Het Amsterdam van M. Revis

Met een tijdmachine de stad door

Het werk van M. Revis, alias de journalist Willem Visser (1904-1973), kan worden gezien als een tijdmachine, die de lezer meevoert naar uiteenlopende perioden uit de Amsterdamse historie: van de ruiter te paard die in 1764 de randen van de stad verkent tot een werknemer van Shell die in de jaren vijftig van de vorige eeuw de pont over het IJ neemt. Revis werd met zijn in staccato-stijl genoteerde observaties, naast Bordewijk, een van de belangrijkste auteurs van de Nieuwe Zakelijkheid.

“Een fascinatie voor getallen had hij zeker, maar hij was ook een romanticus,” zegt Ernestine Visser-Blaas, weduwe van Willem Visser, die zijn literaire werk schreef onder het pseudoniem M. Revis. Visser bracht zijn jeugd voor een groot deel door in Soerabaja, waar zijn gereformeerde vader hoofdonderwijzer was op een School met de Bijbel. Daar maakte hij ook zijn middelbare school af. Hierna ging Visser met zijn jongere broer Nico wonen bij familie in Den Haag om te kunnen studeren aan de Handelshogeschool in Rotterdam. Visser werd lid van de studentenvereniging en stond open voor alles, dus ook voor de opera, vertelt zijn weduwe. Toen hij dat in zijn wekelijkse brief aan het thuisfront in Nederlands-Indië meldde, schreef zijn moeder gepikeerd terug: “Een christen gaat niet naar de opera.”

Na zijn kandidaatsexamen werd Visser in 1928 financieel-economisch verslaggever bij De Telegraaf. Hij had echter ook al heel jong literaire aspiraties. Op zijn twaalfde schreef hij avontuurlijke verhalen in de stijl van Jules Verne en Paul d’Ivoi. Zijn precieze instelling, die hem als financieel journalist van pas kwam, hielp hem aansluiting te vinden bij de Nieuwe Zakelijkheid die in de jaren dertig de Nederlandse literatuur kenmerkte. Hij werd dan ook – naast Bordewijk – een belangrijke exponent van deze stroming.

Zijn eerste roman, het filmisch geschreven 8.100.000 M3 Zand (1932), is geënt op de werkzaamheden van de Amsterdamse Ballast Maatschappij rondom de stad. In dit romandebuut verloochent Revis zijn calvinistische achtergrond niet. Hij haalt geregeld teksten uit Prediker aan, maar de auteur strooit toch vooral met bedrijfseconomische gegevens. “Een sleep vaart onder de Hembrug door, trekkracht 210 P.K., een heel eskadron paarden! en dit is een vuile stinkende sleepboot van twintig meter lang. Daarachter glijdt een dubbele rij zandbakken, 14 stuks, elk met een inhoud van 300 ton.” Toch ontsnapte ook het uitgaansleven in de Amsterdamse binnenstad niet aan zijn waarneming: “Dancing, rode vurige letters, een beroerde jazzband, maar je kunt er op dansen. Foxtrott, step, ordinaire vrolijkheid, licht, dat wisselt van kleur, bonte muurschilderingen, kakelbonte lampen en lichtbakken.” En ook in het in 1947 verschenen Thuishaven. Een roman over dingen gaat het over heel wat meer dan de wereld van de zandwinning. De roman begint in de Amsterdamse haven tijdens de Gouden Eeuw en eindigt in 1945 bij de wederopbouw na de vernielingen door de Duitsers. Als in 1876 het Noordzeekanaal wordt geopend, viert de stad feest: “Illuminatie en vuurwerk aan het IJ. Een groot feest in het Paleis voor Volksvlijt, dat op toverachtige wijze versierd is (...), de Noordzeesluizen zijn op de achtergrond geschilderd en het water stort door de open deuren in een groot bekken onder het toneel.” De demping van het Open Havenfront voor het Centraal Station en de aanleg van de vemen, silo’s, kades en havens gaat eind 19de eeuw gepaard met rigoureuze sloop van oude pakhuizen, torens en poorten, versieringen aan gevels. “Er waait een wind, die schoonheid aantast, zoals nachtvorst de bloesems,” schrijft Revis.

