Het einde van het Zeemagazijn op Oostenburg

‘Zeeslot’ stort ineen

13-14 april 1822

 

Gedonder en geraas wekten de bewoners van de Oostenburgerstraat om half twee ’s nachts uit hun slaap: het oude Zeemagazijn van de Verenigde Oost-Indische Compagnie stortte ineen. Symbolischer kon het einde van het roemruchte ‘VOC-verleden’ nauwelijks zijn. Er viel één dode en vier werklieden raakten gewond.

 

Anderhalve eeuw lang was Oostenburg met de VOC-werf het centrum van de Amsterdamse overzeesehandel. En centraal op het haveneiland stond het allesoverheersende Oost-Indisch Zeemagazijn, gebouwd in de jaren 1661-1663, het immense pakhuis van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Het gebouw was het grootste van de stad en besloeg met ruim 215 meter bij 25 meter de gehele breedte van de werf. De twee vleugels telden vier verdiepingen, plus nog een dubbele vliering. Stadsarchitect Daniel Stalpaert had zich mogen uitleven. De entree was te bereiken via een brug aan het einde van de toenmalige Grote Oostenburgerstraat en een poort “van de Toskaansche bouworde” (te herkennen aan de gladde zuilen). Het pakhuis werd ook wel het ‘Oostindische Buitenhuis’ genoemd, ter onderscheid van het Oost-Indisch Huis in de binnenstad, de vergaderplaats van de Heren Zeventien.

In het Zeemagazijn lagen bevoorradingen opgeslagen voor vertrekkende Oost-Indiëvaarders. Opvallender en geuriger waren de kostbaarheden uit de retourschepen uit Azië, reden voor de dichter Antonides van der Goes om het te beschrijven als “het zeeslot vol Oostindiaensche waren”. De rechterkant van de benedenverdieping was een opslagplaats voor spijkers, kabels en touwwerk. Links zat een ruim slachthuis, waar wel zestig koeien tegelijk aan de haak konden hangen; hun vlees ging gepekeld mee op de lange heenreis naar de Oost. De eerste verdieping bood aan de achterzijde bergplaatsen voor andere scheepsbenodigdheden. Aan de voorkant zaten het porseleinmagazijn en de zolders voor peper en specerijen.

Op de specerijenzolder selecteerde VOC-personeel ook de ‘cauris’: kleine schelpjes, hoofdzakelijk afkomstig van de Malediven, die in Oost-Afrika en Zuid-Azië als betaalmiddel dienden. Een verdieping hoger was nog meer ruimte voor peper en andere specerijen, en ook een loods van de huistimmerlieden. Daarboven lag de kaneelzolder en op de vliering was de werkplaats van de zeilmakers, tot zij in 1752 naar een apart gebouw verhuisden. Erg stabiel was het Zeemagazijn niet en de compagnie besteedde onvoldoende geld aan behoorlijk onderhoud. Al in de 18de-eeuw moesten de vier schoorstenen weg, omdat die het magazijn “te zeer bezwaarden”. Sindsdien kon binnen geen vuur meer worden gemaakt en moesten de magazijnwerkers in de kou schelpjes selecteren en peperbalen sjouwen.

 

Het volledige artikel lezen? Je vindt het in ons aprilnummer.

Word abonnee van Ons Amsterdam en profiteer van introductiekorting + cadeaus

Ons Amsterdam vertelt 10 x per jaar de mooiste, spannendste, wonderlijkste, kleurrijkste verhalen uit de Amsterdamse geschiedenis.

 

 

Beeld: Koning Willem I neemt een kijkje bij de ruïne van het Zeemagazijn in de ochtend van 16 april 1822, enkele dagen na de ineenstorting. Tekening: Cornelis de Kruyff. Collectie Stadsarchief Amsterdam

Delen: