‘Het regent hier heroïne’

Van opium tot ’bruine suiker’

De invoer van opium en later ook heroïne was in Amsterdam in handen van Chinese criminelen. Maar hun Nederlandse collega’s – met ‘Frits van de Wereld’ voorop – waren er als de kippen bij om zich met de tussenhandel te bemoeien. Wat politie en justitie ook deden om hun deals te stoppen, de kilo’s verdovende middelen namen alleen maar toe. Maar net als de Binnen en Buiten Bantammerstraat, werd de Zeedijk ten slotte op de junks heroverd.
 

Amsterdam, 20 september 1973. Acht uur ’s ochtends zette rechercheur Henk Brouwer in de tapkamer van het hoofdbureau aan de Elandsgracht de bandrecorder aan. Brouwer – ‘Kappie’ voor collega’s – werkte bij de Centrale Recherche, afdeling Bijzondere Zaken, beter bekend als de Criminele Inlichtingen Dienst (CID). Hij had de opdracht alle gesprekken op te nemen die werden gevoerd met telefoonnummer 020-64602. Het stond op naam van de hoofdbewoner van het perceel Zeedijk 19 driehoog.
Brouwer nam het snel groeiende dossier van de man nog eens ter hand. Want de 46-jarige Frits Adriaanse – zijn telefoon werd afgetapt – kon weleens de eerste godfather van de Amsterdamse onderwereld worden. Als hij dat niet al was.
De telefoon van Adriaanse (alias ‘Frits van de Wereld’, naar zijn café op Zeedijk 10) werd afgeluisterd in verband met de handel in drugs. ‘Bij geruchte’ had de recherchevernomen dat de man hasj importeerde, duizenden kilo’s per transport. Die werden per boot uit Libanon aangevoerd. Maar op 23 oktober 1973 – ruim een maand later – bleek dat Adriaanse niet alleen in hasj handelde, maar ook in heroïne. Die dag belde ene Tine, zo luistervinkte Brouwer. Adriaanse wist aanvankelijk niet wie hij aan de lijn had, tot de vrouw zei dat ze die blonde was die bij die ‘Dooie’ in de Van Eeghenstraat had gewerkt. De vrouw wilde ‘handel’ en Adriaanse zei dat hij van dat spul had dat ze ‘bruine suiker’ noemden, horse. Of rechercheur Brouwer wist wat bruine suiker of horse was, is niet duidelijk. Hij spelde het woord fonetisch: ‘Hors.’
Maar goed, Brouwer werkte dan ook niet bij de Narcoticabrigade. Dáár wisten ze heel goed wat met brown sugar werd bedoeld: heroïne, de drug die begin jaren zeventig steeds vaker in beslag werd genomen. In 1971 nog 50 gram, maar in 1976 al 62 kilo. In die vijf jaar was Amsterdam dé doorvoerhaven voor Aziatische heroïne in Europa geworden. In 1976 erkende commissaris Gerard Toorenaar dan ook: ‘Het regent heroïne in Nederland!’ 
Heroïne bleek een dodelijke drug. In datzelfde jaar 1976 stierven in de hoofdstad 35 mensen aan een overdosis of aan vergiftiging: om de winst te optimaliseren versneden handelaren de drug met van alles en nog wat. Het aantal doden steeg in de jaren daarna sterk. In 1983 stierven 53 mensen aan de drug, vrijwel allemaal West-Duitsers. Gemiddeld werden ze 27 jaar en een paar maanden. 