Het eerste vaatje petroleum dat in de haven aankomt, wordt voor alle zekerheid begraven. “Petroleum is vloeibaar dynamiet, maar ook vloeibaar goud.” Het petroleum-entrepot wordt aan de overkant van het IJ gevestigd aan een nauw haventje. “Het gebouw staat op het Galgenveld, en in zijn eenzame ligging komt werkelijk de afkeer tot uitdrukking, die de gezonde mens heeft van een oord voor terechtstellingen of voor zeer besmettelijke ziekten; men behandelt petroleum als iets dat een dodelijke kwaal verspreidt.”

Veel havenarbeiders woonden bij elkaar op Kattenburg. “De Eilanden zijn aangeplempt in het IJ, al bijna 300 jaar geleden. De bewoners moesten zich afzonderlijk van de andere Amsterdammers voelen; de vloed steeg langs de walmuren en de eb deed het water zakken, men woonde als in zee. Aan de zee gewijd was ook alles wat er ontstond.” En havenarbeid leverde een karig loon op. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de daaruit voortvloeiende crisis in de haven, maakte het er niet beter op. Waar nu een appartement te koop staat voor € 633.000 k.k. woonden in 1920 mensen met een garantieweekloon van ƒ 20.

In Thuishaven beschrijft Revis plastisch de werking van de portaalkraan, de wipkraan en brugkraan, het werk van de cargadoors (met legendarische namen als Van Es en Van Ommeren, Hudig en Pieters, Wambersie en Zoon, Ruys & Co), de scheepsdokken en de geheimen van het connossement “een kettingbrug van papier, die boven de oceanen hangt”). In Revis’ werk ruik je als het ware de haven en zijn omgeving door de eeuwen heen.

Magiër der werkelijkheid

Spoorzoekers (1959) heeft opnieuw de haven als decor. De roman gaat over het Shell-laboratorium aan het IJ en de onderzoekers die daar werken. “Alles drukte rede uit, en berekening,” staat er over de architectuur van het gebouw. En de autorit die Shell-functionaris Cortaillot maakt vanaf Schiphol naar het lab, beschrijft Revis als volgt: “Het water van de Ringvaart, grauw, golfde heftig. Sloterweg. De eerste huizen van Amsterdam-West, hoog hoekig, dof roodbruin. Minutenlang trok op de Overtoom, links en rechts, de 19de eeuw in het huizenfront haar lelijkste grijns. Een zwarte wolk schoof voor de zon en dempte het licht; Leidseplein en stadscentrum werden kleurloos. Cortaillot stapte bij het Centraal Station over op het directiebootje, dat klaar lag langs de beschoeiing van keien tegenover de Prins Hendrikkade. Hij stond achterop, in de wind, er kwam weer zon, en aan de overkant van het woelige water van het IJ lag het laboratorium.”

’s Ochtends en om vijf uur ’s middags ging het overige Shell-personeel een soortgelijk veerbootje op: “De namiddagzon zette het westen onder een hemelhoge tent van verblindend licht, het IJ werd daar bijna onzichtbaar van glans. Werven, pakhuizen, steigers en kaden verloren hun scherpe vorm, zij schenen te drijven als bij een fata morgana, donker in een nevel van doorzichtig wit zilver. De schepen en kranen en dokken in het oosten waren veel duidelijker, fijn afgetekend tegen de lucht. Als een verbinding tussen oost en west, recht voor hen uit, lag het Centraal Station, roetachtig zwart, een monsterachtig grote dubbeltunnel op het droge.”

In de jaren veertig en vijftig was ook Amsterdam in de ban van de wederopbouw. Vandaar dat de dynamiek van de verandering de Revis-lezers destijds moet hebben aangesproken. Dat blijkt ook wel uit sommige zinnen die hij zijn Shell-personages in de mond legt: “De Plantage, dat mislukt stukje 19de-eeuws Parijs in Amsterdam” en “de dorpse rommeligheid van de Middenweg in Watergraafsmeer”. Nu behoren deze vrijwel ongeschonden buurten tot de gewildste van de stad, maar voor hetzelfde geld had hier een tweede ‘Wibaut Allee’ gelegen.

Het magnum opus van Revis is ongetwijfeld Paviljoen van glas (1947), dat de deels geromantiseerde geschiedenis van het Paleis voor Volksvlijt behelst – in het licht van de recente plannen om het Paleis op dezelfde plek te herbouwen, extra spannend om nog eens te lezen. Revis, die toen redacteur van het Algemeen Handelsblad was, kreeg hiervoor een eervolle vermelding in de romanprijsvraag van de gemeente Amsterdam. De dichter-criticus Victor E. van Vriesland gaf hem in Het Parool een bijna nog eervoller predikaat: “Magiër der werkelijkheid.”

