Gouden Koets II: Spijker bouwt een rijtuig

Oranje en Nederland: een onverbrekelijke eenheid

De bevolking van Amsterdam schonk de jonge koningin Wilhelmina een Gouden Koets. Spil van het project waren de gebroeders Spijker. Van koetsen wisten ze alles. Maar ze bedachten niet de ‘nationale’ boodschap die het galarijtuig moest uitdragen. Wie dat deed? 

In september 1896 schreef Nicolaas Renz, secretaris van de Vereeniging van het Amsterdamsche Volk, aan koningin Emma dat “een groot aantal personen uit de Amsterdamse volksklasse, vertegenwoordigende duizenden en duizenden Oranjemannen” een kostbaar galarijtuig wilden aanbieden, betaald uit “kleine volksbijdragen” en “geheel door Amsterdams werkvolk […] vervaardigd”. Haar secretaris antwoordde dat Hare Majesteit voor het aanbod vriendelijk bedankte.

Prinses Wilhelmina wilde bij haar inhuldiging tot koningin liever geen geschenken, had ze gezegd. Op de achtergrond speelde nog een andere reden. Het Koningshuis zag in dat de koets een politiek beladen geschenk was, dat de samenleving misschien eerder verdeelde dan verbond. Een maand later echter kwamen de majesteiten op hun beslissing terug. Wilhelmina was nu toch ‘volgaarne’ bereid het geschenk te aanvaarden, zij het niet bij de inhuldigingsplechtigheden zelf, maar “bij een latere gelegenheid”.

Nu kon de Vereeniging aan het werk. Bij iedereen in Amsterdam viel een wervende folder in de bus. De offerte van Rijtuigfabriek Spijker beliep f 120.000,-, omgerekend naar nu een kleine € 2 miljoen. Wie 25 cent aan het geschenk bijdroeg, kreeg een vermelding in een gedenkboek en het recht de koets later kosteloos te bezichtigen. Voor de armsten was een kwartje een heel bedrag, dus was ook betaling in termijnen mogelijk.

De Vereeniging beloofde dat de koningin bij komende feestelijkheden “ook de straten, waar de kleine man woont, zal komen doorrijden”: de gewone man kon meegenieten van wat hij met zijn kleine bijdrage mee tot stand had gebracht. Het benodigde geld kwam bij elkaar, maar de inzameling zou in de volksbuurten slechts weinig hebben opgeleverd. “Men zegt zelfs dat het leeuwendeel met rijksdaalders en tientjes en niet met kwartjes is bijeengebracht”, aldus het Volksdagblad.

Rechtop

De gebroeders Hendrik Jan en Jacobus Spijker waren de spil van het project en volgens sommigen ook de eigenlijke initiatiefnemers. Zij hadden hun rijtuigfabriek in 1886 in Amsterdam gevestigd. Van koetsen wisten ze alles. Tijdens hun stage in Parijs zagen ze de grote koets die in 1825 voor de kroning van koning Karel X was gemaakt. Ze wisten ook dat de Staten-Generaal in de 18de eeuw een ‘Karos van Staat’ bezat én ze maakten in hun werkplaats aan de Stadhouderskade 114 al eerder twee gouden koetsen, voor de vorsten van Solo en Djokjakarta.

Kennis en ervaring genoeg dus. Voor Wilhelmina ontwierpen ze een gala-berline voor acht paarden. De Gouden Koets moest hoog zijn, met grote vensters, zodat zij het volk kon zien en het volk haar. Wilhelmina moest er rechtop in kunnen staan en er rechtop kunnen in- en uitstappen.

De belofte van het Amsterdamse geschenk was dat de Gouden Koets gemaakt werd met uitsluitend Nederlands (en Nederlands-Indisch) materiaal, door Nederlandse arbeidskrachten. Vlas voor het linnen uit Zeeland, leer uit Brabant, teakhout uit Java en ivoor uit Sumatra. Schilders, decorateurs, glasblazers, leerlooiers, vergulders, lakenwevers, ivoorsnijders en bronsbewerkers: allemaal van Nederlandse bedrijven.

