Goochelaar Ocus Bocus

De woningen in de Meelhal op de Nieuwmarkt werden begin 17de eeuw verhuurd aan uiteenlopende bewoners. Een van hen had de magische bijnaam Ocus Bocus. Hij was slager, maar ook goochelaar en een bekende figuur in de stad.  

De Meelhal, ook bekend als ‘’t Hekje’, werd opgeleverd in 1615, maar slechts kort voor de handel in meel gebruikt (zie ook Ons Amsterdam november 2021). Al in januari 1616 waren de woningen op de eerste verdieping verhuurd. In 1618 zou er een Engelse potsenmaker hebben gewoond met enkele andere straatartiesten, onder wie een zekere meester Gloude Adelet, ‘coortdanser’.  

De rekeningen van de thesaurier maken ook melding van ene ‘Ocus Bocus’, die in september 1618 tien gulden betaalde om ‘onder ’t Meelhuys’ goochel- en andere kunsten te vertonen. Volgens andere bronnen was deze Bocus geen Engelsman, maar de Joodse slager Ribi Simson, die wordt vermeld in het Libro dos Impostos de Nacáo, het belastingboek van de Portugese Natie in Amsterdam. 

Simson werkte tussen 1618 en 1628 als slager voor de Portugees-Israëlietische Gemeente Beth Jacob. Met Efraim Halevy, neef en schoonzoon van de bekende rabbijn Uri Halevy en ene ‘Meijer de Slager’ was hij verantwoordelijk voor de leverantie van koosjer vlees.  

Hocus pocus  
In de Joodse wijk moet Ribi Simson een bekende verschijning zijn geweest, omdat hij dus naast zijn werk als slager optrad als de goochelaar Ocus Bocus (ook gespeld als Ocos Bocos en Okes Boques), een naam die overduidelijk doet denken aan de bekende spreuk ‘hocus pocus’.  

Over de herkomst van die woorden lopen de meningen uiteen. ‘Hocus pocus’ komt in 1575 voor in Duitsland als woord voor ‘tovenarij’; in het Engels zijn ‘hocas pocas’ (1624) en ‘hokos pokos’ (1625) bekend als aanduiding voor een goochelaar en een toverformule; in Nederland werd ‘ocus bocus’ in 1644 gebruikt voor ‘toverkunsten’.  

In de komedie Beroyde student van Jillis Noozeman heeft de hoofdpersoon Volckert een stevige hekel aan de tovenarijtjes van ene Hagendevelt in de Korte Warmoesstraat: ‘Schijt vuur-spuwers, schijt goochel-tas, schijt ocus-bocus kaertje, 't Is al maer kinder-spul.’ In het stuk Hans van Tongen is de hoofdpersoon zo verliefd dat het lijkt of zijn geliefde kan toveren: ‘Het is ofme met een stock het binnenste in mijn lijf hiel omroert/ Ick loof niet ofse kon Ocus bocus, dat sy mijn dus heeft vervoert.’  

De klassieke uitleg is dat hocus pocus een verbastering is van de Latijnse uitspraak bij het avondmaal ‘hoc est corpus (meum)’, ‘dit is mijn lichaam’. Bij het uitspreken van die woorden veranderen brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus. In de katholieke kerk was de liturgie van de mis in het Latijn – voor gewone gelovigen dus niet te volgen – en de priester stond nog met zijn rug naar de gemeente, wat het mysterie van de verandering alleen maar versterkte. Het zou kunnen dat de woorden verbasterd zijn tot een spreuk in potjeslatijn waarmee een goocheltruc extra cachet werd gegeven. Goochelaars van uiteenlopende gezindte hebben de spreuk gebruikt, wellicht dus ook Ribi Simson.  

Kermis en jaarmarkten 
De geboorte- en sterfdatum van Simson zijn niet bekend, en het is ook onduidelijk waar hij vandaan kwam. Zeker is dat hij al in 1616 in Amsterdam woonde, want op 1 januari 1617 maakte hij de droeve gang naar de Portugees-Israëlietische begraafplaats Beth in Ouderkerk om er zijn dochtertje te begraven. Op 26 maart 1627 legde hij er bovendien zijn zoon te ruste. Beide begrafenissen staan vermeld in de Keur van Grafstenen van David Henriques de Castro uit 1883, waarin sprake is van de teraardebestelling van een kind van ‘Okes Boques’.  

Ribi Simson wordt verder vermeld in een proces-verbaal van notaris Pieter Ruttens, gedateerd 30 juni 1620, over een opstootje enkele weken eerder op de ‘Breestraat bij de Theunissluys’, de huidige Sint Antoniessluis. Simson stond die dag voor het huis van Mordechai Da Costa tussen toeschouwers te kijken naar het relletje.  

