Herinneringen aan Lunchroom Heck

Op 16 oktober 1930 opende een nieuwe publiekstrekker op het Rembrandt­plein de deuren: Heck’s Victoria Lunchroom en Café, door de be­zoekers simpelweg Heck’s genoemd. Heck’s veroor­zaakte een kleine revolutie in de ge­schiedenis van de horeca. Het con­cept was uniek: niet alleen kon je in de lunchrooms goed en betaalbaar eten, maar tege­lijkertijd kon je er luisteren naar live muziek. In de grote vestigingen, waar plaats was voor 500 tot 900 men­sen, speelde elke avond en middag een orkest. Eten bij Heck’s was een echt uitje, zonder pijn in de porte­monnee.

Roodkapje
In de jaren ’50 ging ik als vijfjarige geregeld met mijn ouders naar Heck’s. Mijn vader was destijds rondleider in de Amstel-brouwerij en wij woonden in de bedrijfswoning van Amstel aan het Andreas Bonnplein (thans Hogeschool van Amsterdam). Ons gezin ‘had’ dus wel iets met horeca.  
Van Heck herinner ik mij vooral de grote ruimte, met achterin een podium waar een orkest optrad, soms met een zangeres. Ik was altijd als de dood dat ik het podium op geroepen zou worden; ik was namelijk erg verlegen.   
Als versnapering kreeg ik vaak een ‘roodkapje’. Dat was een zilverkleurige onderzetter met daarop een schaaltje vol ijs. In het ijs stond een papieren waaier die je open kon klappen. Ook lagen er nog enkele lekkere snoepjes of chocolaatjes op het blad. Ik bewaar er nog altijd goede herinneringen aan.
Rita Bouwman  

Lunchroom Heck, circa 1955. Henk Valk.

‘Krokettuuuu!’
In 1960 werkte ik als 16-jarige scholier in de vakanties bij Heck in de Reguliersbreestraat, schuin tegenover het Tuschinski theater. Ik stond in de keuken, die zich op de eerste verdieping bevond, met een prachtig uitzicht de Binnen-Amstel. De Stopera was er nog niet. ’s Ochtends begonnen mijn werkzaamheden met het koken en pellen van 250 eieren, voor de broodjes. Daarna moest ik vijftig kilo aardappelen in frites snijden en voorbakken. In de keuken stonden metalen potten met verschillende soorten groenten en soep in de au-bain-marie; deze moest ik voortdurend in de gaten houden en bijvullen. 
Als het bedienend personeel beneden wat nodig had - en dat was voortdurend het geval - ging er in de keuken een belletje. De communicatie verliep via de schacht van het keukenliftje,  waarin we de gewenste spullen naar lieten zakken. Als het belletje ging en ik vroeg wat er nodig was, dan was het vaak: ‘Krokettuuuu!’ 
De chef-kok vroeg me eens om wat spullen te halen bij het filiaal Heck Popularis op hoek van de Reguliersbreestraat en Rembrandtplein. Ik wilde de deur uit gaan maar hij hield me even tegen. Ik moest eerst een schoon sloofje aandoen, ik mocht niet met een vuil sloofje met het logo van Heck erop over straat! 
Gerard Prins

Glibberig puddinkje
Toen ik als joch van 13 jaar in 1944 met mijn vader naar Amsterdam ging, bezochten wij eerst de postzegelmarkt. Daarna ging wij naar het Rembrandtplein om wat vertier te zoeken, maar er was niet veel in die tijd. Dus dan maar bij Heck voor een versnapering. Die bestond uit een vreemd soort puddinkje van een glibberige substantie waar kraak nog smaak aan zat.  
Toen we weer naar buiten liepen, zagen wij een jongedame met een schaaltje snoepjes, die zij te koop had. Vader vroeg haar naar de prijs, waarop ze antwoordde: ‘twee gulden’. Vader zei: ‘Per ons?’ ‘Nee meneer, per stuk!’  
Dat vond hij te gortig, waardoor deze versnapering aan mij voorbijging. Toch heb ik genoten van dit uitstapje met vader in die nare oorlogstijd.  
Bram Dolman  

Serveersters van Heck tijdens hun pauze, circa 1930. Stadsarchief Amsterdam

Malando
In de jaren zestig heb ik met mijn geliefde, die ik uit Frankrijk had meegenomen,  getrakteerd op een bezoek aan Heck.  We hadden geen cent te makken, maar op de een of andere manier had ik toch genoeg geld bij elkaar geschraapt voor een een consumptie. Ik had haar geen groter plezier kunnen doen. Want wie zaten daar binnen? Malando, met Zuid-Amerikaanse muziek! Zoiets hoorde je normaal gesproken alleen bij iemand die een grammofoon had.  Van die paar centen hebben wij een heerlijk  Amsterdams uurtje beleefd.  
Joseph Raap