De Gouden Koets droeg een ingewikkelde boodschap uit van een groots verleden en nieuwe nationale eendracht, verenigd onder de Oranjedynastie. ‘Oranje’ en ‘Nederland’ waren een onverbrekelijke eenheid. De versiering op het rijtuig was gedetailleerd en elk detail had betekenis: alle aspecten van de samenleving moesten een plek hebben. Rondom de daklijst werden de wapens van de provincies aangebracht én het wapen van Amsterdam, ietsje groter dan de andere.

Kacheltje

Op het dak kwamen vier gevleugelde vrouwenfiguren met attributen van arbeid, handel, scheepvaart en landbouw, en boven hun hoofd een kussen waarop de regalia lagen – kroon, scepter, zwaard en appel. De twaalf spaken van de wielen waren zonnestralen, de velgen droegen de tekens van de dierenriem. Alle beelden werden gesneden uit teakhout en daarna verguld. Op de hoeken van de koets kwamen elektrische (!) kristallen lantaarns, binnenin onder de bankjes zat een 12-volts elektrisch kacheltje.

Weesmeisjes van het Burgerweeshuis en het Maagdenhuis en de dames van de vereniging Tesselschade-Arbeid Adelt deden het borduurwerk voor het interieur (15 miljoen steekjes). Het beeldhouwwerk was in handen van Emil van den Bossche (1849-1921) en Guillaume Crevels (1855-1916). Samen hadden ze een atelier in de Lutmastraat. Amsterdam kende hen van de decoraties in Carré, de portretten aan de gevel van het Barlaeus Gymnasium, de beelden voor de Sint-Nicolaaskerk en in de Nachtwachtzaal van het Rijksmuseum.

De Amsterdamse schilder en hoogleraar aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten Nicolaas van der Waay (1855-1936) kreeg de opdracht voor vier grote panelen. Hij was van alle markten en stijlen thuis. Hij was bekend van het intieme Kerkgang van Burgerweesmeisjes, maar draaide zijn hand niet om voor een panorama van het Beleg van Haarlem of het interieur van een visrestaurant. Hij nam het memorabele moment van Wilhelmina’s inhuldiging als opmaat naar een ‘modern’ Nederland, met de eerste tekenen van sociale rechtvaardigheid en de elementen die Nederland tot een bloeiende natie maakten, inclusief zijn rol als koloniale wereldmacht.

Hulde

Het voorpaneel is slecht te zien, omdat de bok eroverheen zit. Het stelt ‘De Toekomst’ voor, met sociale voorzieningen voor ziekte, ongevallen en ouderdom en met de onderwijswet. Op de achterkant is de muze van de Geschiedenis met op de achtergrond het Paleis op de Dam en de Nieuwe Kerk. Zij schrijft de kroning van Wilhelmina bij in het Boek der Tijden.

Op de lange zijkanten schilderde Van der Waay twee grote voorstellingen. Het rechterpaneel brengt een ‘Hulde aan Nederland’. In het midden zit een vrouw die zowel Nederland als Oranje vertegenwoordigt. Blote kindertjes strooien vredig roze en witte lelies. Rechts staan figuren die Vrede, Onderwijs, Geloof, Landbouw, Veeteelt (met koe), Handel en Nijverheid voorstellen; links Muziek, Dichtkunst, Wetenschap en Recht, geleid door Wijsheid, steunend op Leger, Tucht en Orde.

Het linkerpaneel toont de ‘Hulde der Koloniën’. Aan de voeten van de Nederlandse Maagd liggen producten uit West- en Oost-Indië, die eerbiedig worden aangeboden, gehurkt brengt een ‘inlander’ de sembah, een traditioneel eerbewijs. Rechts staan een Indische vorst en andere hoogwaardigheidsbekleders, en wordt een drietal jonge Indonesiërs door een vrouw beschermd tegen uitbuiting en willekeur. Links brengt Nederland beschaving in de West: een heer in toga geeft een boek aan een zwart jongetje. 

