Het Amsterdam van Theo Thijssen

Waar woonde Kees Bakels, alias Kees de jongen? Waar beoefende hij zijn ‘zwembadpas’? Waar bracht Ko uit het kruidenierswinkeltje zijn jongensdagen door? En waar stond meestal Staal voor zijn (gelukkige) klas? Het beste antwoord is natuurlijk: in de fanatasie van Theo Thijssen. Maar daarbij hoeven we het niet te laten…

Eigenlijk bestaan er twéé Amsterdams van Theodorus Johannes Thijssen (1879-1943), die grof gerekend ieder behoren bij één helft van zijn leven. Het ene is het Amsterdam van zijn jeugd en eerste volwassen jaren. Die levensfase speelde zich goeddeels af in het westelijk stadsdeel, met de Westertoren als middelpunt. In 1909 verhuisde hij naar het oostelijk deel van de stad, waar hij al enige jaren lesgaf. Daar bleef hij zijn hele leven wonen en lange tijd ook werken.
Dat Amsterdam van zijn tweede levenshelft, Oost dus, is veel minder herkenbaar in Thijssens literaire werk dan het Amsterdam van zijn jeugd; je moet nauwkeurig lezen om te achterhalen dat de romans Schoolland (1925) en De gelukkige klas (1926) in dit stadsdeel ‘spelen’. De twee boeken vormen één verhaal, dat eerder (1923-1925) als feuilleton verscheen in het door Thijssen geredigeerde blad School en Huis, een uitgave van de Nederlandsche Bond van Onderwijzers. Van die bond was Thijssen sinds 1921 bezoldigd bestuurder en in het vervolgverhaal verwerkte hij veel ervaringen uit zijn 23-jarige onderwijzersloopbaan, sinds 1898. De twee romans hebben de vorm van het dagboek van meester Staal, onderwijzer op een Amsterdamse ‘volksschool’. Staal krijgt een nieuwe klas, en onderwijzer en leerlingen worden langzamerhand een hechte eenheid, een bondgenootschap tegenover de bemoeizuchtige buitenwereld. Uit de epiloog van De gelukkige klas blijkt dat het verhaal speelt omstreeks 1905. Wáár meester Staal lesgeeft, staat er niet met zoveel woorden in. In beide boeken komen slechts twee straatnamen voor: de Dapperstraat (waar leerlingen Fok Goosens en Garres de Veer sinaasappels stelen van een marktkar) en – heel exact – Vrolikstraat 279, driehoog achter: het adres van leerling Kris Beekbergen. De school staat in ieder geval vlak bij een park, en als meester Staal met zijn klas dat park doorwandelt, komen ze al gauw bij “de ringvaart”: van de Watergraafsmeer, dus. Dat park moet dus wel het Oosterpark zijn. En dan is het wel erg verleidelijk te denken dat Thijssen het beeld voor ogen had van de school waar hij zelf sinds 1905 lesgaf: Openbare Lagere School nr. 104, Tweede Boerhaavestraat 80, pal naast het park.
Meester zelf woont tamelijk dichtbij de school. Misschien wel in de Transvaalbuurt, waar Thijssen woonde van 1909 tot 1937. Maar voor die veronderstelling is niet zoveel grond, want de looproute van Staal wordt niet precies beschreven. En al is Staal overduidelijk de belichaming van Thijssens pedagogische idealen, hij is niet zijn evenbeeld. Zo is meester Staals enig kind een meisje; Thijssen kreeg eerst drie zoons en toen pas een dochter. En Staal heeft nog twee ouders, terwijl Thijssens vader stierf toen Theo nog een jongen was.

