Hier gebeurde het: het Oude Stadsherberg in het IJ

Logies voor laatkomers

Een stadsherberg op palen in het IJ bood vanaf 1613 onderkomen aan late bezoekers van Amsterdam. Pas als ’s morgens vroeg de toegang aan de walkant openging, kon hun stedentrip beginnen. Na de opening van een nieuwe stadsherberg ging het bergafwaarts, tot slopers de bouwval in 1755 uit zijn lijden verlosten.

De komst van de Oude Stadsherberg in het IJ had een goede reden. Amsterdam was begin 17de eeuw nog een ommuurde stad en om reizigers op te vangen na het sluiten van de poorten – om halftien ’s avonds – lieten de bestuurders logementen inrichten buiten de omwalling, in leegstaande publieke gebouwen, loodsen of in nieuwe verblijven. Ze zagen het als hun plicht om vreemde reizigers logies te bieden, maar het was ook een manier om de stadskas te spekken. Na enkele jaren was de investering terugverdiend en maakten zij winst. Juist aan de havenkant was grote behoefte aan een opvanghuis voor gestrande reizigers. Het merendeel bereikte immers per schip de Amstelstad. Hier was de stad beschermd door een dubbele rij palen langs het drie kilometer lange havenfront. De doorgangen voor het scheepvaartverkeer werden ’s avonds afgesloten met ‘bomen’, een ritueel waarvoor de ‘boomklok’ tijdig waarschuwde.

Voor varenslieden en hun passagiers was het ondoenlijk om altijd vóór het luiden van de boomklok de stad te bereiken. Een vaartocht over de Zuiderzee was vol onverwachte gevaren en vertragingen, bijvoorbeeld door ondiepten, storm of juist uitblijvende wind. In 1613 liet het stadsbestuur daarom een herberg op houten palen bouwen aan de westkant van het havenfront tegen de dubbele palenrij aan. Het water ernaast diende als ‘rommelhaven’, waar reders hun schepen mochten kielen en schoonmaken. Een lange brug leidde naar de walkant, terwijl vanaf de steigers kleine veerschuiten aanmeerden. ’s Nachts was de stad onbereikbaar door het afsluiten van de houten poort en het ophalen van de valbrug, terwijl schutters – de ‘kortegaards’ – het naastgelegen wachthuis bemanden.

Uitzicht

De stadsherberg was een houten gebouw van twee verdiepingen met logeerkamers, een eetzaal, pakzolder, keuken en een op ingenieuze wijze aangebrachte drankkelder. Water was geregeld via regenbakken. Het uitzicht over de in de haven aangemeerde schepen, het IJ en aan de overkant het Waterland was zo “lustig vermakelijk” dat drommen dagjesmensen en Amsterdammers een bezoekje brachten aan de stadsherberg. Op warme dagen namen blote jongens vanaf de steigers een verfrissende duik in het water. ’s Avonds was het eiland het domein van de herbergier en zijn gasten. Schippers, bootsgezellen en andere zeelieden moesten zich uit de voeten maken, want het was niet de bedoeling dat zij op de steigers bleven drinken. Zij brachten op hun schepen de nacht door, terwijl hun passagiers comfortabel lagen te ronken in de herberg.

De eerste uitbaters van de stadsherberg deden goede zaken met al die aangespoelde logés en dorstige dagjesmensen. Ze verdienden niet alleen aan logies en consumpties, maar genoten ook privileges, zoals het huisvesten van veilingen van zout en incidenteel ook van scheepsparten en schepen. Een slimme uitbater vroeg om ontheffing van de accijnsbelastingen op dranken, omdat het gebouw in het water stond en dus niet op stedelijk grondgebied. De burgemeesters wezen zijn creatieve verzoek van de hand.

Er ging heel wat om. Halverwege de 17de eeuw dronken de klanten van uitbater Cornelis Pietersz. de Geus bij elkaar gemiddeld ruim 85 liter bier per dag. Dat lijkt weinig, maar in werkelijkheid zal er meer gedronken zijn dan is opgegeven aan de accijnsmeester. De wijn stroomde ook: in zijn kelder had hij 734 liter Franse wijn opgeslagen en twintig liter Spaanse. Hij maakte voldoende omzet om de behoorlijke jaarhuur van f 1000,- te kunnen neertellen. Een flinke kostenpost waren de vensterglazen, waarvan er talloze sneuvelden door toedoen van het ruwe publiek en de harde rukwinden langs het IJ. Tocht was zijn natuurlijke vijand. Daarom hing er een waarschuwing aan de binnendeur: Al wie dees deur laat openstaan//Moet voor twee stuivers ter beurse gaan.