De ‘rakkers’ (assistenten van de schout) Jan Hermans en Roelof Jansz. vroegen hem wat er aan de hand was. Simson vertelde dat Da Costa met enkele aanhangers het dienstmeisje Schoontgen mishandeld hadden ‘en anderssins kwalijk getracteerd’, omdat zij haar verdachten van het ‘ontdragen’ (achteroverdrukken) van enkele zilveren voorwerpen uit zijn huis. Het feit dat Simson door de dienders werd opgemerkt en ondervraagd, kan er op duiden dat hij een bekende figuur in de buurt was.  

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right

Aangezien zijn dienstverband als slager bij Beth Jacob eindigde in 1628, lijkt het erop dat Simson daarna als goochelaar in zijn levensonderhoud voorzag. Zoals veel van zijn collega’s trad hij op tijdens kermissen en op de drukbezochte, soms dagen durende jaarmarkten. Er wordt geregeld melding gemaakt van zijn optredens. In 1627 had ‘Samson Ocos Bocos’ vergunning om in Den Haag zijn ‘consten op ’t Buytenhoff te exerceeren’. En de Duitse predikant Johann Schupp meldt in een van zijn geschriften dat hij tijdens zijn studententijd in de Nederlanden in 1634 ‘Ockes Bockes der Amsterdamer’ had zien optreden. 

Onderneming met een eland 
Misschien was het Simsons kermiservaring die hem bracht tot een onderneming met een eland. De internationale handelscontacten van Amsterdam leidden tot de invoer van tot dan zelden in Holland geziene dieren. Toen zo’n exoot in 1639 letterlijk het pad van Ribi Simson kruiste, zag hij ongekende mogelijkheden. Hij wist zijn kompanen Magnus Abrahams en Benedictus Hendriks voor een interessante onderneming te winnen.  

Op 25 oktober dat jaar stelde de Amsterdamse notaris Jan de Vos een overeenkomst op tussen Simson aan de ene zijde en Magnus en Benedictus aan de andere zijde, beiden Hoogduitse joden. Onderwerp van de overeenkomst was ‘de helfte van een levendige Eland met de helfte van een conterfijtsel [afbeelding] van dien voor de somme van ƒ 70,-’. Het was de bedoeling dat Magnus en Benedictus gedurende een jaar met de eland langs de steden van de Republiek zouden trekken om het dier tegen betaling te laten bezichtigen.  

Na aftrek van de gemaakte onkosten voor voeding enz. zou Simson de ene helft van de winst krijgen en Magnus en Benedictus de andere helft. Mocht de eland binnen een jaar komen te overlijden, dan dienden Magnus en Benedictus de huid van de eland aan Simson te overhandigen. Als zekerstelling ontving Simson de lommerdbriefjes (‘lombardcelen’) van enkele onderpanden waarop een bedrag van ƒ 60,- was beleend. Simson ging niet met Magnus en Benedictus mee op reis door het land, maar hij bleef als goochelaar optreden. Ondanks alle goede plannen en de hoop op veel dukaten en florijnen van het nieuwsgierige publiek was het met het rondtrekken na drie maanden gedaan: de eland overleed. Mozes Epstein en Josef Aron lieten op 11 januari 1640 bij eerdergenoemde notaris Jan de Vos een verklaring opstellen, waarin zij meldden dat het beest op vrijdag 3 januari rond drie uur in de ochtend was gestorven. 

Ze voegden daar – heel opmerkelijk – aan toe dat het beest destijds door Simson aan Magnus Abrahams en Benedictus Hendriks was verkocht ‘als eland’. Dat doet vermoeden dat Magnus en Benedictus bij hun aankoop geen duidelijke voorstelling van een eland hadden, laat staan dat ze er ooit één gezien hadden. Wellicht hadden ze dus een kat in de zak gekocht. Welke rol Mozes Epstein en Josef Aron hadden en waarom zij de verklaring bij de notaris hadden laten optekenen, is onbekend.  

 

SEFARDIEM OF ASJKENAZIEM
Chroniqueur van de Joods-Amsterdamse geschiedenis A.M. Vaz Diaz veronderstelde in 1935 dat Simson een van de eerste Hoogduitse (Asjkenazische) joden in Amsterdam was. De Hoogduitse Gemeente werd pas opgericht in 1635; tot dat jaar werden alle Joodse immigranten, zowel Sefardiem als later de Asjkenaziem, lid van de Portugees-Israëlietische Gemeente.  

Maar bij het vermelden van de namen in het elandcontract van 25 oktober 1639 wordt Ribi Simson aangeduid als ‘Mr. Samson Ocos Bocos Italiaan’. Als hij inderdaad van oorsprong Italiaan was, en na aankomst in Holland voor de Portugees-Israëlietische Gemeente was gaan werken, zou hij tot de Sefardiem gerekend moeten worden. Overigens staat de goochelaar in de archieven omschreven als een trouwe bezoeker van de synagoge. 

Beeld: Goochelaar. Prent van Balthazar van den Bos uit de 16e eeuw, naar een tekening van Jeroen Bosch. Rijksmuseum Amsterdam.

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Februari
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1600-1700