Hendrik Doeff. Opperhoofd in Japan

Baas van Deshima en handelsman in Amsterdam

De Amsterdammer Hendrik Doeff zwaaide van 1802 tot 1817 de scepter over de Hollandse factorij op het Japanse eiland Deshima bij Nagasaki. Veel langer dan bedoeld, de aflossing liet nogal op zich wachten. Hij verdedigde niet alleen de handelsbelangen, maar verdiepte zich ook in de Japanse cultuur.

De Verenigde Oost-Indische Compagnie loopt op haar laatste benen, wanneer de Amsterdammer Hendrik Doeff met een Deens (neutraal) schip naar Batavia vertrekt en na zijn aankomst op 1 juni 1799 al snel weer doorvaart naar Deshima, de kleine Hollandse handelsenclave in Japan. Hij begint daar als ‘scriba’ (klerk) en werkt zich in drie jaar op tot bestuurder, in termen van de (inmiddels opgeheven) VOC: tot opperhoofd. Hij is dan 25 jaar. Hij zal bijna achttien jaar in Japan blijven. Als een held keert hij terug in Nederland.

Ruim drie jaar voor zijn vertrek legde de toen 18-jarige Doeff op 19 februari 1796 de poortereed van de stad Amsterdam af. Zijn vader, Hendrik sr., was cargadoor, scheepsagent of scheepsbevrachter; de zoon gaf als beroep ‘commissionair’ (handelsagent) op. Het waren revolutionaire tijden. Iets meer dan een jaar eerder hadden de patriotten in stad en republiek de macht overgenomen, de stadhouder had de benen genomen naar Engeland, de Bataafse Republiek was in wording. Op de Dam stond de Vrijheidsboom, symbool voor de nieuwe geest van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap.

De jonge Hendrik was gegrepen door die revolutionaire geest. In 1797 stelde hij zich tevergeefs kandidaat voor de Raad van de stad, maar in maart 1798 lukte het hem om lid te worden van de Administratieve Municipaliteit, zoals het stadsbestuur nu heette. Na de zuivering van de Oranjegezinde ambtenaren werkte hij korte tijd aan de herziening van de ambtenarensalarissen, om op 7 juni in dienst te treden bij de Oost-Indische Maatschappij als onderkoopman met een maandelijkse gage van 40,-. Voorwaarde bij de aanstelling was dat hij de verklaring van “onveranderlijke afkeer van het stadhouderlijk bestuur” ondertekende. 

 

Beeld Hendrik Doeff (ook het coverbeeld van het maartnummer): Opperhoofd Doeff op Deshima, achter hem een Javaanse bediende, geschilderd tussen 1803 en 1817 door Shiba Kôkan (1747-1818). Museum voor Volkenkunde Leiden

 

Deshima

Deshima betekent “eiland dat uitsteekt”. Het is een kunstmatig eilandje in de Baai van Nagasaki op het Japanse hoofdeiland Kyushu, dat in 1638 wordt ingericht voor de Portugezen en in 1641 door de VOC is ingenomen. De toenmalige heerser van Japan, shogun Tokugawa Iemitsu, sluit het rijk af voor contacten met het buitenland, maar voor de Hollanders creëert hij een streng gereglementeerde uitzonderingspositie, die tot 1854 voortduurt. 

Al die jaren is het piepkleine schiereilandje voor westerse naties de enige toegang tot het Japanse rijk. Net als zijn voorgangers maakt opperhoofd Hendrik Doeff elke vier jaar een lange, moeizame voetreis naar het hof van de shogun in Edo (nu Tokio) om geschenken aan te bieden en de voortzetting van de handel veilig te stellen. 

In 1809 moet hij worden afgelost, maar daar komt niets van terecht. In Europa woeden de napoleontische oorlogen, waarbij Nederland is bezet door de Fransen en Java door de Engelsen. Er komen geen schepen meer naar Deshima, de handel ligt stil en het handjevol Nederlanders zit als vergeten schipbreukelingen op het kleine schiereilandje, de enige plek op aarde waar de Nederlandse driekleur – het rood-wit-blauw van de Statenvlagnog wappert. Doeff moet al zijn diplomatieke vaardigheden inzetten om te voorkomen dat de Japanners er lucht van krijgen dat de ooit zo machtige Republiek in feite niet meer bestaat. Hij slaagt daar wonderwel in, hoewel er bijna acht jaar lang geen schip onder de Statenvlag de baai binnenvaart.

 

Haiku’s

Al die jaren zit Doeff bepaald niet stil. Hij leert vloeiend Japans spreken en stelt met zijn Japanse tolken het eerste Nederland-Japanse woordenboek samen, bekend als Doyakuof Doûfu Haruma(ook wel Doeff Halma, omdat hij het Nederlands-Franse woordenboek van François Halma uit 1729 als basis gebruikt). Het in houtsnede gedrukte woordenboek is eigendom van het Japanse gezag, maar Doeff maakt er heimelijk een eigen kopie van op papier. Zijn interesse in de Japanse cultuur is groot. Hij schrijft ook poëzie in het Japans; hij is de eerste Nederlander die haiku schrijft. Eentje heeft het uitzicht over de haven van Nagasaki als onderwerp: Een lentebriesje/ her en der reppen ze zich:/ de zeilscheepjes. 