De sfeer is helemaal van die tijd: de vrouwenfiguren met hun lange losse gewaden, opgestoken haar en opvallende lange nekken zijn typische art nouveau figuren, ergens tussen adellijke jongedames en dromerige nimfen in. Van der Waay hield de kleuren zacht, met veel roze, lichtgroen en lichtblauw, heel anders dan de gouden beelden op het dak.

Tijdperk

Onbekend is wie er eindverantwoordelijk was voor de zware symboliek op de koets. Er is geen correspondentie van de gebroeders Spijker met Van der Waay of de twee beeldhouwers overgeleverd. Lieten ze zich misschien informeren door een wetenschapper of door iemand uit het Koninklijk Huis zelf? We weten het niet. Dat maakt de keuze voor met name de twee grote schilderingen raadselachtig. Wie meende dat het koloniale bewind van Nederland vooral gericht was op verheffing van het volk en de ‘Bescherming en Vrijmaking van den Inlander’? Dat was, hoe vreemd het nu ook lijkt, in die tijd een vooruitstrevende visie: er is nergens een soldaat te zien. Hier breekt, kennelijk, een nieuw tijdperk aan.

Op 5 september 1898 maakt koningin Wilhelmina in een open crème calèche – een geschenk van haar moeder – haar intocht in Amsterdam. Op 6 september is de inhuldiging, die slechts een half uur in beslag neemt; in de dagen daarna zijn er overal diners, feestelijke optochten en concerten. De jonge vorstin brengt op 7 september ook een bezoekje aan het Paleis voor Volksvlijt. Daar staat de nieuwe Gouden Koets opgesteld. Er is een koor van 300 kinderen en er zijn vertegenwoordigingen van bejaarden en verpleegsters, maar het bezoek is niet in het officiële programma opgenomen. Dat doet vermoeden dat men bang was voor een te grote volksoploop, misschien wel voor demonstraties.

Poenig

De reacties in de kranten zijn maar zozo. Het Volksdagblad vindt het “een poenig stuk”. De columnist ‘De Vijzelaar’ in het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage: “De koets zelf doet me wat al te ‘goud’ aan, het is goud van onder tot boven, links en rechts, voor en achter. [...] ik zie niets dan dat glimmende, domme, niets-zeggende, onartistieke goud, heel ‘prachtig’ voor lui, die van glans en glinster houden, maar overigens bête comme tout.” Maar de taferelen van Van der Waay krijgen zijn goedkeuring: “Die paneelen, daar zit een gedachte in; dat heeft een rustig droomleven van afgetrokken figuren, dat is kunst. Of nu op elke wiek tusschen de spaken (ook al in goud) de teekenen van den dierenriem zijn afgebeeld, dat laat me koud. Voor die paneelen zou ik er nog wel eens heen willen gaan.”

Pas in januari 1901 wordt de laatste hand aan het verguldsel gelegd. De koningin kan voor het eerst in de Gouden Koets gaan rijden. De gebroeders Spijker laten het Hof weten dat er vanwege de gladheid eerst nog even is gewacht met proefritten, maar op 7 februari rijdt Wilhelmina door Den Haag. Het is haar huwelijksdag. Een maand later krijgen ook de Amsterdammers de koets eindelijk eens in volle actie te zien.

Sinds 1903 rijdt de Gouden Koets op Prinsjesdag. In 2011 pleitten twee leden van de Tweede Kamer voor verwijdering van het paneel ‘Hulde der Koloniën’: “In de koloniale tijd en de nadagen van de slavernij leek een dergelijke afbeelding heel gewoon. Nu herinnert het ons aan een gruwelijke periode in de Nederlandse geschiedenis.” De Gouden Koets zal na een langdurige restauratie vanaf juni 2021 in het Amsterdam Museum tentoongesteld staan. Het is de vraag wat er daarna mee gebeurt: er is een gerede kans dat de koets niet meer voor officiële gebeurtenissen wordt gebruikt.

 

Koen Kleijn, #3 maart 2021

Delen:

Dossiers:
Families Kunst en Cultuur Politiek Vervoer
Editie:
Maart
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950