Handel in zangvogels kreeg in de 19de eeuw vastere vorm

Vogelhandelaar Michiel Bonvie stond in 1885 voor de rechter: hij zou beschermde zangvogels hebben verkocht. Kneuen, sijsjes en merels waren goede handel. Daar zat geld in. Alleen kwamen er steeds meer regels die de gevleugelde dieren beschermden.

Amsterdammers hielden van oudsher zangvogels. Inheemse zangertjes werden ‘voor de kooi’ gevangen op vinkenbanen, meestal in de duinstreek, en verhandeld. De gewone vink het meest, maar ook de zingende kneu en sijs. Nachtegalen, paapjes, spreeuwen, merels, lijsters en leeuweriken waren eveneens veelgevraagd om hun zang. Kauwtjes, raven, eksters en gaaien konden leren praten. Zeelui namen exotische vogels mee. Kanaries kwamen oorspronkelijk van de Canarische Eilanden, de Azoren en Madeira, papegaaien uit Guinea, Congo en Brazilië.

De kweek en de verkoop van al die vogels viel officieel onder het Hoender- en Vogelverkopersgilde, maar dat hield zich vooral bezig met vogels voor de pot – kippen, eenden, ganzen, enzovoort. De verkoop van zangvogels was in handen van reizende vogelhandelaren, die zich aan de gilderegels onttrokken. Op 24 december 1729 zette ene Matthys Hyl in de krant dat hij in Amsterdam was aangekomen met een “volle frisse Kraeg extra Bonte Kanarie Voogels, mooy van pluym, en buyten gewoon van zang”. Hij was te vinden in herberg De Witte Oliphant in de Nes, “tussen de grote en de kleine Hal”, tegenover de Boerenvismarkt, een adres waar in de 18de eeuw talloze vogelhandelaren verbleven. Niet toevallig, want er waren daar twee vogelmarkten. In de Heremietensteeg, om de hoek, stond zelfs een huis genaamd De Drie Bonte Kanarievogels.

In 1800 adverteerde Henderikus Heymans, “Koopman uit Braband”, met de “allerbeste Brabandsche KANARIE-VOGELS”; in 1804 meldde zich een andere rondtrekkende koopman met ook de “allerbeste Kanarie-vogels, zoo wel Jonge als Oude, en Jonge Goud-Vinken en Kwartels” in “de Nieuwe Wijnberg bij P. Roozenbergh in de Warmoesstraat”. In 1844 bood Miena Hartman in hetzelfde etablissement een partij “Saksische Kanarievogels” aan. Die waren bijzonder geliefd, omdat ze (volgens John Gerrard Keulemans in Onze Vogels in huis en tuin, 1869) van nachtegalen de “nachtegaal-, rol- en belslag” konden leren.

 

Vogelvlucht

Zangvogels waren dus handel. Lokale timmerlui specialiseerden zich zelfs in de bouw van broedplaatsen en kooien (‘vluchten’), zoals Dirk Writs, op de Keizersgracht “naast de Comedie”, die reclame maakte voor “veelderhande zoorten van Kanarie-Broey-Vlugten, zo van fatzoenen als van grooten, en dat zo mooy datze in de stad nergens zo gemaakt nog verkogt worden”. Meester-timmerman Nicolaas van Olden adverteerde in 1811 voor zijn “ongemeene schoone hechte en sterke KANARIE- of VOGEL-VLUCHT, lang 24, breed 17 en hoog 14 voeten, met twaalf gevlochte Draadramen en vier Glazen Ramen, voor het inregenen over het bovenste Draadwerk gedekt, zynde zeer gemakkelyk te verplaatsen”. Hij leverde er desgewenst de kanaries bij. Vogels konden kostbaar zijn, een solide volière was bepaald geen luxe. Zo is er een bericht uit augustus 1805 over een diefstal uit de vogelkooi bij de buitenplaats Boekenstyn van Martinus Alewijn in ’s Graveland van “25 à 40 KANARIE-VOGELS en een KOUWETJE”. De Baljuw van Naarden en Gooiland loofde een beloning van f 100,- uit.