Bloedige bendeoorlog
De opkomst van Amsterdam als drugsmekka begon een halve eeuw eerder met kogels, in 1918. Op 17 augustus werden in Amsterdam drie Chinezen vermoord. Ivan Liang was een jonge Chinees, die geld genoeg had om het rustig aan te doen. Hij woonde in het kosthuis van zijn landgenoot Hoy in Buiten Bantammerstraat 8 en was een gezien man. Liang werkte als tolk, maar daarvan kon hij bepaald niet rentenieren. Desondanks betaalde hij zijn advocaat altijd het dubbele van diens declaratie. 
Die dag was Liang thuis toen de deur met kracht werd opengegooid en een landgenoot het kosthuis betrad. Eenmaal binnen trok hij een zilveren Browning-revolver, liep op Liang toe en vuurde twee kogels af. Beide troffen Liang in de borst; hij was op slag dood. Later die dag zouden nog twee Chinezen worden omgelegd. Het motief bleek smokkel: vuurwapens in ruil voor opium. Tussen twee van de Chinese triades die in Amsterdam opereerden, was een bloedige bendeoorlog uitgebroken. Maar het waren niet alleen de Chinezen die in opium handelden. De aanvoer was dan wel in hun handen, de Nederlanders zaten in de tussenhandel. 
Steeds meer niet-Chinezen begonnen de drug te gebruiken. Om het gevaar te keren werd in 1919 een eerste wet aangenomen die het telen en bezit van ‘opium en andere verdovende middelen’ verbood: de Opiumwet. Opium was – net als morfine (dat uit opium wordt gewonnen) en cocaïne – nog wel op recept verkrijgbaar. Een aantal fabrikanten en apothekers mocht opium dan ook blijven produceren en verkopen.
Toch nam het gebruik niet af, merkte de politie al snel. Dus werden in maart 1921 twee man voor het drugsonderzoek vrijgemaakt: hoofdinspecteur Eduard Pateer en inspecteur Willem Slobbe: de eerste Narcoticabrigade. Ze kregen het druk. Zeker toen ze ontdekten dat juist fabrikanten en apothekers mét een ontheffing de wet overtraden. 
Om te beginnen vielen ze enkele panden binnen die toch al als verdacht te boek stonden. In perceel Warmoesstraat 11 troffen ze een complete opiumkit aan. Dat het de eerste was in een lange reeks, wisten ze toen nog niet. Maar de verbijstering over wat ze daar aantroffen blijkt uit de krantenverslagen: ‘Een inrichting met banken en getimmerten met een schuivenden Chinees erin!’ 
Eigenaar Wang Tsi Nang was de eerste op basis van de Opiumwet uit 1919 voor de rechter werd gebracht, en niet de laatste. Amsterdam bleek de doorvoerhaven voor opium (en andere drugs) te zijn geworden, nationaal en internationaal. Vanuit woningen in de Buiten Bantammerstraat werden regelmatig grote hoeveelheden opium naar Rotterdam en andere steden verscheept. De verdovende middelen kwamen via Hamburg, Nederlands-Indië en zelfs Winterswijk de stad binnen.

Geboeid en afgevoerd
Algauw ontdekten Pateer en Slobbe dat bij de Chemisch Fabriek Naarden een handelsagent zat en dat deze Verwaayen (kantoor: De Ruijterkade 20-21) de spil was in de illegale opiumhandel. Verwaayen betaalde maar liefst ƒ100 per kilo méér als de transacties buiten de boeken werden gehouden. 
Op 22 juli 1922 werden in het Oostelijk Havengebied weer twee Chinezen vermoord. “Moet dit zóó blijven?” vroeg De Telegraaf zich af. De politie reageerde met drastische maatregelen. In de ochtend van 7 augustus 1922 werden zes logementen in de stad doorzocht die als verdacht bekend stonden. Alle Chinezen werden geboeid en afgevoerd, zelfs Chinezen die toevallig in de buurt op straat liepen. Van de 377 Chinezen die waren gearresteerd, mochten er uiteindelijk 170 blijven: zij die legaal in het land waren én werk hadden. De overigen werden per SS ‘Ambon’ weggestuurd. Maar de deportatie stopte het dodelijke geweld niet. In september werd de volgende Chinees doodgeschoten.
Ondertussen trok Verwaayen zich weinig aan van de waarschuwingen die hij kreeg en bleef de wet overtreden. Op 31 januari 1923 rapporteerden de speurders Pateer en Slobbe dat ze een Duitser hadden opgepakt die het kantoor van Verwaayen verliet met 22 stukken opium. Tijdens een verhoor bekende hij de opium voor ƒ382 gulden te hebben gekocht. Daarop werd een inval gedaan in het kantoor en de woning van de handelsagent. Bij Verwaayen thuis vond de politie niets, maar in zijn kantoor en in de schuur van zijn buurman vond ze 46 en 22 kilo, ter waarde van zo’n ƒ2000. Hij kreeg veertien dagen gevangenisstraf.
Opium was overigens niet de enige drug die zonder recept verkrijgbaar was. Op 8 mei 1923 werd het de Narcoticabrigade duidelijk dat bij apotheker Sanders, Rokin 8, “zonder recept groote hoeveelheden morphine” te krijgen waren. Een van de afnemers was barones Josephina Maria van Ittersum-Schreiner te Arnhem. Ze werd verhoord en vermaand, maar daar bleef het bij. Sanders werd evenmin vervolgd.
Dan was er ook nog cocaïne, dat legaal werd geproduceerd door de Nederlandsche Cocaïnefabriek op de Duivendrechtsekade. Cocaïne werd vaak voorgeschreven als middel tegen verslaving aan morfine. Hoeveel gebruikers overleden aan opium, morfine en coke is niet bekend. Vermoedelijk vele, maar die verdwenen in de overlijdensstatistieken.