Rekeningen

De stadsherberg stond aan de westkant van de stad, maar juist aan de oostkant kwam het regionale scheepvaartverkeer tot ontwikkeling. In 1660 liet Amsterdam met de Waterlandse steden een betere onderlinge waterverbinding graven, de latere Buikslotertrekvaart. Recht aan de overkant van het tolhuis in de Volewijk (nu Amsterdam-Noord) moest daarom een nieuwe stadsherberg in het IJ komen, vanwaar ‘steigerschuiten’ naar de opstapplaats van de Buikslotertrekvaart vertrokken. Al gauw overvleugelde deze Nieuwe Stadsherberg de oude. De inkomsten liepen achteruit, de uitbaters zeurden en het gebouw verviel. Het was dan ook geen genereus gebaar toen het stadsbestuur in 1666 de huurinkomsten van de Oude Stadsherberg aan het Leprozenhuis schonk, een sociale instelling waar behalve lepralijders ook psychiatrische patiënten verbleven.

Uitbater vanaf 1699 was een katholiek Duits echtpaar, Anthonij Greijman uit Herford en Anna Bromleeuw uit Lingen. Zij vonden het huis “t’eenemael uytgewoont” en de verdiensten lieten te wensen over in deze “neeringloose en bedroefde tijt”, terwijl de accijnzen stegen. Ziekte en vier zware bevallingen nekten herbergierster Bromleeuw en zadelden haar man op met dokters- en apothekersrekeningen. Tot overmaat van ramp sneuvelde de keldermuur en berokkende het IJwater ernstige schade aan de wijn- en biervoorraad. En er was ook nog eens de gezellige gast ‘Abraham Fenix’ uit Batavia, die met de noorderzon vertrok, nadat hij voor een kapitaal had verbrast. Greijman failleerde en moest de inboedel verkopen. De vertrekken en vijftien logeerkamertjes hingen vol goedkope schilderijtjes, vogelkooien en nog wat landkaarten: verspreid over de vloeren en in kasten lagen drinkgerei, beddengoed, gordijntjes, versleten meubilair, spoelkommen en pistobben. De opbrengst (f 108,-) was onvoldoende om de huisbaas – het Leprozenhuis – en andere schuldeisers te voldoen.

Afbraak

Opvolger van uitbater Greijman was Harmanus Dresing, eveneens uit Herford. Hij vertrok in 1723 naar de Keizerskroon in de Kalverstraat, waar stellig meer klandizie was. De Oude Stadsherberg bleef opduiken in reisgidsen, zoals in de vierde druk van het Reisboek van Jan ten Hoorn (1729) en in een Franse gids, maar voor bezoekers was het allang geen pretje meer. De “groote ouderdom, versakking, seer veel overhanginge, en […] de bouvalligheid” noopten de stad het overbodig geworden gebouw ter afbraak te verkopen. In april 1755 kochten twee aannemers het anderhalve eeuw oude zaakje voor f 2628,-. Op 2 mei begonnen ze met de afbraak en nog diezelfde maand was de klus geklaard. Het lege erf werd met modder en puin opgehoogd en geëgaliseerd, brug, steiger en rommelhaven bleven in gebruik. Diep in de 19de eeuw liet de gemeente het spoorwegemplacement aanleggen op de braakliggende locatie.

Beeld header: Stadsarchief Amsterdam. De herberg ca. 1660 

Tekst: Marius van Melle & Maarten Hell, mei 2021

 

Delen:

Buurten:
Centrum
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1600-1700

Gerelateerd

De begrafenis van Admiraal de Ruyter
De begrafenis van Admiraal de Ruyter
Hier gebeurde het 2 maart 2022
Oudezijds Achterburgwal 213: Het lot van Barlaeus
Oudezijds Achterburgwal 213: Het lot van Barlaeus
Hier gebeurde het 1 januari 2021
KLOVENIERSBURGWAL Pektonnen voor predikanten, 7 september 1667
KLOVENIERSBURGWAL Pektonnen voor predikanten, 7 september 1667
Hier gebeurde het 1 september 2019