De handel in zang- en siervogels kreeg in de 19de eeuw vastere vorm. Reizende handelaren vestigden zich nu in de stad. Adriaan van Mansum, in de Utrechtsestraat hoek Keizersgracht, adverteerde in 1880 voor Saksische kanaries die “de Water-, Belrol- en Nachtegaalslag zingen, zoowel bij Avond als bij Dag”. Later had hij “Andolaters, Inséperable en Rosella Parkieten, Kanaries, Rijst- en Bandvogels, Wevers, Kardinalen, Seizen, Putters, Vinken, Lijsters, Kaketoes en Papegaaien” en in 1883 zelfs een ‘Blauwe Papegaai’, die het lied Dat scheiden valt niet zwaarkon fluiten. In de Jacob van Campenstraat nam M. van der Sluijs in 1884 een zaak over van Wilhelmina Schutze als importeur van “Saksische Kanarievogels” uit Sankt Andreasberg in de Harz, “met prachtige rollen en zuivere fluiten”, en ook met “Hollandsche Broeimannen in den vollen zang”. Gerrit Smit op de Korte Prinsengracht deed in 1888 in sier- en zangvogels, waaronder Congo-papegaaien.

 

Regels

In de Openhartsteeg bij de Reguliersbreestraat zat in diezelfde tijd de winkel van Michiel Bonvie. De familie Bonvie kwam uit Keulen. Stamvader Frans Xavier Bonvie (1798-1883), vogelhandelaar, was daar geboren. Hij trouwde tweemaal, kreeg twaalf kinderen en verhuisde omstreeks 1855 naar Amsterdam, waar hij in de Sint Pieterssteeg kwam te wonen. Zoon Michiel (Michael) (1852-1915) belandde ook in de vogelhandel, met zijn vrouw Elisabeth Geesthuijsen.

Michiel en Elisabeth hadden wel “1000 stuks buitenlandsche Vogeltjes” in de aanbieding, volgens de advertentie: “Nonnentjes Witkop, Nonnentjes Zwartkop, Nonnentjes driekleur, Bandvogeltjes, Muscaatjes, Napoleon, blauwe en roode Fazantjes, Wevers, Zwaluwtjes, Zilverbekjes, alle deze soorten à f 3,- per paar.” Ze stonden ook met een kraam op de Nieuwmarkt en handelden later vanuit hun huis in de Bloedstraat in honden (“Malteeser Leeuwtjes, Mop- of Pukhondjes, Zwarte Koningspoedels, en een zeldzaam groote New-Foundlandsche”) en zelfs in apen.

Ze kregen te maken met de steeds strengere regels waaraan de vogelhandel was gebonden. Inheemse vogels werden beschermd; het vangen van nachtegalen, bij voorbeeld, was al vanaf 1852 niet meer toegestaan. En eind 19de eeuw kwamen vogelliefhebbers in het geweer tegen de mode om hoeden en kleding te versieren met kleurrijke veren en soms ook opgezette vogels. De Bond ter bestrijding eener gruwelmode en de Bond ter bestrijding van den Vogelmoord werden opgericht, die in 1899 hun krachten bundelden in de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Vogels. Met succes: de Vogelwet uit 1912, destijds uniek voor Europa, beschermde bijna alle inheemse vogelsoorten. In 1914 volgde een verbod op de netvangst van zangvogels voor consumptie (het vangen van kooivogels bleef met een vergunning nog wel mogelijk).

 

Dierenmishandeling

In 1885 raakte Michiel Bonvie in de problemen met de vogelkraam op de Nieuwmarkt. Een brigadier van de Rijksveldwacht inspecteerde zijn waren en nam achttien vogels in beslag, omdat ze beschermde soorten zouden zijn. Hij schreef een proces-verbaal uit en nam de dieren mee in een papieren zak. Bonvie liet het er niet bij zitten. Hij beklaagde zich openlijk – in dagblad De Tijd– over de manier waarop de brigadier met zijn vogels was omgesprongen: “Hij nam weg 2 keepen, 15 gele kluiten (zooals men ze in Utrecht noemt; zij heeten ook vlasvinken of Groningers) en een barm- of noord-sijsje. De vogels werden in een papieren zak geborgen, en toen ik met dezen brigadier der rijksveldwacht aan het bureau op de Prinsengracht kwam, waren acht der 18 vogels gestikt. Wij zijn allen [...] onderworpen aan de wet, maar het schijnt niet noodig, dat die wet zoo wordt toegepast, dat ons eigendom wordt vernietigd, en dat politie-ambtenaren zich schuldig maken aan dierenmishandeling.”