De Amsterdammers kijken bij de bouw en oplevering van het Paleis hun ogen uit. “Hoog rijzen de wanden op, grijsgroen en blinkend, de zon die tussen de wolken doorbreekt doet vonken uit het glas springen.” De tuin van het Paleis mocht je tegen betaling in. “Bij het tourniquet bevindt zich een veranda, waarvan de stijlen met klimop zijn begroeid en vanwaar een brede houten trap naar de grindpaden tussen de perken met reseda, seringen en gele vlier leidt. Overal staan tafeltjes met stoelen, en kellners brengen op nikkelen bladen limonade, koffie of bier. In een grote muziektent speelt zaterdagmiddag een harmonie-orkest. De leden dragen rode jassen en blauwe pantalons. De dirigent heeft een baard en lijkt op de koning.”

De roman beschrijft de intriges en regelrechte oplichtingspraktijken, die ten slotte leiden tot de verwording van deze glazen ‘tentoonstellingsfabriek’ tot een aftandse toneel-, muziek-, feest- en vakbondsvergaderzaal: “Er moet in deze monstrueuze volière voor mensen iets te doen zijn, dag aan dag, altijd-door.” De verloedering van het Paleis zelf beschrijft Revis zo plastisch dat je bijna verzoend raakt met het huidige kantoor van De Nederlandsche Bank.

 

Een stelletje oplichters

Om het verval te keren wordt een plan gesmeed voor de bouw van een hoge ronde toren in de stijl van de rest. “Natuurlijk zou de koepel dan weg moeten, of liever, de koepel zou verhoogd worden, hij zou zo boven op de toren komen. Van ver buiten de stad zou iedereen het paviljoen dan al zien, zoals de Domtoren in Utrecht. (...) Wij maken er natuurlijk platforms in met een restaurant, de mensen zullen er prachtig uitzicht hebben tot de Noordzee, bij helder weer. Helemaal bovenaan, bij de koepel, komt een lichtreclame, zoals aan de Eiffeltoren, dat zal de kosten goed maken.”

En ook in de binnenstad signaleert Revis midden jaren twintig dat niet alleen het werk, maar ook het vermaak aan de toets van de efficiëntie onderhevig is: “Reclamelichten aan, uit, aan, uit. Trams schuiven langs elkander, een vochtige wind waait in de avond over het Damrak, de hoorn van een schip klinkt op uit de havens, treinen met verlichte ramen rijden af en aan, mensenstromen door de nauwe ingangen van het Centraal Station, mensenstromen naar buiten. Men heeft haast. Ober, ik heb haast. Juffrouw, helpt u mij gauw even, ik heb haast. Men heeft haast met eten, met fietsen, met werken. De schrijfmachines haasten zich, de explosies in de benzinemotoren haasten zich, de filmstrook haast zich door het projectietoestel.”

Revis alias Visser woonde in de jaren dertig als Telegraaf-verslaggever de processen bij, die volgden op de ontdekking dat er op grote schaal in de boekhouding van het Paleis en met de door de vennootschap uitgegeven obligaties was geknoeid. De econoom en journalist dr. H.J. Scheffer stelt in zijn studie Het Volksdagblad (1981) dat Vissers waarnemingen in Paviljoen van glas vrijwel met de werkelijkheid overeenstemmen. Hij onthult ook in samenwerking met Visser de werkelijke namen achter de romanpersonages en instanties; zo blijkt mr. G.J. Cramp in werkelijkheid mr. F.A. van Hall, de president-commissaris van het Paleis.

De oorzaak van de brand, die het Paleis in 1929 verwoestte, is onbekend. Revis beschrijft de ramp natuurlijk tot in de details. Zes jaar later gaapt er nog steeds een groot gat. “Langs het trottoir staat een lange schutting met vele reclamebiljetten beplakt, die hier vruchtbaar tieren als onkruid op een ruïne. Men kan er lezen: ‘Revue van Lach tot Lach’. Een eind verderop kondigt men een stuk aan, dat heet: ‘Kan je zwijgen?’.” In 1968, als de aandelen Paleis voor Volksvlijt in liquidatie voor ƒ 13,10 per aandeel eindelijk tot uitkering komen, zegt Visser het in de Volkskrant nog eens onomwonden: “Van Hall werd het slachtoffer van een stelletje oplichters.”