Ei, ei, ben jij d’r zó eentje geweest?’
Het vereenzelvigen van de schrijver met zijn romanfiguren is kortom een hachelijke onderneming. Thijssen zelf trok daartegen fel van leer in zijn échte jeugdherinneringen, In de ochtend van het leven, verschenen in 1941: “Als ik een roman schrijf, waarin een man van vrouw verwisselt, zal niemand het in zijn hoofd halen naar me toe te komen en met een familiaar knipoogje zetten: ‘Ei, ei, ben jij d’r zó eentje geweest?’ Maar als ik beschrijf hoe een kleine jongen naar het zwembad gaat, dan twijfelt men geen ogenblik en laat het zich door niemand en allerminst door de auteur uit het hoofd praten: dat is de kleine Thijssen geweest, dat jongetje in ’t zwembad! Wie van jeugd vertelt, aldus de gemoedelijke algemene opinie, die fantaseert niet, die romantiseert en componeert niet, maar geeft eenvoudig: verslag van een stuk eigen jeugdleven. Men is daarmee mis, althans wat mijn boeken betreft. In de boeken die men voor mijn jeugdherinneringen aanziet, heb ik, voor zover mij dat bewust is, nergens iets beschreven dat mij persoonlijk is overkomen. Zij waren zuiver fantasie. Natuurlijk is het mogelijk dat buiten mijn weten om tóch een totaal vergeten jeugdherinnering tot een romanstukje is geworden. Maar dan heb ik een moment van inzinking gehad, een ogenblik van verslapping in de tucht die een schrijver zich behoort op te leggen.”
We mogen wel vaststellen dat Thijssen heel wat van die ‘inzinkingen’ heeft gehad. Hiervan is datzelfde boek In de ochtend van het leven het beste bewijs. Thijssen beschrijft daarin zijn eerste vijftien levensjaren, waarvan hij er de eerste tien woonde in de Eerste Leliedwarsstraat (nummer 16, later 7), in de schaduw van de Westertoren. Zijn vader had er een schoenwinkel met werkplaats; in 1889 verhuisde het gezin naar Runstraat 25. Toen Theo’s vader tuberculose kreeg, werd de schoenenzaak verkocht en volgde wéér een verhuizing: nu naar Frans Halsstraat 60. Daar begon Theo’s moeder een kruidenierszaak met brooddepot, van broodfabriek Holland op de Zoutkeetsgracht. In de Frans Halsstraat overleed vader Thijssen op 23 december 1890. Zijn weduwe, toen 32 jaar en met zes jonge kinderen, verruilde haar slechtlopende winkel in de Pijp al een maand later voor een soortgelijke nering op Brouwersgracht 99. Vandaar vertrok Theo (thuis overigens Do genoemd) in mei 1894 met een rijksbeurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem – en het boek eindigt met een ode op zijn moeder, die hem liet ‘doorleren’ voor onderwijzer, al bracht hij daardoor vier jaar lang geen cent in.
Naast dit alles geeft Thijssen een verbazend minutieuze beschrijving van zijn ooms en tantes, zijn grootouders, de klanten van zijn ouders en alle winkels waar zij zelf klant waren, het schoolleven, zijn vriendjes en de spelletjes die ze speelden. Controle van zijn verhalen aan de hand van adresboeken en het bevolkingsregister wijzen op een fotografisch geheugen. Het boek is niet alleen meeslepend geschreven, maar is ook een ‘must’ voor wie geïnteresseerd is in de sociale geschiedenis van Amsterdam.

Kind weggesleurd voor paardetram
Thijssens fictieboeken waarin een opgroeiende jongen de hoofdpersoon is, spelen duidelijk in de tijd van zijn eigen jeugd. In Kees de jongen dagdroomt Kees Bakels dat hij het dochtertje van een rijke klant van zijn vader op de Weteringschans net op tijd wegsleurt voor de hoeven van een trampaard. Omdat daar in 1904 de paardetram door de elektrische tram werd vervangen, weten we dat het boek speelt vóór dat jaar. En ná 1885, want Kees wijst in zijn beste Frans (“Je voule dire le chemin, car je comprends bien, vous voulez voire notre museum”) passanten de weg naar het nieuwe Rijksmuseum. De rest van het decor past in dit tijdsbeeld: het beeld van Naatje staat nog op de Dam, de Hugo de Grootbuurt heet nog “het land buiten de Raampoort” en de nieuwe rijken (door Kees benijd om hun vioolspel) wonen in de Vondelstraat.
Niet alleen spelen de verhalen in de tijd van Thijssens eigen jeugd, zijn romanhelden wonen, spelen en leren ook op dezelfde pláátsen als hij. Kees Bakels en Joop van Santen (de hoofdpersoon van Het taaie ongerief, uit 1932) wonen vlak bij de Westertoren, waar hun vaders een schoenwinkel hebben. Ze spelen net als Theo langs de Jordaangrachten en in het rommelige moestuintjes- en molengebied ten westen van de Jordaan. Hun scholen staan op de Prinsengracht bij de Leliegracht, zoals onder meer blijkt uit de beschrijving van Kees’ route van school naar de Reestraat, waar zijn vlam Rosa Overbeek woont. Op dat stuk van de Prinsengracht (naast de brandweerkazerne) stond rond 1890 maar één openbare school, op Prinsengracht 239: laat dát nou de school zijn die Theo Thijssen als jongen bezocht.
De plaatsaanduidingen in Thijssens roman lijken vaak vaag, maar als men er méér weet van Thijssens eigen jeugd en het stadsbeeld van die tijd wordt soms opeens glashelder welke plekken de schrijver precies voor ogen had. Neem nu Jongensdagen, zijn enige boek dat én over kinderen gaat én voor kinderen is geschreven. De hoofdpersoon heet Ko (wat erg lijkt op Do) en zijn moeder heeft een kruidenierszaak met brooddepot op een gracht. Die gracht is naamloos, maar er komen andere grachten op uit. Vanaf de hoogste brug kun je de klok van de Westertoren zien, dus dat moet wel een brug over de Prinsengracht zijn. Omdat we weten dat Thijssens moeder als weduwe haar brood- en kruidenierszaakje dreef vlak bij het begin van de Prinsengracht, op de Brouwersgracht, ligt het erg voor de hand dat die gracht het decor is in dit boek. En dan zien we ook dat het inderdaad de Brouwersgracht is op de tekeningen die de later beroemde kunstenaar Jan Sluijters maakte voor Jongensdagen. Kennelijk heeft Thijssen hem verteld dat hij die gracht bedoelde.
Een ander frappant voorbeeld van een vage plaatsaanduiding die bij nader inzien veel concreter en werkelijker is dan ze lijkt, is de Passage in de Damstraat. Op een avond roept vader Bakels zijn zoon aan zijn ziekbed en vertelt dat er elke maand een boodschap te doen is, geld brengen naar een kantoor. Dat moet Kees voortaan doen, maar hij mag er met niemand over praten.
“’Weet je de Passage in de Damstraat?’ ‘Waar ’t zo galmt, als je gilt,’ vroeg Kees. ‘Ja. Daar is een deur aan je linkerhad; je loopt de trap op; kamer 19, dat vind je wel, hé?’ ‘Ja,’ zei Kees kalm.”
Kees , zeer trots op deze geheimzinnige opdracht, loopt zo onopvallend mogelijk naar de Damstraat. “Langs een omweg kwam hij bij de Passage en ging met geveinsde belangstelling voor de speelgoedwinkel staan kijken. Toen keek hij voorzichtig naar alle kanten, of er ergens een kennis liep; (…) toen rende hij op de deur af, duwde hem open en holde de trap op. Eenmaal voorbij de draai voelde hij zich veilig.”
Lange tijd beschouwde ik die leenbank als pure fictie, niet meer dan een verteltruc om duidelijk te maken dat vader Bakels allang niet meer de rijke winkelier is waarvoor Kees hem houdt. Maar wat bedoelde Thijssen toch met die Passage? Een adresboek uit 1890 en oude knipsels leerden mij echter dat het ging om de zogeheten Passage Wijnand Fockink. In 1870 had de eigenaar van de gelijknamige likeurstokerij in de Pijlsteeg opdracht gegeven om tussen de Pijlsteeg en de Damstraat een indrukwekkend gebouw neer te zetten in classicistische stijl. Beneden waren drie winkelruimtes en boven 30 kantoorlokalen, die werden verhuurd aan instellingen die een representatieve ruimte zochten. Onder het gebouw door werd een ruimte passage gemaakt, met een deur die toegang gaf tot een brede trap naar de kantoren op de bovenverdiepingen. Door die passage heen keek je vanuit de Damstraat precies op het 17de-eeuwse proeflokaal Wijnand Fockink. In 1927 werd het complex gesloopt en vervangen door een betonnen kolos van V&D. De jongere generatie kent dat beter als het vorig jaar gesloopte hoofdkwartier van het Leger des Heils.
Maar Thijssen verhaal bleek nog veel preciezer te kloppen. In 1890 zat er inderdaad een speelgoedwinkel onder in dat Passage-gebouw, van de weduwe C.G.H. Tiessen. Sterker nog: de kantoorlokalen 19 en 20 werden destijds gehuurd door de Bisschoffsheim-Vereeniging, strekkende tot hulpbetoon aan de Nijvere Klasse zonder onderscheid van gezindte. Die vereniging gaf voorschotten aan degelijke middenstanders met tegenslag. Mensen als vader Thijssen dus. Er is maar één conclusie mogelijk. Thijssen heeft niet alleen de Damstraat, maar ook die ene filantropische voorschotbank heel goed gekend. En kon hij die zo goed kennen als zijn eigen familie daar geen lening had?