Mensen van buiten
Mijn tiende verjaardag mocht ik vieren ‘in de stad’. Met mijn moeder en een paar vriendinnetjes gingen we naar Heck, voor taartjes en limonade. Dit speelde zich af in de jaren ‘50, maar ik herinner het me nog zo goed! De obers waren keurig in het zwart en gedroegen zich tegonver ons heel beleefd, alsof we al volwassen waren. Alles was zo groot en feestelijk daar, ik voelde me heel erg jarig!  
Het leukst was het boven, achter de balustrade van het balkon. Soms speelde daar het Malando tango-rumba orkest, waar we dan vlak bij zaten. Je kon ook naar beneden kijken, naar de busladingen mensen ‘van buiten’, die daar aan lange tafels zaten te eten. Wij kinderen vonden het leuk om stiekem naar hen te gluren, want ze hadden geen nette tafelmanieren.  
Malisca Muller

Theeën
In 1939 verhuisden wij naar de Oudezijds Achterburgwal, vlakbij het Rembrandtplein - destijds het uitgaanscentrum van Amsterdam. Als het bruin het kon trekken (we leefden nog in de nadagen van de crisis) gingen mijn moeder en ik naar Heck, om daar op z’n Engels ‘theeën’. We bestelden dan een thé complet: een theepot met kopjes en allerlei lekkernijen. Onze vaste plek was op de eerste verdieping, met uitzicht op de benedenzaal. Op de korte zijde van het balkon speelden vaak de Ramblers, onder leiding van Theo Uden Masman. Zo’n typisch vooroorlogse jazzband was dat: een rijtje saxofoons op de eerste rij, daarachter trompetten en trombones en natuurlijk een grote slagwerkpartij.   
Met ons uitgebreide thee-arrangement zaten wij dan mooi de hele middag te luisteren naar allerlei toen populaire ‘schlagers’. Zo genoten wij zorgeloos van de laatste vreedzame dagen van die tijd. Ik denk er nog met weemoed aan terug. Heck is niet meer, net als de Ramblers, maar de herinnering eraan zal me nog lang bijblijven.   
Chris Dessing

Dames uit Zuid
Toen ik een jaar of 18 was had ik vaste verkering met een jongen die regelmatig optrad in Heck, met liedjes van Roek Williams. Als ik er nu aan terugdenk zong hij niet altijd even goed, maar ik ging toch naar hem luisteren. Het beste plekje was op het balkon, waar je van bovenaf op het podium kon kijken. Daar zaten de rijke dames uit Zuid, in dure bontjassen en met een klein hondje op schoot. Zij zaten daar te wachten op een leuke jongeman; meestal goed geklede types van een jaar of 20. Die haalden zo’n dame dan op in Heck, en dan vertrokken ze samen in een taxi. Die jongens verdienden er leuk aan.  
Nadat mijn verkering met de zanger uit ging, ben ik nooit meer in Heck geweest. Ik vond het al met al toch een bekakte bedoening. 
Leni Schoemaker 

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Abonneer je Arrow right Geef cadeau Arrow right

Afwassen
Het was 1962. De Beatles hadden net hun eerste hit uitgebracht en het Engelse pond was nog 12 gulden waard. Londen was “hot” en vooral erg duur. Mijn vriend Guido en ik wilden in de kerstvakantie naar Londen gaan. Om dat te betalen gingen we werken in de afwaskeuken van Heck. Daar verdienden wij het kolossale bedrag van fl. 1,78 per uur. We werkten van 12 uur ’s middags tot 12 uur ’s nachts, twaalf uur per dag, zes dagen per week: dat betekende fl. 128 per week. Hoewel we goed verdienden, keek het bedienend personeel toch ons neer.  
Onze voorman heette Michel. Tegen middernacht riep hij voortdurend: “Laatste, ja, ja, laatste!” waarmee hij liet merken dat hij ontevreden was over het bestek, dat tot middernacht bleef binnenkomen. Zijn handen zaten onder de wondjes door het scherpe bestek en de bijtende afwasmiddelen; na twee dagen onze eigen handen ook.  Michel leerde ons dat je borden waar ei op had gezeten, moest schoonmaken voor ze in de machine te stoppen. Een dweil was voor dat doel uitstekend geschikt.  
Bij Heck was altijd een vol orkest en een heuse zangeres waar ook publiek ‘uit de betere standen’ graag naar luisterde.  Op een dag kwam mijn moeder ons opzoeken. ‘Theo’, riep Michel, ‘er staat buiten een dàme voor je.’ En daar stond moeder, met hoge hakken en een hoedje. Ik wist niet waar ik kijken moest.  
Na enkele weken hadden we wel genoeg verdiend om in de vakantie naar Londen te gaan. 
Theo Erwtenman

