Het laatste Begijntje

Zuster Antonia verdeelde haar dagen in gebed en goede werken

Kort na haar 40ste trad Agatha Kaptein toe tot de Amsterdamse begijnen. Ze ging een leven in afzondering en soberheid tegemoet. Gestaag nam het aantal medezusters af, tot ze nog alleen over was. ‘Ze zag Gods wil door eigen bril’, zei de deken bij haar begrafenis.

Op 23 mei 1971 ontsliep op het Begijnhof “na een langdurige en pijnlijke ziekte” Zuster Antonia. Ze was geboren als Agatha Kaptein en ze was 84 jaar oud. Enkele kranten maakten er weemoedig melding van: met Zuster Antonia was “het laatste begijntje” van Amsterdam overleden. Er was een einde gekomen aan een religieuze gemeenschap die zes-en-een-kwart eeuw op dezelfde plaats had geleefd. Al in 1346 bestond er in Amsterdam een ‘beghynhuys’; in 1389 was er voor het eerst sprake van een hof.

Begijnenzusters waren geen kloosterlingen, maar vrouwen die kozen voor een eenvoudig, teruggetrokken bestaan in gezelschap van geloofsgenoten. Ze legden wel een gelofte af, maar bleven in juridische zin zelfstandig en konden, als ze dat wilden, het hof verlaten – om te trouwen, bijvoorbeeld. De meeste huizen in het hof waren particulier bezit en aan de kwaliteit valt te af te lezen dat veel zusters uit de betere Amsterdamse families kwamen.

Er is niet zoveel over Zuster Antonia bekend. Haar wieg stond in Akersloot, een katholiek dorp aan het Alkmaardermeer, achtste in een gezin met dertien kinderen, van wie er vier in hun eerste jaar stierven. Een jaar eerder was er al een Agatha ter wereld gekomen, die overleed toen ze acht maanden oud was. Vader Adrianus ‘Arie’ Kaptein (1854-1940) was landbouwer en veehouder en telg uit een katholiek geslacht dat tot in de 17de eeuw terugging. Hij behoorde zeker niet tot de mindere dorpsbewoners. Van 1905 tot in de jaren dertig was hij bestuurslid van de lokale Coöperatieve Christelijke Boerenleenbank.  

Afzondering

Wanneer precies Agatha voor een leven in het Amsterdamse Begijnhof koos, is onbekend. Evenmin waarom. In juli 1926 overleed haar moeder, Elisabeth Swart, en drie maanden eerder verloor ze haar enige broer, Reinier. Zes van de zeven zussen waren al getrouwd. Agatha en haar jongere zus Koosje woonden nog thuis bij hun vader Arie, inmiddels dik in de zeventig. Agatha zal zich hebben bezonnen op haar toekomst; misschien maakte de erfenis van haar moeder het mogelijk dat ze zich in het Begijnhof inkocht. In 1932 wordt ze op de Amsterdamse woningkaarten als bewoonster van Begijnhof 26 vermeld. Ze is dan 45 jaar oud.

Het Begijnhof was een instelling “die een tusschenstaat vormt tusschen het leven in de wereld en het kloosterleven”. Zo stond het in de statuten van 1926, die elke maand aan de zusters werden voorgelezen. De afzondering maakte het gemakkelijker “de zelfheiliging te bewerken”. De begijnen wijdden zich aan de devotie tot het Heilig Sacrament en baden “voor de bekeering der onkatholieken in ons Bisdom”.

Vrouwen konden pas intreden vanaf hun 30ste en alleen als ze van onbesproken gedrag waren. Dat betekende ook dat ze niet ‘bevlekt’ mochten zijn door ‘onechte geboorte’ of ‘eerloosheid der ouders’. Ze moesten ongehuwd zijn – weduwen mochten ook – en dienden een kapitaal van ten minste f 650,- te storten. Uit de rente ontvingen de zusters een toelage. Na een jaar proeftijd legden ze de ‘tijdelijke gelofte’ af van zuiverheid en gehoorzaamheid. Antonia vierde op 26 juni 1959 haar 25-jarig ‘professie-feest’: zij had die gelofte dus in 1934 afgelegd.

Stilzwijgen

Een begijn moest in haar eigen onderhoud kunnen voorzien. Ze had eigen inkomsten, betaalde gewoon huur en bekostigde zelf haar habijt. Veel begijnen werkten buiten de deur, als ziekenverzorgster of in het onderwijs. Sommigen bewoonden een heel huis, anderen één of meer kamers. Het was wenselijk dat twee of meer zusters samenwoonden. Ze mochten dienstbodes hebben.

Het leven in het Begijnhof kende een geordende verloop: bezoek aan de mis om half zes ’s ochtends, daarna werkzaamheden, koffiedrinken, gemeenschappelijk gebed, een paar uur vrije tijd, enzovoort. Natuurlijk werden de zusters geacht sober en eenvoudig te leven: “Ofschoon de Bagijn geen gelofte van Armoede aflegt, moet zij toch groote liefde voor de deugd van armoede en eenvoudigheid in kleeding en huisraad hebben.”

Het huurreglement van 1917 schreef ‘stilzwijgen’ voor tot 12.00 uur en tussen half vijf en half zeven. Er waren nogal wat verboden. Zo mochten personen van het mannelijk geslacht niet blijven overnachten. Evenmin was het toegestaan om wasgoed buiten te drogen, buiten bepaalde tijden matten te kloppen en duiven, kippen, honden en andere viervoetige dieren te houden, uitgezonderd één kat. Zuster Antonia trof het: ze woonde in het huis Bethanië, Begijnhof 26, uit 1736, met een fraaie halsgevel en in het interieur rijk stucwerk en gesneden kamerdeuren. Begijnhof 26 was in 1862 ingericht tot Convent Bethanië voor de negen toen nog resterende begijnen. In 1950 woonden er tien zusters. Dat jaar richtte Antonia met moeder-overste Josephine en de zusters Bernadette en Johanna een schriftelijk verzoek aan de deken van het bisdom Haarlem, de Geestelijke Vader van het hof.

Armoedegelofte

Meerdere zusters wilden graag een gelofte van armoede afleggen, schreef Josephine, om zo dichter bij God te komen, en vanwege nog een tweede reden: “Hoog Eerwaarde Deken, ook zou ik het gaarne willen om de zo noodzakelijke eenheid onder de Zusters erin te krijgen. De meeste Zusters kunnen door de tijdsomstandigheden van hun rente, f 12,- per half jaar, niet in het onderhoud van hun kleding voorzien, terwijl daarentegen anderen zich ruim kunnen bewegen, wat op z’n tijd moeilijkheden meebrengt.” Als de zusters zo’n gelofte mochten afleggen – en daarmee in feite verklaarden dat ze niet konden rondkomen – werd het makkelijker, aldus de moeder-overste, om ze ‘naar behoefte’ te helpen uit de gezamenlijke kas. Antonia ondertekende zo te zien met een bibberende hand. Eind jaren zestig waren er nog drie zusters over. Ze verhuisden toen naar het souterrain.

Er is weinig bekend over hoe Antonia haar leven in het Begijnhof vormgaf. Ze leidde een devoot leven, zegt het bidprentje dat na haar overlijden gedrukt werd, “haar dagen verdelend in gebed, aanbidding en goede werken. Met de sterke wil, haar eigen, is zij trouw geweest in gehoorzaamheid, reinheid en stipte armoede.” Haar laatste jaren waren door ziekte “een zware loutering”. De deken van Amsterdam, Jac van der Hoogte, hield de uitvaartrede. Hij sprak over haar hart “goed en ruim” en haar leven “eerlijk en nederig”. Antonia had jarenlang “voor de missie en de Nederlandse priesters in Frankrijk” gebedeld – ze schoot bezoekers van het Begijnhof aan voor een gift – en bad zó vaak “dat ze meende te weten wat God wilde”. De deken: “Ze zag Gods wil door eigen bril.” Antonia kreeg haar laatste rustplaats in het zustergraf op de begraafplaats Sint Barbara.

Tekst: Koen Kleijn mei 2021 

Beeld header: Ton van der Wal / Stadsarchief Amsterdam. 

MET DANK AAN: WIL BUUR, ‘DE LAATSTE BEGIJN… KWAM UIT AKERSLOOT!’, JAARBOEK VAN DE HISTORISCHE VERENIGING OUD-AKERSLOOT, 2018, blz. 4-11.

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Religie
Editie:
Mei
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000