De zaak kwam voor de rechter. Bonvie ontkende ‘pertinent’ dat hij op de Nieuwmarkt verboden vogels in de verkoop had. De brigadier hield ‘op ambtseed’ vast aan zijn proces-verbaal. De eis luidde f 10,- boete of, bij wanbetaling, drie dagen cel. De in beslag genomen vogels waren op de zitting niet beschikbaar, zodat, aldus De Tijd, “de ornithologische kennis van den brigadier”, de enige onderbouwing van de strafeis was.

Maar Bonvie had zich goed voorbereid en een kooi meegebracht met vogels van de drie soorten die bij hem in beslag waren genomen. Met toestemming van de rechter mocht hij de brigadier in de rechtszaal op de proef stellen. Hij daagde de politieman uit de verboden vogelsoorten aan te wijzen. Dat lukte hem niet, “tot vermaak der aanwezigen”: hij wist er slechts één te identificeren. De rechter vermaande de brigadier dat hij geen processen-verbaal moest tekenen waarin dingen stonden waar hij geen verstand van had. Bonvie werd vrijgesproken.

 

Heling

Maar de triomf had een schaduwkant. De suggestie dat Bonvie niet helemaal bonafide was, bleef hem aankleven, blijkt uit latere krantenberichten. In 1886 viel de politie tot driemaal toe zijn winkel in de Bloedstraat 7 binnen op zoek naar een gestolen hond: ze verdachten Bonvie ervan gestolen dieren op te kopen. Opnieuw schreef hij een stuk op hoge poten om zijn reputatie te herstellen, nu naar Het Nieuws van den Dag. Het was “onpleizierig” dat “een gevestigd koopman, wiens naam reeds gedurende zestig achtereenvolgende jaren door geheel Nederland bekend heeft gestaan” werd belasterd door lui die nog geen vrouwtjeskanarie van een mannetje konden onderscheiden.

Hij had niets met de helingszaak te maken, was op reis, en vermeldde precies welke honden hij “in collectie” had (“een zware Deensche dog, reu; een witte koningspoedel, bekroond met G.M.; twee zwarte poedels, drie jonge poedels, een witte koningsleeuw, een zwart en een wit damesleeuwtje en twee dalmatiner- of tijgerhonden”). Van al die honden kon Bonvie de herkomst bewijzen. Van de eigenaars had hij “de prachtigste getuigschriften in zijn bezit, benevens een lieve dankbetuiging”.

Kennelijk raakte hij toch niet van de smet af. Tien jaar later, in november 1897, werd hij weer in het openbaar – in het Algemeen Handelsblad– beschuldigd van heling. Ingenieur Frans Anderheggen schreef dat zijn “prachtige Mastiff” was gestolen. Twee jongens waren hem komen vragen of hij misschien voor de terugkeer van de hond wilde betalen. Hij haalde politie erbij. De jongens zeiden dat “Bonvie in de Bloedstraat” het dier in handen had. Dat bleek zo te zijn. Maar Bonvie verklaarde dat hij de hond van een zekere Willem van Doorn in Hoorn had gekocht.

Anderheggen liet uitzoeken of er in Hoorn een Van Doorn woonde. Niet, dus. Nu noemde Bonvie “een zekere De Graaf” als verkoper, ook daar kwam hij op terug. Wel kon hij met de kwitantie voor de aankoop in de hand aanvoeren dat hij de hond eerlijk gekocht had. Juridisch was hier niets tegen te doen: Anderheggen stond machteloos.

 

Bonvie & Zoon

In 1903 portretteerde De Telegraaf Michiel Bonvie op de markt op het Amstelveld, “in den zoölogischen hoek”, met zijn kooien met “vinken, sijsjes, koddenaars en geelgorsen”. Zijn zoon Frans (1873-1944) was in zijn voetsporen gestapt en samen dreven ze een handel in rashonden, vogels en vogelkooien, vanaf 1905 als Bonvie & Zoon op het adres Oudezijds Achterburgwal 1-3. Frans zette de winkel nog tot in de jaren dertig voort. In 1935 adverteerde hij als “het oudste adres in Nederland” met een collectie Roodstaart Congopapegaaien, “leert in 3 mnd. meer spreken dan groene in 3 j”. In de Amsterdamse dierenhandel is de naam Bonvie daarna verdwenen.

MET DANK AAN NICOLE BONVIE EN DIERENHANDEL EXOTICA.

Koen Kleijn

Aprilnummer 2020

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Economie
Editie:
April
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950