 

Altijd rookgerei in de hand

Revis schreef midden jaren zestig nog drie boeken met elk twaalf korte verhalen over Amsterdam door de eeuwen heen. Het aangekondigde vierde deel van deze Stadia van Amsterdam is nooit verschenen. De locaties in deze boeken variëren van het Prinseneiland eind 18de eeuw tot een bezoek aan een voorstelling van cabaretier Eduard Jacobs in zijn kelder in de Quellijnstraat eind 19de eeuw. “Jacobs wendde zich naar de piano, het linkerbeen naar voren om met de voet op het pedaal te kunnen drukken, twee handen op het toetsenbord, maar bovenlijf en hoofd in de richting van het zaaltje, een gewrongen houding. Hij stootte het geluid meer uit dan hij zong, het was een hortend, hoog soort spreken, ongepolijst en ruw, daardoor evenwel gaf het de indruk van echtheid.”

In Ontgoocheling laat de hoofdpersoon een Britse vriend de binnenstad in 1861 zien. Je kunt de route als het ware meelopen: het Bible Hotel in de Warmoesstraat, de vijf ‘Engelse huizen’ tussen tussen Munttoren en Amstel, Hotel Rondeel in de Nieuwe Doelenstraat (nu de plek van L’Europe), waar ooit een middeleeuws rondlopend bastion was gesitueerd en het Kaasplein (nu Thorbeckeplein), waar toen nog – op de hoek van de Reguliersdwarsstraat – het beeld van Rembrandt stond.

Interessant is ook De Moeder, spelend in 1816, dat een goed beeld geeft van de armoe in de Jordaan. Hierin wordt ook de dagelijkse tocht van de schuit met zieken beschreven, die van het Binnengasthuis ‘naar buiten’ ging. Einddoel was het Pesthuis, waar nu het WG-terrein is.

Willem Visser alias M. Revis “droeg Amsterdam een warm hart toe”, zegt zijn weduwe Ernestine Visser, die nog steeds woont in het huis in de Rivierenbuurt waar Visser in 1973 is gestorven. In de laatste jaren van zijn leven heeft hij nog een stencilmachine aangeschaft om een ‘roman fleuve’ te schrijven, die het tijdperk 1907 tot de jaren zeventig moest omvatten. De roman in zestien delen wilde hij onder zijn vrienden verspreiden. Dat is er dus nooit van gekomen.

Zijn weduwe vertelt ook dat hij in 1943 is ondergedoken na een oproep te hebben gekregen voor het Nederlandse leger, hetgeen vrijwel zeker tot Duits krijgsgevangenschap zou leiden. Na de oorlog ging hij aan de slag bij het Algemeen Handelsblad met een onderbreking in 1947, toen hij werd opgeroepen als reserve-officier in Nederlands-Indië. In 1953 verscheen ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het Algemeen Handelsblad van zijn hand het gedenkboek De papieren spiegel over de geschiedenis van deze krant.

Oud-Handelsblad-redacteur Frans van Lier herinnert zich zijn redactiechef en waarnemend hoofdredacteur als een man met grijs-wit haar langs de slapen en altijd een sigaretje of andere rookgerei in de hand. Van Lier: “Midden jaren vijftig kreeg ik als jonge verslaggever opdracht te schrijven over de aanleg van de Schellingwouderbrug. Ik zag daar niks in en kwam met lege handen terug. Toen werd Willem Visser erop uitgestuurd en hij maakte een prachtig verhaal. Daar konden wij jongeren van leren: hoe je met eenvoudige woorden toch een groot effect met je artikel kunt bereiken.”

D. Hell is freelance journalist.

De boeken van M. Revis zijn alleen nog antiquarisch te verkrijgen. Vooral Paleis van glas en Thuishavenworden regelmatig aangeboden, onder meer bij de Slegte.

Delen:

Jaargang:
2002 54

Gerelateerd

Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Rood Amsterdam in zwart-wit
Rood Amsterdam in zwart-wit
16 december 2002
75 jaar Linnaeushof
75 jaar Linnaeushof
16 december 2002