De verplichte reis naar het keizerlijk hof in Edo inspireert hem tot een haiku over een meisje dat hij onderweg ziet en razendsnel tofu snijdt: In die bliksemsnelle armen/ van haar wil ik vannacht/ uitrusten van de reis. Doeff had in Deshima tenminste vier Japanse geliefdes: Sono’o, Kotaki, Iroha en Uryuno. De laatste schonk hem een zoon genaamd Jokichi (1807-1824), van wie het graf, met de intitalen HD, nog altijd bestaat. Bij Sono’o had hij een dochtertje, Omon, dat in 1811 overleed. 

Op 15 augustus 1817 arriveren er dan eindelijk twee Nederlandse schepen op Deshima. “Onbeschrijflijk was de vreugde van ons Hollanders, die op Japan nog slechts ten getale van zes overig waren”, noteert Doeff. Het nieuwe opperhoofd van Deshima, Jan Cock Blomhoff, is meegekomen. Hij heeft een verrassing in petto: Doeff is voor zijn standvastig gedrag als eenzame bewaker van het Nederlandse belang beloond met de onderscheiding Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

 

Schipbreuk

Hij reist af naar Batavia, maar wil daar ondanks de mogelijkheid “tot plaatsing in de voordeligste betrekkingen” niet blijven. Op 16 februari 1819 vertrekt hij – inmiddels getrouwd met Christina Rebecca Steenboom – op het oorlogsschip Admiraal Evertsen naar Holland. Het noodlot slaat toe als het schip midden in de Indische Oceaan lek slaat.De opvarenden worden gered door een Amerikaanse brik, de Pickering, maar Doeffs bagage gaat verloren. Al zijn notities en documenten, zijn botanische en historische aantekeningen en tal van voorwerpen en prenten uit zijn lange verblijf in Japan – ook de kopie van het woordenboek – verdwijnen in de golven. Alleen een kist met munten, goud en Japans geld weten de matrozen nog van boord te halen. Uiteindelijk stapt Doeff in oktober 1819 in Amsterdam aan wal – als weduwnaar, want onderweg is de hoogzwangere Christina overleden.

Amsterdam is dan allang niet meer de stad, die hij in 1798 verliet. De handel is in de Franse tijd tot stilstand gekomen, maar krabbelt nu weer moeizaam op; de vaart op de West (vooral op Suriname) is inmiddels belangrijker dan die op de Oost. Maar de kranige verdediging van het kleine stukje overzees Nederland in Japan heeft Doeff een soort heldenstatus bezorgd. Nieuwe handelszaken komen op zijn pad en zijn naamsbekendheid opent deuren. Hij wordt gezien als de meest vooraanstaande Japandeskundige van het land en geeft lezingen. 

Hij trouwt opnieuw, nu met Sara Frederica Taunay, dochter van koopman Jan Frederik Taunay (1743-1819), een oude bekende die in 1799 met hem naar Batavia was gereisd. De huwelijksakte vermeldt geen beroep, maar de fraaie titel ‘Oud-Opperhoofd te Japan’. Het paar vestigt zich op de Buitenkant bij Doeffs zuster Johanna en haar man, de zeilenmaker Willem Betz, die hij een obligatielening van 20.000,- geeft. Al heeft de afhandeling van zijn zaken in Japan nog heel wat voeten in de aarde, Doeff is bepaald niet berooid teruggekeerd. De overheid staat bovendien bij hem in het krijt: bij Koning Willem I brengt hij de1000,- kosten in rekening van de hofreis naar Tokio in 1814, die hij zelf had voorgeschoten. 

 

Zeemanshoop

Hendrik Doeff gaat in verzekeringen bij het Nederlandsche Brand Waarborg Genootschap en raakt nauw betrokken bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) in 1824. Op 30 april komen in de grote zaal van de Doelen op de Garnalenmarkt 300 personen bij elkaar om zich in te schrijven als deelnemer aan de NHM. Zij kiezen een elftal afgevaardigden voor Amsterdam, onder wie Doeff. Hij wordt benoemd tot commissaris en begin 1825 stelt de NHM hem aan als een van de drie Amsterdamse agenten. 

Agent Doeff bestrijkt een breed handelsterrein en onderhoudt contacten met de factorij van de NHM in Batavia en met handelshuizen als Vander Ka, Haste & Co, Westermann de Nijs & Co en Reijnst. Hij verricht allerhande koopmanszaken: hij verzamelt productprijzen, doet de inkoop en verkoop van goederen, verschepingen, assurantie en betalingen en bemiddelt bij financiële kwesties. Ook schrijft hij rapporten over handelsmogelijkheden in Azië. Zo komt vermoedelijk onder zijn invloed kort na de oprichting van de NHM een bedrag van 100.000,- beschikbaar voor het transport van Japanse handelsgoederen.

Thuis gaat het minder goed als in 1828 ook zijn tweede vrouw, Sara, overlijdt. Op 15 april 1829 treedt hij voor de derde keer in het huwelijk. Met Henriette Jacobs, 26 jaar, afkomstig uit Friesland, doopsgezind, krijgt hij vier kinderen. Ze komen te wonen op Keizersgracht 223 (bij de Reestraat) en huren ook het buitenverblijf Nieuw Broekhuijsen in Leersum, inclusief dienstboden.

Hendrik maakt tijd vrij voor liefdewerk, wat we nu vrijwilligerswerk noemen. Eerst is hij penningmeester van het nog jonge College Zeemanshoop, daarna voorzitter van het Weldadig Zeemansfonds, opgericht door deze belangenvereniging voor zeelieden ter ondersteuning van “oude en nooddruftigen zeelieden, mitsgaders deszelvers weduwen en weezen”. Het vele vergaderwerk gebeurt in het opvallende gebouw van Zeemanshoop aan de Buitenkant (Prins Hendrikkade 142), met uitzicht over de haven. De organisatie speelt in februari 1825 een grote rol tijdens de watersnood na een dijkdoorbraak bij Durgerdam. Kapiteins van Zeemanshoop redden met hun sloepen – een opvallende rode vlag in de mast – vele Waterlanders uit hun benarde positie. Doeff coördineert de reddingsactie en is nauw betrokken bij de landelijke geldinzameling voor de gedupeerden.

 

Herinneringen

Tussen de bedrijven door werkt Hendrik Doeff aan zijn Herinneringen uit Japan, dat in 1833 verschijnt, “om met bewijzen te toonen, dat mijn negentienjarig verblijf op Japan noch geheel onvruchtbaar is geweest voor de wetenschappen, etc.”. Een boeiend verslag, met een verrassend moderne toon. Tot zijn spijt moet hij toezien dat hij als Japankenner concurrentie krijgt van jonkheer Philipp von Siebold, van 1823 tot 1829 arts op Deshima, die uitgebreid publiceert over Japanse fauna en flora. Doeff schrijft: “Ik moet bekennen dat de Heer Siebold een man van buitengewoone bekwaamheid moet zijn om in die korte tijd dat hij in Japan is geweest (...) zig zoo verre op de Japansche taal toe te leggen dat hij in staat zoude zijn eene verhandeling over de Japansche taal, of wel eene spraakkunst te vervaardigen...” Fijntjes merkt hij op dat Siebold gebruik heeft gemaakt van het woordenboek dat Doeff in Nagasaki heeft moeten achterlaten, zoals “ook anderen uit kladden en dubbelds van [mijn] werk het eene en andere, ten behoeve van hunnen eigenen arbeid, hebben geput”.

Hij stopt met zijn werk voor de NHM in 1834, maar blijft betrokken bij conferenties over de samenstelling van de lading voor Japan en ontvangt een maandelijks pensioen van150,-. Op 19 oktober 1835 overlijdt Doeff, 58 jaar oud. Zijn nalatenschap bestaat uit beleggingen en obligaties ter waarde van circa 365.000,- (omgerekend een kleine € 4.000.000,-). Zijn enig onroerend goed is zijn grafkelder op de Lutherse begraafplaats te Muiderberg. De Staatscourant roemt hem “om zijne kunde en regtschapenheid” en memoreert “dat door zijne zorg, trouw en volharding de Nederlandsche vlag gedurende de bange tijd der Fransche overheersing, niet opgehouden heeft van het eiland Decima te wapperen”.

COR SCHOLTEN IS MARITIEM SCHRIJVER. IN 2018 VERSCHEEN BIJ UITGEVERIJ WALBURG PERS OVER DE AMSTERDAMSE SCHEEPVAART ZIJN BOEK ZEILREDERIJ VAN STARCKENBORG VAN STRATEN.

DE HAIKUVERTALING IS VAN DE BELGISCHE JAPANOLOOG WILLY VANDE WALLE. DE ROMAN DE NIET VERHOORDE GEBEDEN VAN JACOB DE ZOETVAN DAVID MITCHELL (2010) IS GROTENDEELS GEBASEERD OP DE HERINNERINGEN VAN HENDRIK DOEFF. 

 

Beeld header: Het kunstmatige handelseiland Deshima in de baai van Nagasaki, waar Doeff de scepter zwaaide over handelsfactorij. Pakhuizen, tuinen, streng bewaakte poort, brug en vlaggenmast. Uit het atelier van Keiga Kawahara, ca. 1833-1836 (waterverf op zijde). Collectie Rijksmuseum

 

Cor Scholten

Maartnummer 2020

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Maart
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1700-1800 1800-1900

Gerelateerd

Vetmaan, Slokkebier en Dikkeboom. Vondelingen kregen rare namen
Vetmaan, Slokkebier en Dikkeboom. Vondelingen kregen rare namen
Verhaal 1 maart 2020