Gezond leven: een maatschappelijke plicht

De mediadokter als gezinsadviseur

Al honderd jaar propaganderen artsen en andere adviseurs een gezonder leven. Aanvankelijk richtten ze hun gezondheidsadviezen vooral op jonge moeders. Later volgden ook rokende mannen en andere groepen.

“Ziek zijn is een keuze.” Deze uitspraak komt van een bedrijfsarts van een groot en gerenommeerd bedrijf, en dateert uit de jaren negentig van de vorige eeuw. De achterliggende gedachte is niet nieuw: mensen kunnen zelf hun gezondheid beïnvloeden, of beter nog, ze moeten dat doen. Gezond leven bevordert het welzijn van individuele mensen, en is tegelijkertijd een maatschappelijke plicht.

Die ideëen werden in de 19de eeuw vertolkt door de hygiënisten, die gezond leven als moreel hoogstaand beschouwden, als moreel beter dan er maar op los te leven. Zij zagen zichzelf als verbreiders van een rationeel gezondheidsethos en als bestrijders van irrationele angsten, griezelige fantasieën, bijgeloof en dweepzucht, ongezonde tradities, laksheid en eigenbelang.

De hygiënisten bouwden voort op een lange traditie die teruggaat tot de beschaving van de oude Grieken en Romeinen. Nieuw waren de systematische gezondheidscampagnes. Zij en latere artsen organiseerden tentoonstellingen en konden gebruik maken van media met een steeds verder strekkend bereik, van kranten, radio, en meer recent van televisie en internet. Hun publiek is daardoor spectaculair vergroot en het gebied waarmee zij zich bemoeien is steeds groter geworden. Het beslaat alles wat te maken heeft met het behoud van de gezondheid. Het gaat om gezonde publieke voorzieningen, en om gezond gedrag van individuen, in hun seksuele relaties en hun gezinsleven.

Gezonde gezinnen

Voor artsen vormden moeders een geschikt aanknopingspunt voor de verbreiding van moderne inzichten op het gebied van de gezondheid. De gezondheid van het hele gezin was van hun handelen afhankelijk. Hun verantwoordelijkheid lag bij de schoonmaak, de maaltijden die ze hun familie voorzetten en de persoonlijke verzorging van hun kinderen.

Om hen te instrueren publiceerden artsen een stroom van voorlichtende lectuur. Van De gezondheid in huis. Een geneeskundig handboek voor allen die hunne gezondheid op prijs stellen (Anthofer e.a., 1890), of De goede raadgever in gezonde en in zieke dagen (Coronel, 1884), tot het tijdschrift Schat der Gezondheid. De gezondheidsinstructies werden geïllustreerd met plaatjes: op het ene plaatje stond bijvoorbeeld afgebeeld hoe het niet moest, op het andere plaatje hoe het wel moest. Een bedompte, donkere en stoffige kamer werd gecontrasteerd met een licht en fris gelucht huis, muffe en vochtige alkoven of bedsteden met schone, heldere slaapkamers waarvan de ramen open stonden.

Dergelijke pogingen om het huishouden op een hoger plan te brengen maakten deel uit van het streven om in het kader van de sociale kwestie de arbeidende klasse te verheffen. Dat gold ook voor de activiteiten die erop gericht waren om de eetgewoonten van arbeiders te veranderen en op die manier de volksvoeding te verbeteren. Huisvrouwen moesten theoretisch en praktisch worden geschoold, als onderdeel van de rationalisering van het koken. Behalve op de huishoud- en kookscholen, gebeurde dat in kookboeken en in damesbladen.

Artsen als Samuel Coronel schreven bijvoorbeeld in De huisvrouw en De Hollandsche Lelie, over de werking van de spijsvertering en de bloedsomloop. En in kookboeken werden vrouwen geïnformeerd over voedingsleer, warenkennis en receptenleer; over volkspot, burgerpot en fijne keuken. Variatie, kwaliteit en kwantiteit kwamen aan bod, met extra aandacht voor de combinatie van lekker en goedkoop. Nieuw was dat gezondheidsvoorlichters er niet vanuit gingen dat koken een kwestie was van intuïtie en overlevering; dat vrouwen de kookkunst vanzelf zouden verstaan.

Moederlijke plicht

De gezondheid van kinderen, de toekomst van de natie, was een ander doelwit van de gezondheidspropaganda die zich op moeders richtte. Vooral met de verzorging van zuigelingen hebben artsen zich vanaf het eind van de 19de eeuw intensief bemoeid. In die periode was de zuigelingensterfte door verbetering van voeding, watervoorziening, riolering en huisvesting sterk aan het dalen.

Ten tijde van deze daling, en misschien juist door deze daling, raakten artsen in het onderwerp geïnteresseerd en begonnen ze de patronen in de zuigelingensterfte van verschillende bevolkingsgroepen te onderzoeken. Ze ontdekten dat de zuigelingensterfte relatief laag was in de arme joodse buurten van Amsterdam, waar moeders hun kinderen vaker zoogden dan protestante of katholieke moeders. Borstvoeding bleek kinderen een grotere kans op overleven te geven dan de dubieuze melkproducten of papjes die destijds op de markt waren.

En zo kwamen de artsen weer bij de moeders terecht. Die moesten leren dat het hun moederlijke plicht was om hun kinderen de borst te geven. In grote steden als Amsterdam werden begin 20ste eeuw consultatiebureaus opgericht, waar moeders dit te horen kregen en waar ze zelf gratis voeding konden krijgen om tot zogen in staat te zijn.

Dit zogenaamde 'zuigelingenwerk' moest opvoedend en verheffend zijn. Het kon alleen maar worden gedaan door mensen die ‘er liefhebberij in hadden’, zo schreef de directeur van de Amsterdamse Geneeskundige Dienst in 1912. Maar liefhebberij of niet, dat sloot een sterk moraliserende toon niet uit. Zo schrijft een Amsterdamse zuigelingenarts in 1934 in het Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde: “Een moeder, wier kind ziek wordt en sterft door willens en wetens gegeven verkeerde voeding, is even misdadig als zij, die haar kind verhongeren laat.”

Het zuigelingenwerk bestond onder meer uit het uitreiken van Wenken voor moeders, waarin naast propaganda voor borstvoeding ook andere instructies voor de verzorging van zuigelingen stonden. Moeders moesten hun baby’s wassen en ze moesten hen in geluchte ruimten laten slapen. Als ze kunstvoeding gaven, moesten ze daar hygiënisch mee omgaan. En als hun baby's veel huilden moesten ze een arts raadplegen.

Voorzover het om dergelijke brochures en om consultaties ging, bleef het gemeentelijke optreden nog tamelijk vrijblijvend. Moeders waren niet verplicht om de zuigelingenartsen te raadplegen en ze konden hun adviezen naast zich neerleggen. De gemeentelijke zuigelingenzorg was in Amsterdam in de beginfase echter een voortzetting van de geneeskundige armenzorg, met alle bevoogding van dien. De contacten werden dan ook minder vrijblijvend als de zuigelingenartsen vonden dat moeders in hun verzorging te kort schoten en wel wat advies konden gebruiken. Dan werden ze regelmatig aangespoord om naar het consultatiebureau te gaan, en kwamen zuigelingenzusters in hun eigen huis controleren of ze de instructies wel naleefden.

Verzet van vaders

Dit soort bemoeienis met het privé-leven van mensen was in deze periode nieuw en van verschillende kanten kwam verzet. Vaders stoorden zich bijvoorbeeld aan de artsen die het vanuit hun professionele autoriteit beter leken te weten. Zuigelingenarts Eibink-Van Beusichem schrijft in haar Dagboek en overpeinzingen van een zuigelingenarts 1934-1939 dat sommige vaders hun echtgenoten niet eens naar het consultatiebureau lieten gaan, omdat ze de daar verkregen adviezen overdreven vonden. De voedingsadviezen vonden ze te luxueus. Waarom zou dat kind duurder voedsel krijgen dan zijzelf?

