Hier gebeurde het… Sarphatistraat, 13 november 1918

Revolutie in de Sarphatistraat



092002_Hier

De revolutie in Nederland ging in 1918 niet door, maar in de Amsterdamse Sarphatistraat vielen op 13 november wel vier dodelijke slachtoffers en een aantal ernstig gewonden. Soldaten openden vanuit de Cavaleriekazerne in de Sarphatistraat het vuur op de menigte. Het was de week waarin de Eerste Wereldoorlog ten einde liep, de Duitse keizer Wilhelm II naar Nederland vluchtte en Duitsland in het teken stond van de revolutie. Op 12 november had de sociaal-democratische leider Pieter Jelles Troelstra in het parlement de revolutie in Nederland aangekondigd. In Amsterdam belegden socialisten en communisten de ene protestvergadering na de andere. Vanuit de rest van het land werden militairen naar de hoofdstad gedirigeerd om een mogelijke revolutie de kop in te drukken.



Op die bewuste avond was er een rumoerige vergadering geweest in het gebouw van de Diamantbeurs op het Weesperplein. Er was gesproken door onder anderen Ferdinand Domela Nieuwenhuis (de oude en zieke aartsvader van het Nederlandse socialisme), Henriëtte Roland Holst en David Wijnkoop, toen nog beiden behorend tot de linkervleugel van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Op initiatief van Wijnkoop werd besloten om naar de Oranje-Nassaukazerne te gaan (ook in de Sarphatistraat, iets voorbij de Muiderpoort), waar de artillerie gehuisvest was. Hier zou de vrijlating worden geëist van een kameraad die eerder die dag gearresteerd zou zijn. De anarchist Dirk Schilp herinnert het zich later zo: “We marcheerden dus in de richting van de Oranje-Nassaukazerne. En niet drie of vier man in elke rij, maar wel tien! Zo moeten ze zich ook in Moskou gevoeld hebben tijdens de revolutie.”


Ook de schrijver Maurits Dekker was er bij: “Ik liep betrekkelijk vooraan en kon zien dat in de Cavaleriekazerne in de Sarphatistraat gelegerde soldaten de ramen van de bovenverdieping openden en naar buiten keken, toen de stoet naderde. Uit de stoet werd de soldaten toegeroepen, dat zij naar beneden moesten komen, om zich bij de demonstratie aan te sluiten.” Dekker zag dat de poort van de kazerne verlicht was en dat het hek met een dikke ketting gesloten was. Ineens liep het mis. Ik weet alleen, dat het licht in de poort plotseling uit ging, dat ik dadelijk daarop een rij vuurstralen zag en kogels hoorde fluiten. Er werd gegild, een deel der demonstranten vluchtte, terwijl anderen zich op de grond wierpen. Ook ik had mij laten vallen. Er volgden nog een paar salvo’s en opnieuw hoorde ik het fluiten van de kogels.”


Schiet maar!


Waarom openden de soldaten het vuur? Het Algemeen Handelsblad kwam de volgende dag met het ooggetuigenverslag van de administrateur van de kazerne. Volgens hem duwde de menigte tegen het afgesloten hek en wilde een man met een bijl een van de schildwachten te lijf gaan. Andere ooggetuigen zeiden dat de man met bijl het op de ketting van het hek gemunt had. De administrateur maakte verder melding van een man die de borst ontblootte en riep “schiet maar”. Deze man zou zelf met een revolver op een schildwacht hebben geschoten en die hebben geraakt in de mouw. Daarop loste de wacht een salvo met wachtpatronen en kort daarop nog een. Tot zover het relaas vanuit de kazerne. Uit de verhalen van de demonstranten werd duidelijk dat er in ieder geval een oploop ontstond voor de Cavaleriekazerne, dat de betogers de soldaten opriepen zich bij hen aan te sluiten en dat er aan het hek gemorreld werd. Het blijft onzeker of het hek geforceerd werd.


Uit de vele ooggetuigenverslagen valt op te maken dat de kop van de stoet zich al ter hoogte van de Muiderpoort bevond toen de soldaten begonnen te vuren. Daar marcheerden naast een aantal met rode doeken uitgedoste soldaten ook de revolutionaire kopstukken Henriëtte Roland Holst en David Wijnkoop. Onder hun leiding liep een gedeelte van de stoet na het tumult door naar de Oranje-Nassaukazerne. Ter hoogte van de poort van de kazerne werd de sterk uitgedunde demonstratie tot staan gebracht door twintig soldaten met het geweer in de aanslag. Er ontstonden wat schermutselingen en Henriëtte Roland Holst sprak de soldaten heldhaftig toe. Ze kon de mannen niet overhalen zich bij de betogers aan te sluiten, maar de stoet kon uiteindelijk wel doorlopen. Van David Wijnkoop is later gezegd dat hij op dat moment weinig doortastend optrad en omwonenden om een glaasje water vroeg. Toen andere demonstranten Wijnkoop uitnodigden om ernst te maken met het bevrijden van de gevangen kameraad, bleek deze daar nu een stuk genuanceerder over te denken dan tijdens de vergadering in de Diamantbeurs. Over dat glaasje water is later nog veel geschreven, maar of Wijnkoop er nu wel of niet om gevraagd heeft, blijft onzeker. Feit is wel dat de demonstranten de kazerne verder ongemoeid lieten.


Een grijsroze stukje vislever


De volgende dag meldden de kranten dat bij het schietincident drie mensen werden gedood en zes ernstig gewond. Een vierde slachtoffer overleed later aan zijn verwondingen. Onder de doden was de man met de revolver. Het bleek de 17-jarige Jan van Putten te zijn, werkzaam op de afdeling expeditie van het Amsterdamse stadhuis. Tegen zijn moeder had hij die avond gezegd dat hij naar de bibliotheek ging. Hij werd getroffen in het hoofd en over zijn doorzeefde hoofddeksel is achteraf nog het nodige te doen geweest. Maurits Dekker verhaalt in zijn herinneringen hoe een man op de brug bij de Plantage Middenlaan hem onder een lantaanpaal iets liet zien: Een lichtbruine slappe hoed, in de gleuf waarvan een grijs-roze stukje vislever, zo groot als een walnoot lag. Een stuk van de hersens van mijn vriend, zei de man. Het hoofddeksel kwam later nog terecht bij Dirk Schilp, die het heeft over een doorzeefde pet. Schilp liet de pet een paar dagen later aan David Wijnkoop zien, maar die was helemaal niet geschokt. “Maar wat doe je gek? Dacht je dat er een revolutie gemaakt kon worden zonder bloed en tranen?”


Op 14 november was er in Amsterdam weinig meer te merken van de revolutionaire stemming. Dat gold overigens voor het hele land. Troelstra was op 13 november zelf al gaan twijfelen aan de door hem aangekondigde revolutie. Door confessionele partijen en vakbonden werden inmiddels voorbereidingen getroffen voor massabijeenkomsten tégen de revolutie en vóór de monarchie. Gezagsdragers die in het begin van de week nog twijfelden aan de toekomst van het bestaande bestel, begonnen hun zelfvertrouwen terug te krijgen. Achteraf gezien was die bloedige dertiende november in Amsterdam misschien wel een belangrijk keerpunt in de Nederlandse revolutie die niet doorging.


Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman


September 2002

Delen: