Het HUK, ‘Spuithol in de Spuitstraat’

Op de begane grond van een studentenpand in de Spuistraat zat van 1974 tot 1982 het HUK (de Huis- en UitkeringsKamer). Zwaar verslaafden konden er overdag terecht om heroïne te gebruiken. Een junkieparadijs of een bunker vol waanzin?  

“Het HUK! Godallemachtig, denkend aan het HUK zie ik oude watjes door de lucht zeilen, en er is altijd wel iemand die ze opvangt om er nog een shotje uit te persen. Als ik aan het HUK denk, krijg ik jeuk, dan is het alsof vuile Jantje weer te dicht bij me in de buurt komt. Herinneringen aan dit legendarische huiskamerproject voor heavy junks knallen als beschimmelde popcornklonters uit mijn kop, POP POP POP.” 

Schrijver en ex-gebruiker René Stoute vond in 1994 moeiteloos de woorden om de sfeer in de Huis-UitkeringsKamer – het HUK – te beschrijven. Al in 1982 had hij naam gemaakt met Op de rug van vuile zwanen over zijn junkiebestaan. Het HUK was een project van de in 1972 opgerichte Stichting Sociale Kontakt Centra (SKS). Met subsidie van de gemeente opende het HUK twee jaar later zijn deuren om heroïneverslaafden ‘alternatieve’ hulp te bieden in de vorm van bemiddeling, huisvesting, medische zorg en beheer van uitkeringen. Alternatief wil zeggen: niet op afkicken gericht. In het HUK konden ze een maaltijd krijgen en wonden laten behandelen door een arts. Af en toe waren er ook activiteiten en excursies, zoals bootreisjes. Het HUK was bedoeld voor zwaar verslaafden die (nog) niet waren afgekickt; het was dan ook toegestaan om binnen heroïne te gebruiken. Op initiatief van HUK-arts André Havas werd er ook methadon verstrekt.

De plek waar het allemaal gebeurde, was de benedenverdieping van een studentenpand op Spuistraat 64. Er was een grote ruimte met een pingpongtafel en rechts toiletten en douches. Aan de straatkant stonden in een lange, smalle ruimte een tafel en een naaldenautomaat – naalden kostten 1,- per stuk. Ook was er een dokterskamer. De muren zaten vol met graffiti, ook een tekening van Marilyn Monroe.

 

Subcultuur

In het HUK manifesteerde zich de grimmige subcultuur van heroïnegebruikers tijdens de ‘heroïne-epidemie’, die in de jaren zeventig en tachtig in Amsterdam woedde, mede door de enorme hoeveelheid heroïne uit Azië. ‘Rock-’n-roll junkie’ Herman Brood kwam er regelmatig en de Amerikaanse schrijver William Burroughs (Junkie, 1953) las er ooit voor uit eigen werk. Journalisten beschreven het als een centrale plek in het leven van de gebruikers. Volgens directeur Eric Fromberg hadden ze een dubbele kijk op het HUK: “Aan de ene kant wordt neergekeken op het HUK. Aan de andere kant is het natuurlijk het summum, de top van een junkie-carrière. Alleen een gediplomeerde junk mag het HUK in.”

Tegenwoordig is de geschiedenis van de heroïne in Amsterdam door de afname van het gebruik en de dood van vele verslaafden bijna uit het geheugen verdwenen. Letterlijk weggestopt zelfs: waar destijds het HUK was, zijn nu woningen. Was het een veilige huiskamer, waar je goed werd geholpen door stafleden? Of was het “een eindstation voor de ergste gevallen van heroïneverslaving”, dat “spuithol in de Spuitstraat”, waar een lugubere sfeer heerste, zoals de Amsterdamse wethouder van volksgezondheid Willem Polak het in 1982 omschreef?

De historicus Gemma Blok en ik interviewden in maart 2016 drie oud-bezoekers van het HUK over hun heroïneverleden voor een onderzoek naar de heroïne-epidemie in Amsterdam. Eric Hoogendorp (1948) behoorde tot de eerste groep gebruikers in Amsterdam. Eerst mochthij het HUK niet binnen, omdat hij “te heavy” was – hij stond bekend als ‘Gemene Eric’ –, maar al snel was hij er regelmatig te vinden, omdat hij bevriend was met ‘Demmy’ en Ronnie Vos, die vaak voor de deur dealden. Eric Krabbenbosch (1950) kwam de eerste jaren slechts tot de deur. HUK-arts Havas zei hem dat hij er niet hoorde, maar dat hield niet lang stand: “Op een gegeven moment ga je er gewoon in en toen bleek dat er helemaal geen handhaving was.”

 

Geweld

In de loop van het eerste jaar kregen dealers als ‘Bolle Sjonnie’ het voor het zeggen. Ronnie Vos was volgens Krabbenbosch feitelijk degene die besliste wie naar binnen mocht; niemand van het HUK zelf stond bij de deur. De ‘zware jongens’ bepaalden de sfeer. Krabbenbosch over Demmy en Bolle Sjonnie: “Die konden daar flink tekeergaan. Als er ruzie was, dan was het kortstondig heel ongezellig, heel agressief.” Het geweld kwam vooral van mannen als Demmy, want de rest van de HUK-bezoekers was te zwak. “De staf kon niet tegen hem op. Hij trad op als iets hem niet zinde. Als hij het idee had dat lui dealden aan zijn klanten in het HUK dan sloeg-ie er op los, als in een film (...). Hij was de kingvan het HUK”, zegt Krabbenbosch. 

Johan Boer (1963) kwam eind jaren zeventig bij het HUK. Eerst werd hij geweigerd, maar toen hij geelzucht kreeg en er slecht uitzag, kon hij “gewoon doorlopen”. Hij bleef nooit lang: scoren en weg. “Effetjes een paar puntjes of zo, maar ik smeerde hem gauw, want ik was toch een jaar of tien jonger dan die jongens daar en het HUK stond bij mijn generatie bekend als plek waar je niet wilde belanden.” 

Toch was er een “vreemde gezelligheid”, aldus Krabbenbosch, wanneer er geen spanningen waren. Hoogendorp: “Ja, dan was iedereen aan het schaken, tafeltennissen of andere bordspellen aan het doen.” Er stond een televisie en er klonk radiomuziek. Aan muziek was sowieso geen gebrek: veel HUK-kers waren getalenteerde muzikanten. Nogal wat cliënten konden goed tekenen of schilderen, onder wie Peter Pontiac. “Zolang er niet werd gemept, je niet ziek was en geld had om wat bij die Bolle te kopen om wat te gebruiken, had het de warmte van dehorse[heroïne red.] zelf”, zegt Krabbenbosch. Hoogendorp: “Er was een lange tafel waar je met zijn allen aan kon zitten. Directeur Eric Fromberg stond met kerst ook te koken, vulde kalkoenreten met kastanjes, dan kreeg je de man een kalkoen wel, ladingen.”

 

Spuiten

Deze ‘vreemde gezelligheid’ komt zelden naar voren in beschrijvingen door buitenstaanders, zoals het verslag van ‘Dick’, een Rotterdammer die op 27 augustus 1977 met een collega het HUK bezocht met plannen om in de Maasstad een soortgelijk opvangcentrum op te zetten. “Binnengekomen valt direkt [sic] de ontzaggelijke puinhoop, in de grote kale ruimte, op. Spuiten en papiertjes op de grond. Met de tafels is het niet anders gesteld.” Haagse Post-journalist Ton van Dijk omschreef het HUK als een plek waar het altijd donker was: “... een hol (...) waar de bloedspatten diep in het hout van de tafels waren gedrongen, de ijskast altijd zwaar op slot moest en de staf werd bevolen watten aan te reiken en glaasjes water neer te zetten om te spuiten.” Junks zaten aan grote tafels en namen hun shot: “Die tafel is geen gewone tafel, het lijkt meer op een hakblok van een slager. Overal bloed, schroeiplekken, as, nattigheid, kleverig en weeïg ruikend.” Krabbenbosch: “Iedereen deed dat gewoon. Je ging niet naar het toilet om een shot te zetten.” 

Spuiten ging niet altijd even soepel, omdat bloedvaten geïrriteerd raakten. Soms leverde dat onsmakelijke taferelen op. Boer: “Er waren ook gasten die zaten ook echt te freaken, een kwartier lang met dat ding in hun arm en steeds weer dat bloed erin trekken en gewoon kicken, dat ging niet meer hoor, die aderen.” Hoogendorp: “Tussen de tenen hè, spoten ze ook. Ik deed het ook vaak in mijn voet hoor, of in mijn dij.” Ook cocaïne was in het HUK te krijgen. Maar die vrij dure luxedrug speelde in de wereld van de junkies niet zo’n grote rol, totdat het spuiten van een speedball populair werd: een combinatie van heroïne met cocaïne. 

 

Slachtoffer

Het HUK wilde alle negatieve verschijnselen die drugsgebruik met zich meebracht tegengaan: sociaal isolement, criminalisering, stigmatisering, verpaupering en vervreemding. Niet het drugsgebruik zelf: dat was een vrije keuze en diende niet veroordeeld te worden, juridisch niet en evenmin moreel. HUK-arts Havas werkte aan het zelfvertrouwen van de cliënten, aan het tegengaan van isolement en aan het ontmythologiseren van heroïnegebruik. De verslaafde was een slachtoffer, een slaaf van zijn levenswandel, vooral van de constante zoektocht naar geld die vaak leidde tot criminaliteit. Centraal stond het doorbreken van die vicieuze cirkel. De verslaafden waren ook slachtoffer van het Nederlandse drugsbeleid: de illegaliteit van heroïne en de hoge prijzen maakten het ze lastig om te functioneren in de maatschappij. 

Het personeel moest cliënten dus vooral individueel begeleiden bij hun gebruik. Er was ook een ‘buitendienst’. Dan ging een staflid bijvoorbeeld op ziekenhuis- of gevangenisbezoek bij cliënten, bezocht hij samen met cliënten instanties als de GGD en de tandarts of bemiddelde hij bij het vinden van een woning. “Steeds meer oude bekenden verdwenen in de lik, velen raakten hun huis kwijt en waren voor een maaltijd, een douche, hun uitkering, hun pillen en een plek om te spuiten volledig afhankelijk van het HUK”, schreef René Stoute. 

Jaarlijks kreeg het HUK zo’n 2,5 miljoen om de taken uit te voeren en personeel te betalen, een bedrag dat door het grote aantal verslaafden al snel te weinig was. Bij de allereerste subsidieaanvraag was gerekend op een capaciteit van 25 verslaafden met een uitloop tot 40. Vijf jaar later waren het er ongeveer 250, waarvan zo’n 150 door het HUK geregistreerd. Het personeel kon het werk niet meer aan en een staflid meldde dat “de scene” bezit had genomen van het HUK.

 

Mishandeld

De omwonenden waren bepaald niet blij met de overlast die cliënten veroorzaakten. In mei 1977 verzamelde de stichting Spuistraat Nieuwe Stijl in de buurt zo’n 700 handtekeningen om het HUK te laten sluiten. Aanleiding was de overval op een vrouw, waarbij ze werd mishandeld, door een cliënt. Vier jaar later signaleerde Het Parool: “Hier in het steegje wordt dagelijks een enorme hoeveelheid heroïne verhandeld, enorm veel auto’s opengebroken, insluipingen in hotels, junks spelen volleybal met gestolen handtassen die ze op de tramhalte pakken.” De klachten leidden er wel eens toe dat de handel bij de deur zich naar binnen verplaatste.

Die clientèle was een mix van generaties. De ‘oude scene’ bestond vooral uit mensen met een artistieke achtergrond, die ervaring hadden met meerdere soorten drugs: de oudste en meest doorgewinterde junks van Amsterdam. “De groep die alles gezien en meegemaakt had en waarvan al een behoorlijk aantal op kosten van de bijstand gecremeerd was”, aldus Ton van Dijk. Boer omschreef ze als “...een typisch blanke scene van mensen die vaak al in de late jaren zestig aan de opiaten waren gegaan. Een enkele verdwaalde indo misschien, maar geen negers en andere kleurlingen. Ook weinig of geen Europese buitenlanders. Er zaten veel van die typisch Amsterdamse jongens bij, zoals Eric Hoogendorp, vaak uit arbeidersmilieus.” 

De nieuwe gebruikers behoorden tot de ‘Wallenscene’: jongeren uit kansarme milieus, beginners en buitenlanders. Voor de laatste twee groepen bleef de deur gesloten. August de Loor, hulpverlener en voorzitter van de Amsterdamse Junkiebond, zei ten tijde van de sluiting dat hij hard geknokt had om jonge jongens niet toe te laten, bang als hij was dat ze zouden ‘verhukken’, oftewel verjunken. 

 

Ritssluitingen

Eind 1982 ging de geldkraan dicht: er waren veel klachten uit de buurt, de overlast was te groot. De ruimte werd een paar maanden gekraakt door cliënten, die daarna nog een half jaar elders op eigen houtje een HUK opzetten. Hoogendorp ging afkicken. In de kliniek vroeg hij zich af wat hij moest doen, er was immers een gat van twintig jaar. Hij besloot te gaan zwemmen, hoewel dat niet altijd hielp. “Ik zwem wel, maar het zegt me niks, weet-je-wel, je zit met een ongelooflijk zwart gat van niks, dat wordt niet opgevuld door borstcrawl en een gevulde koek.” Hij laat zijn gehavende armen zien, die hij ook wel ritssluitingen noemt: “Hiero, dit is twintig jaar ‘aan de naald hangen’.” Boer is veel vrienden kwijtgeraakt: aan een overdosis, verwaarlozing of zelfmoord, ook enkele aan hepatitis C, een ziekte die hijzelf en Krabbenbosch ook hebben gehad.

Vaak verzwijgen Johan Boer en Eric Krabbenbosch hun verleden. Boer: “Je wordt meteen gestigmatiseerd.” Krabbenbosch: “In het begin kon je er nog wel eerlijk over zijn, maar eind jaren zeventig, tachtig niet meer.” Eric Hoogendorp sprak tien jaar niet over zijn gebruikerstijd: “Nooit, never, weet-je-wel, dat moest je diep wegstoppen.” Krabbenbosch: “En al helemaal het HUK.” 

AIMÉE PLUKKER IS PROMOVENDUS AAN DE CORNELL UNIVERSITY (VS), WAAR ZE ONDERZOEK DOET NAAR NAOORLOGS AMERIKAANS TOERISME IN EUROPA. IN 2018 VOLTOOIDE ZE DE ONDERZOEKSMASTER GESCHIEDENIS AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM. 

 

DE NAAM JOHAN BOER IS GEFINGEERD; DE WERKELIJKE NAAM IS BIJ DE REDACTIE BEKEND. EEN EERDERE VERSIE VAN DIT ARTIKEL VERSCHEEN IN SKRIPT HISTORISCH TIJDSCHRIFT38.4 (2016).

 

Decembernummer 2019

Beeld: Interieur van het HUK in 1975. Foto gepubliceerd in Mainline, mei 1994 (uitgave van de gelijknamige stichting), bij een artikel van schrijver René Stoute 

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
December
Jaargang:
2019 71
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1950-2000

Gerelateerd

Straatfiguren. Arie 'Charlie' Vlug (1917-1996)
Straatfiguren. Arie 'Charlie' Vlug (1917-1996)
Verhaal 1 december 2019
Straatfiguren. Tante Saar, bloemenkoningin
Straatfiguren. Tante Saar, bloemenkoningin
Verhaal 1 december 2019