Doorzeefde Chinees
In november 1931 was het opnieuw raak, wéér een “typisch Chineesch” geval van moord volgens De Telegraaf. In november van dat jaar werd de moordenaar van tolk Ivan Liang doodgeschoten. Wraak.
Na deze laatste moord keerde de rust in China Town terug, voor langere tijd zelfs. In 1940-1945 kwam de handel geheel stil te liggen en na de oorlog gebruikten alleen nog een paar oudere Chinezen opium. Zolang ze dat buiten het zicht deden en ze zich niet schuldig maakten aan criminele activiteiten, liet de politie ze hun gang gaan. Bovendien verschenen er nieuwe drugs op de markt: marihuana en lyserginezuurdiëthylamide oftewel LSD. Die drugs kreeg alle aandacht, waardoor de Narcoticabrigade nauwelijks doorhad dat er een gevaarlijker drug populair werd: heroïne, dat uit morfine – en dus uiteindelijk uit opium – wordt gewonnen. 
In de nacht van 14 mei 1969 werd de Narcoticabrigade wakker geschoten. Op de hoek van de Geldersekade en de Nieuwe Jonkerstraat lag het doorzeefde lichaam van de Chinese eigenaar van een illegaal gokhuis in de Binnen Bantammerstraat. Uit het onderzoek bleek dat Chinezen zich op grote schaal bezighielden met de lucratieve smokkel in heroïne. Heroïne werkt sneller dan morfine – je bent dus ook sneller verslaafd. 
Heroïne zou honderden junkies het leven kosten en het leven van de bewoners van de Zeedijk en omgeving tot een hel maken. Maar het was een bewoner van de Zeedijk die in heroïne zou gaan handelen: ‘Frits van de Wereld’, die het zou schoppen tot een van Amsterdams roemruchtste criminelen. Hij zou het tot aan zijn dood ontkennen, maar rechercheur Brouwer van de CID wist wel beter.

Blonde Greet
Eind 1973 luisterde Brouwer – inmiddels bijgestaan door rechercheur Volkert Seket – een gesprek af van Adriaanse voerde met telefoonnummer 222610, van eethuisje De Zeemeeuw, Zeedijk 51. Uitbaters waren Gijsje Balk – beter bekend als ‘Blonde Greet’ – en haar Indonesische man Yusup Alcatiri. Blonde Greet had “spul” gekocht van Chinezen en doorverkocht aan ene George, die het op zijn beurt had geleverd aan… Dat wist ze niet, maar vaststond dat twee gebruikers aan die vervuilde heroïne waren overleden. 
Ook op een andere manier merkten Brouwer en Seket dat Frits Adriaanse steeds nauwer met Chinezen samenwerkte: sommige gesprekken die vanuit zijn woning werden gevoerd, waren in het Chinees. Brouwer en Seket hoorden een paar maal de naam ‘Singapore’ vallen. 
In april 1974 werden Adriaanse en Blonde Greet opgepakt. Niet voor de smokkel van heroïne, maar van duizenden kilo’s hasj met de kotter ‘Lammie’. Adriaanse kreeg anderhalf jaar cel, Blonde Greet hoefde ook niet lang te zitten.
Maar in januari 1978 stond zij weer voor de rechter – en nu wel voor de smokkel van heroïne. Op verzoek van de Chinees Ling Kioe Tan – maar toch vooral op aandringen van Adriaanse – had ze drie reizen van Kuala Lumpur naar Nederland gemaakt met in haar koffer kilo’s heroïne. Ze had het verzoek van ‘Tiger’ Tan gehonoreerd omdat ze in geldnood zat door een forse belastingschuld, een naheffing wegens de affaire-Lammie. Blonde Greet werd wederom veroordeeld, maar Adriaanse ontsprong nu de dans. Zijn rol als bemiddelaar kon niet worden bewezen. Na zijn dood zou Blonde Greet toegeven dat hij die rol wel degelijk had gespeeld en er zelfs voor was betaald. 
Op een andere manier zou Adriaanse wel boeten: zijn zoon Reinier overleed aan het gebruik van heroïne – als een van de velen. 

Beeld: Collectie Stadsarchief. Waarschuwingsaffiche opgeplakt op een muur aan de kop van de Zeedijk naar aanleiding van de misdaad en het gebruik van verdovende middelen. Ino Roël, oktober 1981.

Delen:

Jaargang:
2008 60
Buurten:
Centrum
Dossiers:
Kunst en Cultuur
Editie:
November
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950