Hier gebeurde het… Oude Nieuwstraat, oktober 1669

Zwarte kip bezoekt dode vrijdenker

Met Adriaen Koerbagh, de eerste die het radicale gedachtegoed van Spinoza in druk verspreidde, is het slecht afgelopen. Hij overleed in oktober 1669 na vijftien maanden gevangenschap, lichamelijk en geestelijk geknakt.

Zijn stoffelijk overschot werd overgebracht naar een pand in de Oude Nieuwstraat met het huidige nummer 6, eigendom van zijn moeder die erachter woonde in het huis De Twee Conijnen op de plek waar nu Singel 49 te vinden is. Vanuit dat huis in dat achterafstraatje waar tegenwoordig voornamelijk ‘het oudste beroep ter wereld’ wordt uitgeoefend, werd Koerbagh ten grave gedragen naar de Nieuwe Kerk.

“Bij zijn begrafenis gebeurde er iets belachelijks’” schreef een studiegenoot later aan een vriend. “Toevallig was daar een zwarte kip die, vluchtende voor de menigte van toegelopen nieuwsgierigen, geen veilig plekje voor zich vond, zodat zij op het hoofdeinde van de kist ging zitten, vanwaar men haar slechts met moeite kon verjagen. Zo ontstond bij een licht- en bijgelovig volk de mening dat de duivel in de gedaante van een zwarte kip het hoofd van die ongelukkige in bezit had genomen en zijn ziel had meegevoerd.”

De briefschrijver, die kennelijk bij de uitvaart aanwezig was geweest, was Philip van Limborch, de vrijzinnige theoloog die vaak met Koerbagh had gediscussieerd. Historicus/boekverkoper Willem van Goeree vermeldde in 1705 het voorval ook, na opgemerkt te hebben dat Koerbagh “niet onverdiend” opgesloten was wegens zijn “lasterlyke” geschriften. “[Er] vloog bij toeval onder het henen-gaan een pik-swarte henn” op de kist, die “er lang op bleef zitten, sonder dat ze met dreygen, goojen en weuwen van hoeden daar was af te jagen, gelyk honderden van menschen gezien hebben, en elk er zyn beduiding over maakte”.

Verlichting voor volk

Adriaen Koerbagh had het als zijn levensopdracht gezien om het gewone volk de ideeën van de Verlichting bij te brengen. Daar had de overheid een stokje voor gestoken: zijn werk Een ligt schijnende in duystere plaatsen om te verlichten de voornaamste saaken der Godsgeleertheyd en Godsdienst had nooit de boekhandel bereikt. Zo tolerant was het 17de-eeuwse Amsterdam nu ook weer niet.

Koerbagh werd in 1633 op het Singel geboren. Hij was de zoon van een plateelbakker, die jong overleed, en een vroedvrouw uit een gegoed milieu. De financiële middelen om de kinderen goed onderwijs te laten volgen waren er, want arm was het gezin niet. Adriaen ging in Utrecht filosofie studeren, schakelde later over op geneeskunde in Leiden, en promoveerde ook nog als jurist. Terug in Amsterdam kwam hij samen met zijn twee jaar jongere broer, de theoloog Jan Koerbagh, in aanraking met Franciscus van den Enden, een uitgetreden Antwerpse jezuïet die na zijn faillissement als kunsthandelaar een privé-school had gesticht waar Spinoza Latijn had geleerd. Met deze ondogmatische denker kwamen ze vermoedelijk in contact via hun zus Lucia, die getrouwd was met een boekhandelaar die gewaagde boeken op politiek en erotisch gebied uitgaf. Zo kwamen ze terecht in de kring rond boekhandelaar Jan Rieuwertsz, de uitgever van Descartes, wiens winkel in de Dirk van Hasseltsteeg een ontmoetingsplaats was van vrijdenkers.