Ook in de Amsterdamse gemeenteraad werd bezwaar gemaakt tegen deze interventies in het intieme leven van mensen, zowel door de conservatieve tegenstanders van overheidsingrijpen als door de communisten. Een conservatief gemeenteraadslid liet zich in 1908 sceptisch uit: “Wat willen de heeren doen? Kinderen voeden en reinigen en daarvoor moet een dergelijke brochure uitgegeven worden. Maar de heeren kunnen overtuigd zijn, dat het uitgeven van een dergelijke brochure inderdaad hierop geen invloed heeft.” En communistische raadsleden protesteerden in de jaren 1920 tegen controlerend huisbezoek. Ze verzetten zich ertegen dat fatsoenlijke mensen in hun eigen huis onder toezicht werden gesteld. Om het in eigentijdse termen te zeggen, dat controleurs “achter hun voordeur” kwamen kijken.

Besmettelijke ziektes

Het voorkomen van besmettelijke ziektes was een ander programmapunt van de gezondheidsvoorlichters. In het geval van een ziekte als tuberculose werden sanatoria opgericht waarin patiënten in een gezonde omgeving rust konden houden. Daarnaast werd de preventie ter hand genomen. Mensen moesten leren hoe ze besmetting konden voorkomen. Daartoe maakten de bestrijders van tbc gebruik van voordrachten met lichtbeelden, van tentoonstellingen en voorlichtingsboekjes.

In die brochures kregen mensen een beknopt overzicht van de algemene hygiënische beginselen, terwijl ook op het specifieke besmettingsgevaar van tbc werd ingegaan. Op een affiche stond de tekst: “Niet spuwen, want door spuwen kunt gij besmettingsgevaar voor anderen veroorzaken.” Op een andere stond een moeder die haar zoontjes door een dokter liet onderzoeken, met de tekst: “Goed zo moeder! Laat je kinderen onderzoeken voor het te laat is.”

En in een voorlichtingsboekje zijn de volgende aanwijzingen te vinden: “Zoen uw kind nooit op de mond”, “Bedek uw mond wanneer uw hoest” en “Was uw handen voor het eten”. Voor een deel was de strekking veel algemener, en werd aansluiting gezocht bij een bredere moraal: “Drankmisbruik betekent de ondergang van een volk, bevordert tuberculose, geslachtsziektes, algemene ontaarding.”

Ook voor het bestrijden van tbc werden consultatiebureaus opgericht, waar mensen zich konden laten onderzoeken en waar ze geïnstrueerd werden door huisbezoekers.

Die werden, net als bij de zuigelingenzorg, ingezet om mensen in het gezin te steunen en te adviseren. Naarmate het inzicht in de relatie tussen armoede en tbc-besmetting groter werd, werd het gebied van deze consulenten breder. Soms gaven ze een gezin financiële steun om extra voeding aan te schaffen, voor een gezin met een zieke moeder regelden ze een huishoudelijke hulp. Patiënten die genezen waren verklaard kregen nazorg.

Eigen verantwoordelijkheid

Al 100 jaar gaat gezondheidspropaganda ervan uit dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun eigen gezondheid en voor die van hun jonge kinderen. Die verantwoordelijkheid wordt zowel met persoonlijke als met maatschappelijke kosten in verband gebracht. Dat gebeurde in het begin van de 20ste eeuw, toen bepleiters van de zuigelingenzorg erop wezen dat een hoge zuigelingensterfte niet alleen persoonlijk verdriet veroorzaakte, maar ook maatschappelijke kosten.

Het laatste decennium lijkt juist dat laatste argument vaker en minder terughoudend gebruikt te worden. Verzekeraars en de overheid stellen steeds vaker de vraag of mensen met een ongezonde leefstijl wel onbeperkt van zorgvoorzieningen gebruik mogen maken. Vanuit deze redenering wordt het lichaam als de toetssteen van persoonlijke discipline gezien. Overgewicht en een onverzorgd uiterlijk worden niet zozeer als zielig gezien, maar eerder als een teken van een gebrek aan zelfbeheersing waar nodig iets aan gedaan moet worden.

Daar ligt een oorsprong van de overheidsactiviteiten die er vanaf de jaren vijftig in westerse landen op gericht zijn om de bewegingsarmoede van de bevolking te bestrijden. Deze activiteiten zijn pogingen tot disciplinering van de bevolking, met als doel om hun gezondheid, vitaliteit, kracht en fysieke gezondheid te bevorderen. Hier lopen overwegingen van gezondheid en moraal door elkaar heen. Over de invloed van zulke campagnes valt te twisten. Het aantal gymnastiek- of sportbeoefenaars in Nederland is de laatste 100 jaar weliswaar spectaculair toegenomen, maar mensen die vaker gaan sporten blijken dat niet zozeer uit gezondheidsoverwegingen te doen, maar eerder vanwege de waarde die ze aan hun uiterlijk hechten.

Een vergelijking met roken is interessant. Die lange tijd ingeburgerde gewoonte wordt in een groeiend aantal landen steeds verder uit het publieke leven teruggedrongen. Krachtige campagnes die de relatie tussen roken en kanker ondubbelzinnig aantonen, die de jarenlange expliciete misleiding door tabaksfabrikanten aan de kaak stellen blijken in dit geval wel effect te hebben. In Thailand bijvoorbeeld resulteerde een dergelijke campagne tussen 2000 en 2002 in een daling van het sigarettengebruik met 20%.

Ook in Nederland is het aantal rokers gedaald, tussen 1995 en 2004 met 2%, terwijl de binnenlandse tabaksconsumptie met 8% daalde. Toch is hier geen sprake van grootscheepse scherpe anti-rookcampagnes. Maar het beeld dat mensen van roken hebben is wel veranderd. Van een symbool van vrijheid en stoerheid is het geworden tot iets ouderwets, tot iets dat moderne en wellevende mensen niet meer doen. Van gedrag met vooral positieve associaties is het verworden tot gedrag dat naar de straat en de uithoeken van het perron is verbannen. Rokers vragen schuldbewust of ze hun sigaret soms in je tuin zullen opsteken, ze laten zich zonder noemenswaardig mokken hun pariapositie welgevallen.

Net als in het geval van de sport-voor-allen campagnes lijkt het anti-rookbeleid in Nederland te slagen omdat naast gezondheidsoverwegingen ook andere overwegingen tellen. Wie gaat de marginalisering van het roken eens goed en gedegen onderzoeken? Een internationaal vergelijkend onderzoek naar de ontwikkeling van het sigarettengebruik in relatie tot overheidsmaatregelen om het roken tegen te gaan zou een interessant beeld kunnen geven van de wijze waarop gedragsverandering tot stand komt.

Tekst: Rineke van Daalen
Beeld: Th. Voorthuys/Stadsarchief
November-December 2007

Delen:

Dossiers:
Editie:
December November
Jaargang:
2007 59
Rubriek:
Verhaal

Gerelateerd

Van Gasthuiskarretje tot traumahelikopter
Van Gasthuiskarretje tot traumahelikopter
Verhaal 1 november 2007
Ondernemer Carl Friedrich Utermöhlen
Ondernemer Carl Friedrich Utermöhlen
Verhaal 1 november 2007
Een pikketanussie ging er altijd al in
Een pikketanussie ging er altijd al in
Verhaal 1 november 2007