Hier gebeurde het… Kattenburg, 6 juli 1911

De bloednacht van Kattenburg

Begin juli 1911 koos een klein leger van politieagenten, infanteristen en marechaussees strategisch positie op het Mariniersplein aan de noordrand van het eiland Kattenburg. Achter hen het spoor met de brug over de Dijksgracht, de ogen gericht op de Kleine Kattenburgerstraat en omgeving, waar stakende zeelieden, bootwerkers en andere Kattenburgers al zo’n twee weken in opstand waren. In de nacht van 5 op 6 juli 1911, rond twaalf uur, openden de soldaten na een opstootje het vuur. Het was het begin van de ‘Bloednacht van Kattenburg’, die tot vijf uur ’s morgens voortduurde. Tientallen raakten gewond, waaronder vier ernstig.

Het was begin juli 1911 warm in Amsterdam: de temperaturen liepen op tot zo’n 33 graden. Ook de sfeer in de stad was die zomer geladen. Overal patrouilleerden soldaten in verband met de grote internationale zeeliedenstaking die op 13 juni ook in Amsterdam was uitgeroepen. De zeelieden eisten onder meer hogere lonen en kregen daarbij steun van andere arbeiders in de haven. Vooral op Kattenburg, van oudsher een buurt met veel havenarbeiders, was de actiebereidheid groot. Maar de werkgevers dachten er niet aan om voor de druk te zwichten en zij lieten Duitse en Chinese zeelieden aanvoeren om het werk van de stakers over te nemen.

Een slag in het gezicht van de stakers, die probeerden te voorkomen dat werkwilligen aan het werk gingen. Militaire patrouilles werden ingezet om degenen die wilden gaan werken naar de haven te begeleiden. De soldaten hadden er hun handen vol aan om confrontaties te verijdelen of in de kiem te smoren. Er werd nog eens extra militaire versterking aangevoerd in verband met het officiële staatsbezoek van de Franse president Fallières aan Amsterdam, dat op dinsdag 4 juli begon. Op Kattenburg werden infanteristen gestationeerd op het Kattenburgerplein en het Mariniersplein, wellicht omdat de president met de trein langs de Dijksgracht de stad zou binnenrijden en een aantrekkelijk doelwit voor de actievoerders vormde.

“Hoe het begon is nimmer opgehelderd, maar ineens klonken er geweerschoten,” wist een soldaat die er bij was op het Mariniersplein zich vele jaren later te herinneren in een vraaggesprek met het Algemeen Handelsblad. De krant publiceerde op 13 juli 1968 een artikel over het incident. “Dat geschiet werkte aanstekelijk en op een ogenblik lagen we van drie kant te vuren op hetzelfde kruispunt.” Hij weet nog dat de soldaten opdracht hadden te mikken op de ruiten van de bovenverdiepingen. Een opstootje in de Kleine Kattenburgerstraat was aan de geweersalvo’s voorafgegaan.

Dat was rond halftwaalf geweest, toen een werkwillige voorman van de knsm onder politiebegeleiding door de straat naar zijn werk gebracht werd. Er werd gescholden, er werd gegooid met klinkers en bloempotten, straatlantaarns werden vernield en mogelijk werd er ook vanuit huizen geschoten. Dat laatste is ook achteraf nooit helemaal duidelijk geworden. Rond middernacht besloten de soldaten op het Mariniersplein in te grijpen en losten enkele schoten. Toen was het oorlog op Kattenburg.

Er kwam militaire versterking en de buurt werd afgegrendeld. Soldaten drongen de huizen binnen op zoek naar schutters en wapens. De Kattenburgers verweerden zich en daarbij bleef het vast niet bij later gememoreerde scheldwoorden als ‘koekebakkers’ en ‘sluipmoordenaars’. Er vielen aan beide kanten gewonden. Politieman Brouwer kreeg een schot hagel in de kaak, maar het waren de Kattenburgers die de zwaarste verwondingen opliepen. Werkman Johannes Homma werd met vijf schoten in de darmen overgebracht naar het Binnengasthuis.