In 1664 publiceerde Adriaen ‘t Nieuw Woorden-Boek der Regten, een lexicon van juridische termen. Zijn verklarende woordenlijst moest voorkomen dat mensen door onkunde willoos slachtoffer werden van de listen van juristen. Vervolgens zette hij zich aan het schrijven van een verklarend woordenboek van bastaardwoorden, om het Nederlands te zuiveren van buitenlandse leenwoorden. Het verscheen in februari 1668 onder de titel Een Bloemhof van allerlei lieflijkheid sonder verdriet in het formaat van een dik handbijbeltje.

Het was een zeer opmerkelijk werk, want Koerbagh nam daarin geen blad voor de mond om de inzichten van Spinoza uiteen te zetten. De goddelijke opdracht aan de mens is liefde tot de medemens en de natuur en dat is ook de kern van alle wereldgodsdiensten, betoogde Koerbagh. Het probleem was volgens hem dat “elk syn onbegrijpelijke geloofsstellingen met onverstand en geweld staande wil houden. Baart dat geen elende inde waerelt?” In zijn Bloemhof maakte hij korte metten met een rits christelijke dogma’s en het duurde dan ook niet lang of de Kerkeraad sloeg alarm.

Licht in het duister

De broers Koerbagh waren al eerder op het matje geroepen: broer Jan omdat hij op de kansel van Sloten als invaller van dominee Wilhelmus d’Amour spinozistisch getinte preken hield en Adriaen omdat hij er een vrije seksuele moraal op na hield. Voor de zekerheid vertrok de laatste naar de vrijplaats Culemborg, bezit van een Duitse graaf waar de Staten van Holland geen jurisdictie over hadden. Daar voltooide hij zijn derde boek, eveneens een verklarend woordenboek, dat nog veel radikaler was dan het vorige: Een Ligt schijnende in duystere plaatsen. De Utrechtse drukker schrok zo van de tekst, dat hij ermee naar de schout liep die het manuscript en de al gedrukte vellen overgaf aan zijn Amsterdamse collega.

Nu volgde een arrestatiebevel. Adriaen dook als ‘Pieter Wilte’ onder in Leiden, maar werd er verraden door een kennis voor een Judasloon van ƒ 1500. Het proces volgde in de laatste week van juli 1668. Broer Jan, die niets vermoedend op de Dam werd gearresteerd, werd van medeplichtigheid beschuldigd en stond ook terecht. Tot zijn ontzetting hoorde Adriaen schout Cornelis Witsen 30 jaar eisen.

Bovendien zou op het schavot voor het stadhuis zijn tong met een gloeiende priem moeten worden doorboord en zijn rechter duim moeten worden afgehakt. De schepenen vonden dit wat al te kras en vonden tuchtiging in het openbaar onverstandig: het zou mensen maar nieuwsgierig maken naar Koerbags geschriften. Het werd tien jaar gevangenis en een forse boete. Broer Jan kwam na pleidooi van schepen Hans Bontemantel vrij omdat zijn medewerking aan het boek niet was bewezen.

Adriaen Koerbagh werd gedetineerd in het Rasphuis aan de Heiligeweg. Na er ruim zeven weken brazielhout te hebben geraspt, werd hij overgebracht naar het iets minder afstotende Willig Rasphuis, een afgedankt WIC-pakhuis op het Kadijksplein waar bedelaars met nare karweitjes als het weven van dweilen gedwongen werden zich nuttig voor de maatschappij te maken. Dertien maanden later overleed hij er, als martelaar van het vrije denken.

Tegen een dominee die de lexicograaf bezocht kort voor hij in het graf zou belanden, had hij gezegd dat hij wilde dat hij nooit zijn boeken had geschreven. De Binnen-Moeder getuigde echter dat hij “genegen [was] om sijn bederflick saet bij ijder een te strooien”. Het Willig Rasphuis had hij dus herschapen tot een Spinoza-Seminarium. Vermoedelijk heeft Koerbaghs lot Spinoza nog voorzichtiger gemaakt dan hij al was: zijn hoofdwerk zou pas postuum verschijnen, tien jaar na Koerbaghs Ligt.

Tekst: Marius van Melle en Niels Wisman
September 2008

Delen:

Buurten:
Centrum
Editie:
September
Jaargang:
2008 60
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1600-1700