Het zwembad van de Zwembadpas
Thijssen doelt op Kees Bakels als hij klaagt dat hij niet kan schrijven over een jongetje dat naar een zwembad loopt, zonder dat lezers meteen denken dat dit de schrijver zelf is: “Want in deze dagen aanbad Kees een vriendje, dat in een gymnastiekvereniging was. (…) Het vriendje bracht van de gymnastiekvereniging een bijzonder rare manier van lopen mee; had hij van een ‘voorwerker’ geleerd. Als je eens goed opschieten wou, moest je voorover gaan lopen, net of je telkens viel, en dan maar met je armen zwaaien, heen en weer. Op deze hóórden wel gymnastiekpantoffeltjes bij, maar het voornaamste was toch dat je armen heen en weer gingen.
Hij importeerde deze soort baaivangerij ook op school en had er veel succes mee. Weken lang zag je de jongen van die school met ernstige gezichten de nieuwe loopmanier beoefenen. Als ze tussen twaalven en tweeën naar het zwembad gingen, hadden ze altijd haast; en dan kwam het baaivangen goed te pas. De jongens vertelden elkaar tot in halve minuten hoe kort het maar duurde, van school naar het zwembad, en gingen spreken van de ‘zwembadpas’.”
Natuurlijk heeft Thijssen gelijk als hij zegt dat je dit jongetje op weg naar het zwembad niet met hemzelf gelijk kan stellen. Misschien zag hij pas later, als onderwijzer, leerlingen in merkwaardige houdingen langsbanjeren, misschien ook was het pure fantasie. Maar voor wie iets meer van Thijssens eigen jongensjaren weet, lijkt het geen toeval dat hij Kees en zijn vriendjes die rare pas juist laat uitvoeren op weg van school naar het zwembad. Dat (in 1916 verdwenen) zwembad is zelfs heel precies aan te wijzen. In In de ochtend van het leven vertelt Thijssen dat hij veel zwom in het kosteloze gemeentebad aan de Westerdoksdijk, waar nu een klein haventje is voor de binnenvaart. Dit openluchtbad speelt ook een belangrijke rol in Thijssens kinderboek Jongensdagen: de tekeningen die Jan Sluijters van het zwembad maakte, komen exact overeen met oude foto’s van het zwembad aan de Westerdoksdijk. Hoewel Kees Bakels nooit bestond, kunnen we dus toch precies aangeven wáár Kees en de zijnen bij voorkeur de zwembadpas beoefenden: op weg van hun (nu gekraakte) school aan de Prinsengarcht, noordwaarts over de Prinsengracht en de Nieuwe Prinsengracht, onder het spoor door naar de Westerdoksdijk.

Kees kan niet doorleren
Dat het decor van Thijssens roman ook het decor was van zijn echte leven staat dus vast, maar die constatering op zich ontkracht nog niet zijn stelling dat alle gebéurtenissen verzonnen zijn. Toch is ook dat op één cruciaal punt onjuist: de dood van vader Thijssen. De hoofdpersonen in Kees de jongen en Het taaie ongerief verliezen beiden op elf-, twaalfjarige leeftijd hun vader en de moeder van Ko uit Jongensdagen is weduwe.
Maar er zijn ook evidente verschillen tussen Thijssen en zijn jonge romanhelden. Zo hebben Kees, Joop en Ko aanzienlijk minder broers en zussen en woonadressen dan hun geestelijke vader. Een veel belangrijker verschil zit in het slot van Kees de jongen. Om het contrast tussen fantasie en werkelijkheid (het hoofdthema van het boek) stevig aan te zetten, liet Thijssen Kees, anders dan hijzelf, voortijdig van school gaan om mee de kost te verdienen. De hoofdpersonen van Jongensdagen en Het taaie ongerief mogen wel doorleren. Een kinderboek verdient immers een happy end en in een boek over kledingmisère is het aardig om de hoofdpersoon steeds in nieuwe maatschappelijke situaties te doen belanden.
Dat is natuurlijk ook wat Thijssen werkelijk bedoelde in die inleiding van zijn jeugdherinneringen: hoeveel overeenkomsten er ook zijn, een roman is geen autobiografie. Voor zover een schrijver eigen ervaringen verwerkt, is dat omdat ze mooi passen in het thema van zijn vertelling. En passen ze niet, dan worden ze veranderd of weggelaten. Daarin toont een schrijver immers zijn literaire meesterschap. En een meester was Theo Thijssen, ook in dit opzicht.

Peter-Paul de Baar
December 1994

Beeld: Standbeeld van Theo Thijssen in de Jordaan


 

Delen:

Buurten:
Jordaan
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
December
Jaargang:
1994 46
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950