Hier gebeurde het… Dam, 1 juli 1805

Jan Hendrik Richter stond wegens bigamie te kijk op een balkon van het stadhuis. Zonder te scheiden was hij hertrouwd en na het overlijden van zijn tweede vrouw opnieuw. Zijn eerste echtgenote had hem opgespoord en aangeklaagd: “eerloos en infaam” was hij.

Christiaan Andriessen legde het tafereel op de Dam vast: bigamist Jan Hendrik Richter die op woensdag 1 juli 1805 met een bordje ‘Twee-Wijverij’ voor zijn borst een kwartier lang aan de kaak gesteld werd op een balkonnetje aan het stadhuis. Hij schreef erbij dat de symbolische ragebollen achterwege gelaten waren en dat het circa veertig jaar ervoor de laatste keer was geweest dat zoiets te zien was geweest. Ragebollen kwamen er ook toen niet aan te pas: de bigamist was met twee spinrokken – onderdeel van een spinnenwiel – te kijk gesteld. Tot groot vermaak van het publiek, wist dagboekschrijver Jacob Bicker Raye te vermelden. Veroordelingen wegens bigamie kwamen dus weinig voor. Vrouwen die het overkwam, moesten stokken vasthouden waaraan mannenbroeken hingen. Vaak waren ze hertrouwd nadat ze jaren niets meer van hun echtgenoot vernomen hadden en ze ervanuit waren gegaan dat hij op zee of in het leger was overleden.

De zaak tegen Richter begon op 18 april 1805, toen Grietje Pauw aan de schepenen verklaarde dat zij in 1792 te Hoorn in het huwelijk was getreden met – toen nog – Hendrik Richter. Met hem had ze drie kinderen gehad, die allen overleden waren. Zonder van haar te scheiden was hij opnieuw getrouwd. Uit de vervolgverhoren blijkt dat hij uit Alkmaar kwam, luthers was en pas later ontdekte dat hij eigenlijk Jan Hendrik heette, toen hij zijn doopceel onder ogen kreeg. Zijn ouders waren al overleden. Een gelukkig huwelijk was het niet geweest en Richter had Grietje verlaten.

Zwanger

In 1799 werkte hij als tuinman en woonde hij bij het Kalfje aan de Amstel. Hij trouwde toen met Maria Poest, 29 jaar, vijf jaar jonger dan hij. Toen hij met Grietje huwde, was hij dus pas achttien geweest. Met Maria kreeg hij zeven maanden later een zoontje, dat snel overleed, en vier jaar later een tweeling, een jongetje dat maar twaalf dagen oud werd en een meisje. De moeder stierf drie weken na de geboorte en het meisje, Johanna Dorothea Alida, ging naar het weeshuis.

Mogelijk heeft hij zijn dochtertje weer naar huis gehaald, nadat hij acht maanden later opnieuw in het huwelijk was getreden, nu met Anna Maria Westman. Hij woonde toen op het Hoedemakerspad buiten de Weesperpoort (ongeveer waar nu de Van Ostadestraat is), maar verhuisde daarna naar de Tuinstraat (bij de tweede dwarsstraat).

Voor de schepenen verklaarde hij dat Grietje nog twee kinderen had gekregen bij een konstabel (kanonnier bij de marine). ‘Zwaar’ van het tweede kind was ze bij hem langs geweest, onterecht bewerend dat hij het was die haar bezwangerd had. Later probeerde ze de kwestie met hem te schikken. Daar was hij niet op ingegaan, omdat hij had gehoord dat ze wegens diefstal ontslagen was als meid van de baljuw van Oosthuizen en later in Hoorn schoengespen had gestolen. Die twee baby’s waren kennelijk niet meer in leven en zij was de wanhoop nabij.

De schepenen vonnisten Jan Hendrik milder dan de eis van de hoofdofficier (de naam schout voor die functie was in onbruik geraakt), die hem naast de kaakstelling ook nog tot drie jaar Rasphuis wilde veroordelen. Het bleef bij het betalen van de kosten van zijn voorarrest. Zo’n twee maanden à vijftig cent per dag. Betaald of niet, Richter liet daarna geen sporen meer achter in het archief; hij werd voor altijd verbannen uit het departement Holland. Hij ondertekende zijn naam overigens met Rigters, en de achternaam van Anna Maria, nog maar twintig toen ze met Jan Hendrik in zee ging, was Westman en niet Wettman, zoals het gemeentearchief abusievelijk in het bijschrift van de tekening van Andriessen vermeldt.

Huwelijksakte

De bigamist die 38 jaar eerder aan de kaak werd gesteld, was Dirk Noom, op 8 juli 1767. Vijf jaar eerder was hij in de buurt van het Duitse Munster getrouwd met Anna Catharina Schlarman. Hij noemde zich Richard Sporker en beweerde in Engeland te zijn geboren. Nadat hij haar verlaten had, was hij in Amsterdam beland, waar Anna Catharina hem wist op te sporen. Dat zal hij nooit verwacht hebben. De huwelijksakte had ze meegenomen en de schepenen hadden die door “de beëdigde translateur N.H. Behm in het Nederduyts” laten vertalen. Kennelijk konden ze op het stadhuis het gothisch schrift niet lezen.

Nu was deze Dirk in de Nieuwe Kerk een maand voor zijn arrestatie getrouwd met Anna Hesse. Hij ondertekende de ondertrouwakte met Derick Nom, geboren te Hessen-Kassel en 29 jaar oud; zijn partner was een jaar ouder. Zijn eerste vrouw en de moeder van zijn tweede waren naar het gerecht gestapt. Anna bleek weduwe te zijn van Caspar Hesse, die als trompetter in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Batavia was overleden. Haar meisjesnaam was Beekman. Tijdens het verhoor vroeg men Dirk: “Of hij gev[vangene] niet moet bekennen met zijn 2e vrouw alhier tot Amsterdam getrouwt te zijn nadat zijn 1e wettige vrouw hier in juditio present nog in leeven was?” Zijn antwoord luidde: “Dat hij met zijn eerste vrouw nooijt met zijn zin was getrouwt.”

Dirk werd niet alleen vernederend te pronk gezet, maar ook nog “binnenskamers strengelyk gegeeselt” en voor de tijd van 50 jaar verbannen uit Holland en West-Friesland. Die lijfstraf hoefde Jan Hendrik Richter niet te ondergaan. De Bataafse omwenteling had onder invloed van Verlichtingsidealen voor een humanere strafuitoefening gezorgd. Zo was in maart 1795 galg en rad afgeschaft, omdat – zoals Pieter Paulus, de voorzitter van de Provisionele Representanten van Holland het formuleerde – “daardoor de menschelijke waardigheit tot den hoogstmogelyken trap van vernedering wordt gebracht”. Het treurige galgenveld op de Volewijk was opgeruimd. En de eerste landelijke grondwet, de Staatsregeling van 1798, had een einde gemaakt aan het gebruik van de pijnbank. De Amsterdamse hoofdofficier, Reinier Tadama, verwees er in zijn strafeis voor Richter nog naar. Hij had er zelf aan meegewerkt, want in 1798 was hij Agent (minister) van Justitie en later dat jaar lid van het Uitvoerend Bewind.

Tekst: Marius van Melle en Maarten Hell

Beeld: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam. Bigamist Jan Hendrik Richter op het paleisbalkon, 1 juli 1805. Tekening Christiaan Andriessen.

Juni 2021

Delen:

Buurten:
Centrum
Editie:
Juni
Jaargang:
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1700-1800