Staande ovatie
Zondagmiddag 1956. Ik was 6 jaar oud, en als grote verrassing nam mijn vader mij en mijn zusjes op de transportfiets mee naar restaurant Heck. Ik wist niet wat me overkwam; het was de eerste keer in mijn leven dat ik een etablissement betrad. Mijn ouders dreven een kruidenierszaak en mijn vader had een extra baan om de huur te kunnen betalen. Ik was gewend aan hard werken en de eindjes aan elkaar knopen.  
In Heck stapte ik een hele andere wereld binnen; een wereld van weldaad, glamour en entertainment. We kregen een ijscoupe met een bolletje ijs in een glanzende roestvrijstalen kindercoupje met slagroom en een papieren parapluutje. Het was een grandioze consumptie, en terwijl ik het oppeuzelde, hoorde ik de big band inzetten. 
Ik stoof naar voren.  We zaten op het balkon van het restaurant en keken van bovenaf op het podium. De muzikanten speelden toentertijd bekende nummers en ik zong uit volle borst mee. Op gegeven moment hield het orkest even in, terwijl ik gewoon doorging.  De bandleden keken naar boven en zagen mij daar staan, op vol volume zingend in een plotseling stille ruimte. Ik kreeg een staande ovatie van zowel de orkestleden als het aanwezige publiek: een onvergetelijke ervaring.  
Het is helaas bij dat ene bezoek gebleven en mijn ‘zangcarrière’ heeft zich een geheel andere kant op ontwikkeld. Maar Heck vergeet ik nooit meer. Ik voelde me die zondag een rijk kind. 
Thea Laffra

 

Gebakken ijs
In 1948  bezocht ik als 16-jarige jongen ‘s zondags regelmatig de Grote Heck op het Rembrandtplein. Dat was niet gemakkelijk, want je moest eigenlijk 18 jaar oud zijn om binnen te komen. Bij de ingang stond een grote portier die de leeftijden controleerde. Omdat ik vrij lang was, werd ik meestal wel doorgelaten. Maar soms werd ook mij de toegang geweigerd; het was een beetje afhankelijk van welke portier er dienst had. Spannend was het wel! 

Ik wilde naar Heck om naar de grote orkesten te luisteren. Lukte het om binnen te komen, dan zocht ik een plaats vlakbij het podium. Van mijn zakgeld kocht ik “gebakken ijs”. Het was wel jammer dat ik altijd alleen naar Heck moest; ik kon niet komen aanzetten met een club minderjarige jongens en meisjes. Dan waren we zeker niet langs de portier gekomen! 
Jaap van der Zwaag

Gebaksjuffrouw
Als mijn vader genoeg verdiend had (hij was decoratieschilder) gingen wij op zondagmiddag naar Heck. Soms moest je dan eerst buiten in de rij staan, tot de portier aangaf dat er binnen een tafeltje vrij was gekomen. 
De mooiste plek om te zitten was op de bovenverdieping, met zicht op het podium.  Daar werd muziek gespeeld, bijvoorbeeld door het orkest van Boyd Bachmann. Het feest was voor mij pas echt compleet als de gebaksjuffrouw, gekleed in een wit schort en een wit kapje, langs kwam met haar karretje. Ik mocht dan een taartje uitzoeken. Het roomhoorntje was de grote favoriet. 
Eén keer deed zich tijdens zo’n zondagmiddagbezoek een probleem voor: bij het afrekenen bleek dat mijn vader zijn portemonnee vergeten had. Die moest hij toen gaan ophalen, hardlopend op en neer naar ons huis aan de Lauriergracht. 
Ton van der Jagt

Ton van der Jagt met zijn moeder op
​​​​​het Rembrandtplein, 1948. 
Ton van der Jagt met zijn vader op het Rembrandtplein,
1948. Heck staat er net niet op. ​​​​​​
​​​​​

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Buurtherinneringen
Editie:
December
Jaargang:
Tijdperk:
1950-2000