Alida Steenman werd afgevoerd met geperforeerde darmen en een schotwond in de rechterarm. Ans Ter Nede-van Dijk moest door een schotwond een gedeelte van haar neus missen. Naast deze slachtoffers waren tijdens de ‘Bloednacht van Kattenburg’ nog enkele tientallen mensen licht gewond geraakt, aldus het Algemeen Handelsblad van 6 juli 1911. Volgens de communistische voorman Louis de Visser waren de gevels van de huizen aan het Mariniersplein, de Kleine Kattenburgerstraat en de Kattenburgerdwarsstraat doorzeefd met meer dan vijfhonderd kogels. Hij vertelt er in zijn te boek gestelde herinneringen niet bij hoe hij aan dat getal gekomen is, maar foto’s van een zwaarbeschoten bakkerij en melkwinkel in de Kleine Kattenburgerstraat doen vermoeden dat hij er niet ver naast zat.

Nerveuze militairen

“Kameraden, mijn broer zal de dag van morgen niet meer halen. Wat moet er nu gebeuren met zijn vrouw en veertien kinderen?” stamelde de broer van de zwaar gewonde Johannes Homma een dikke week later op een protestbijeenkomst van nvv en sdap in het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein. Het buitensporig harde optreden van de soldaten had de opstandigheid eerder aangewakkerd dan gesmoord en het was er niet rustiger op geworden in Amsterdam, integendeel.

Bij een botsing tusen militairen en burgers op de Zeedijk waren in de nacht van 8 op 9 juli minstens zes gewonden gevallen door schotwonden en bajonetsteken. Het treffen hield geen direct verband met de staking, maar achteraf is wel duidelijk geworden dat nerveuze militairen hier een vrij onschuldig Zeedijk-opstootje ernstig uit de hand hadden laten lopen. Waarschijnlijk waren de zenuwachtige reacties van onervaren, jonge militairen ook de belangrijkste oorzaak van de schietpartij op Kattenburg.

Hoe het met Johannes Homma en de andere zwaargewonde slachtoffers van de Bloednacht afliep, is nooit precies vastgesteld en het resultaat van de opstand op Kattenburg was uiterst mager. De bootwerkers haalden een kleine loonsverhoging binnen en gingen op 26 juli weer aan de slag. De zeelieden beëindigden hun strijd op 9 augustus, zonder dat hun een cent meer was toegezegd.

Ook Kattenburg ging weer aan het werk, met de herinnering aan de bloednacht in het geheugen. Jan Mens verwoordde het in zijn geheel aan de stakingen van 1911 gewijde roman Er wacht een haven uit 1950: “De avond kwam met veel rood in de lucht. Om tien uur hing er nog een rossig licht over eilanden, waar de warmte dóór broeide in de kleine huizen, die hitte vasthielden in stenen en dakpannen. Ook in de hoofden der Kattenburgers broeide het.”

Het oude Kattenburg werd in de tweede helft van de jaren zestig gesloopt. Alle tastbare herinneringen aan de Bloednacht van Kattenburg zijn toen uitgewist. Van het Mariniersplein rest nog een brede met bomen beplante groenstrook aan het einde van de Kattenburgerstraat. Aan de noordkant van de strook, aan de Dijksgracht, herinnert de Marinierskade nog aan de naam van het oude plein, dat aan de westkant grensde aan de muur van het Marine-complex. Het netwerk van straten en dwarsstraten rond de (niet meer bestaande) Kleine Kattenburgerstraat, waar de Kattenburgers zich tijdens de Bloednacht hadden verschanst, heeft plaatsgemaakt voor parkeergarages, galerijflats en groenpartijen.

Tekst: Marius van Melle en Niels Wisman
Foto: Stadsarchief
Januari 2002

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Januari
Jaargang:
2002 54
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1900-1950