn roem.



Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman


Juli-Augustus 2002


Delen: