Gerrit de Stotteraar

Een onverbeterlijke Amsterdamse inbreker

Gerrit de Stotteraar was in de eerste decennia na de oorlog de bekendste inbreker van Nederland. Hij pleegde vele honderden inbraken, waarvoor hij alles bij elkaar tot 25 jaar gevangenisstraf werd veroordeeld. Zestien jaar daarvan bracht hij ook daadwerkelijk in hechtenis door. Maar hij was minstens zo bekend om zijn spectaculaire ontsnappingen, waaraan hij zijn bijnaam “De Stotteraar” dankte. Mede dankzij zijn spraakgebrek, was hij de meest tot de verbeelding sprekende Nederlandse draaideurcrimineel van de vorige eeuw.

Gerrit de Stotteraar werd op 20 januari 1920 als oudste van drie kinderen geboren in een liberaal-katholiek gezin in Amsterdam-West; zijn ouders runden een levensmiddelenwinkel op de Overtoom. Een van zijn vroegste herinneringen is dat hij als kleine jongen bij zijn grootvader op schoot zat en hem ongemerkt zijn gouden zakhorloge wist te ontfutselen, dat hij vervolgens met een triomfantelijke worp in een ton met palingen deed belanden. Dat hij haperend sprak, viel toen nog niet op, en later keek eigenlijk niemand er vreemd van op omdat ook zijn vader en de vader van zijn moeder een beetje stotterden. Nadat hij vier jaar was geworden, werkte zijn tong hem van de ene op de andere dag tegen. Vanaf dat moment stelde hij geen vragen meer en bloosde wanneer hij werd aangesproken. Op school werd hij ermee gepest en bij klassikale beurten sloegen de onderwijzers hem over.

De Stotteraar groeide op in de Borgerstraat – tot 1931 op nummer 48 tweehoog, daarna op nummer 91 driehoog. De volksschrijver Jan Mens (1897-1967) woonde in zijn jeugd in dezelfde buurt. In zijn semi-autobiografische roman Marleen beschrijft hij de Borgerstraat als “een onnette straat, waar het gewone volk een onderkomen vond”. In een andere roman van Mens, Koen, wordt de straat beschreven als “erg min. Ze hebben niet eens een sluitende buitendeur.” Het niet sluiten van de buitendeuren in de Borgerstraat bleek van grote betekenis te zijn voor de levensloop van De Stotteraar.

De in 19xx geboren Annie Zegger-Spenner was in 1931 een van zijn buurmeisjes. “We woonden in de Borgerstraat bij de Ten Katemarkt en Gerrit woonde naast ons en was het vriendje van mijn broertje, die toen negen jaar was. Hij stotterde toen al heel erg. Het was een uitgekookt kereltje. Mijn broertje had voor zijn verjaardag een brandweerauto gekregen, waarmee hij op straat speelde. Later kwam hij thuis met een oud bootje. ‘Dat heb ik geruild met Gerrit, die zegt: hier heb je veel meer aan, die kan je in de Bilderdijkkade laten varen.’ Maar hij mocht van mijn moeder helemaal niet naar het water, want zwemmen kon vroeger niemand.

Met Koninginnedag, als Wilhelmina jarig was, mocht iedereen muziek maken en geld ophalen. We kregen oranje strikken in ons haar. Mijn broertje, Gerrit en nog een jongetje waren druk in de weer. Ze timmerden rinkelende dingen op stokken en daar wilden ze dan bij zingen:. Ze gingen ze al vroeg op pad maar na uren kwam mijn broertje huilend en schor thuis. Van het geld dat ze opgehaald hadden, wilden ze taartjes kopen en dan samen opeten. Maar helaas, ze hadden maar geld voor twee taartjes. Die zouden ze verdelen bij Gerrit in de trap. Maar toen de twee jongetjes bij Gerrit de trap ingingen, gaven ze mijn broertje een zet en sloegen de deur voor zijn neus dicht. ‘Ik heb m’n eigen de pest gezongen,’ zei hij. Mijn moeder heeft Gerrit en de andere jongen nog wel flink uitgescholden, en mijn broertje werd verboden nog ooit met ze te spelen.”

Ontsnapping uit het opvoedingsgesticht

De streken van Gerrit werden eerst nog als onschuldig aangemerkt, maar dat veranderde nadat hi in 1931 elf jaar was geworden. Zijn ouders, die in de eerste jaren een goed huwelijk hadden, kregen steeds vaker ruzie en gingen uiteindelijk scheiden. Tijdens de echtscheidingsprocedure werden Gerrit en zijn twee zusjes ondergebracht in een kindertehuis in Beverwijk. Bij wijze van kwajongensstreek haalde hij na zijn terugkeer uit het tehuis lege kratten weg bij een kruidenier en leverde die weer in tegen statiegeld.

Door de economische crisis was de criminaliteit zo sterk toegenomen, dat de overheid nauwlettend toezag op de bestrijding ervan; de kinderrechter besloot dat Gerrit onder toezicht gesteld moest worden. Drie gezinsvoogden kwamen vanaf dat moment regelmatig naar hem informeren. Gerrit en zijn zusjes woonden toen bij hun moeder, die als werkster twintig tot dertig gulden per week bijverdiende. Gerrits vader was na de echtscheiding weer bij zijn ouders op de Oostzanerdijk ingetrokken, maar bleef geïnteresseerd in zijn kinderen, die dan ook regelmatig bij hem op bezoek kwamen.

In 1932 hertrouwde Gerrits moeder met de werkloze metselaar die tot dan toe hun bovenbuurman was geweest. Met zijn stiefvader kon Gerrit het niet goed vinden. Op zijn vijftiende rondde hij de lagere school af, waarna hij korte tijd als fietsjongen bij een drukkerij werkte, een cursus elektrotechniek bij het Centraal Comité voor Werkloozen volgde en vervolgens bij cafetaria Popularis werkte. Maar nergens hield hij het lang vol.

Op zijn zeventiende stal Gerrit een paar tijdschriften uit een boekwinkel. Dat was reden voor de Amsterdamse kinderrechter om hem op 30 september 1938 in het rijksopvoedingsgesticht De Kruisberg in Doetinchem te laten plaatsen. Nog geen jaar later werd hij van daaruit overgeplaatst naar weer een ander opvoedingsgesticht. Zeven maanden daarna, op kerstavond 1939, vluchtte Gerrit met twee andere “verpleegden” uit het tehuis en keerde hij terug naar Amsterdam. Toen begon zijn misdaadcarrière pas echt. Gedurende de bezettingsjaren werd hij in totaal tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld voor tientallen inbraken en handel in consumptiebonnen.

Het waren voornamelijk de arbeidersbuurten en kleine middenstandswijken van Amsterdam waar De Stotteraar de eerste vijftien jaar van zijn inbrekersloopbaan zijn slag probeerde te slaan. Die voorkeur was waarschijnlijk vooral te verklaren uit zijn gemakzucht: het was in de naoorlogse periode namelijk gemakkelijk om woningen binnen te dringen in de armere buurten: de buitendeuren stonden vaak gewoon open, en in het geval dat zij gesloten waren, konden zij met een eenvoudige loper worden geopend. Er waren vaak verschillende lopers in omloop: zo hadden de melkboer en de broodbezorger een loper in hun bezit om ’s ochtends de melkfles en het brood op de onderste treden van de trap te kunnen zetten.

Bovendien was het op een doordeweekse dag in een alledaagse straat een komen en gaan aan de deuren. De postbode bezorgde twee keer per dag de post, soms gevolgd door de man die zegeltjes ophaalde voor de voetbalclub, de collectant, de bezorger van de radiobode en de bode van het dodenfonds. Ook kwamen er met grote regelmaat controleurs over de vloer, alsook inspecteurs van de gemeente en de woningbouwverenigingen, huisbezoekende pastoors en ouderlingen. Buren kwamen regelmatig buurten en familieleden tot in de buitenste kringen van de extended family op bezoek. Hun spelend kroost holde in en uit, de trappen op en af. Het viel dan ook maar weinig mensen op wanneer Gerrit de Stotteraar een hem nog onbekende woning binnensloop.

Gerrits werkwijze verliep altijd volgens hetzelfde patroon: hij belde huis aan huis aan om te zien of er iemand thuis was. Wanneer er niet werd opengedaan, maakte hij van zijn lopers gebruik en glipte naar binnen. Daar ging hij eerst op verkenning uit en doorzocht hij het huis op waardevolle spullen. Later op de dag keerde hij terug en haalde dan weg wat van zijn gading was. Bij de meeste insluipingen en inbraken ging hij op pad met een fiets – onhandig genoeg steevast dezelfde. Vaak zwaaide hij na afloop naar het raam waarachter hij zojuist had ingebroken, zodat de buren zouden veronderstellen dat hij op bezoek was geweest.

“Koning der uitbrekers”

Zijn lenigheid en behendigheid kwamen Gerrit de Stotteraar niet alleen goed van pas als inbreker maar ook als uitbreker: hij had er een groot aantal geslaagde uitbraakpogingen aan te danken. Gevangenisstraf leek hem in het begin van zijn detentiegeschiedenis nauwelijks te deren: hij zaagde de tralies door alsof hij plakken cake sneed.

In het voorjaar van 1943 had De Stotteraar de vermolmde planken van zijn cel in het politiebureau Stadhouderskade weten open te breken. “Hij had zich tot onder het luik van het washok gesleept en wandelde met het air van de onschuldige bezoeker langs de wachtcommandant de straat op,” memoreerde de Volkskrant op 5 oktober 1954.

Op 25 januari 1948 ontsnapte De Stotteraar op spectaculaire wijze uit het politiebureau in de Spaarndammerstraat. In zijn schoenzolen had hij vijlen verborgen, waarmee hij de tralies in zijn cel wist door te vijlen. De meegesmokkelde vijlen waren voor Het Vrije Volk reden om Gerrit de Stotteraar de eretitel van “kampioen in- en uitbreker” toe te kennen. De Haagsche Courant deed daar een jaar later nog een schepje bovenop met het predikaat “koning der uitbrekers”. De misdaadverslaggevers volgden zijn uitbraken met een zo mogelijk nóg grotere belangstelling dan zijn inbraken, en overal werden weddenschappen gehouden met als inzet de vraag of De Stotteraar zijn recordaantal uitbraken nog zou verbeteren.

Aanvankelijk verwierf Gerrit onder journalisten een zekere populariteit met zijn uitbraken dankzij het spannende, tot de verbeelding van de krantenlezer sprekende nieuws dat deze opleverden. De eerste zes jaar van zijn inbrekersloopbaan, die in 1940 was begonnen, brak De Stotteraar vijf keer uit. Met bewondering werd over de “ongewoon atletische gaven” geschreven waaraan hij zijn geslaagde uitbraken deels te danken had. Maar al snel kon de heroïek niet langer opwegen tegen de verguizing die De Stotteraar op andere momenten ten deel viel. Zodra de verslagen niet zijn uitbraken maar zijn inbraken betroffen, werd de toon van de artikelen grimmiger.

Zelf beweerde Gerrit dat hij het inbreken niet laten kon, omdat hij door de negatieve aandacht in de pers geen behoorlijk werk kon vinden. Om toch aan een baan te komen, schreef hij zijn eigen lovende getuigschriften, die hij van een vals stempel van een niet-bestaande transportfirma in België voorzag. Dat leidde zelfs tot een uitnodiging van W.J. Heikens – de chef personeels- en arbeidszaken bij de NV Nederlandsche Ford Automobiel Fabriek – om op 22 maart 1954 om tien over half acht ’s avonds te komen praten in restaurant Helvetia op de Ceintuurbaan. Daar spreidde De Stotteraar zijn valse getuigschriften en werkverklaringen als troeven op de tafel uit.

De Stotteraars welvaartsronde

Veel sollicitatiegesprekken voerde De Stotteraar niet. Meestal ontmoette hij in cafés tipgevers en mogelijke opkopers. Hij ging vaak naar Piet Kroet op de Nieuwendijk of Freek Janssen ernaast. Zijn potentiële klanten trakteerde hij op drankje: hij wilde zich eerst van de verkoop van de door hem te stelen spullen verzekeren, zodat hij er niet mee zou blijven zitten. Als boef kreeg hij steeds meer succes. In 1956 schafte hij zich een auto aan waarmee hij zijn werkveld kon uitbreiden tot buiten Amsterdam en kon inbreken op plekken waar hij nooit eerder was geweest, in steden waar niemand hem herkende. Behalve dat zijn mobiliteit hiermee was toegenomen, had hij nu ook het ideale transportmiddel tot zijn beschikking om grotere hoeveelheden goederen te vervoeren. Van kruimeldiefstallen die hem de scheldnaam “dief van de armen” hadden opgeleverd, kon hij nu moeiteloos overgaan op het grote werk, in de rijkere buurten en in de rest van het land.

Maar het stotterende jongetje dat was uitgegroeid tot “meester in- en uitbreker”, was in feite toch de loopjongen gebleven, de jongen die eerst aan de deur van zijn klant kwam “horen” en later terugkwam met de bestelling. Zoals vroeger de straatschoffies uit de buurt hem de deuren hadden gewezen waar hij moest zijn, zo waren het later de tipgevers en de helers die hem vertelden waar hij zijn buit kon halen. Als jongen voerde hij de plannen uit van zijn oudere vriendjes; zij bleven buiten of gingen op de uitkijk staan – zogenaamd om hem te waarschuwen als er politie in zicht was, maar eigenlijk om er als eersten vandoor te gaan op het moment dat er gevaar dreigde. Op dezelfde manier knapte De Stotteraar twintig jaar later het gevaarlijke werk op voor de tipgevers. Tot op hoge leeftijd bleek hij niet in staat te zijn hun aanlokkelijke tips het hoofd te bieden.

H. Peeters is historica. In mei 2002 verschijnt haar boek Gerrit de Stotteraar, biografie van een boef bij uitgeverij Podium en kost ca. € 13,60 (ISBN 90 5759 104 9). Met de doctoraalscriptie waarop dit boek is gebaseerd, won zij in maart de Nationale Scriptieprijs van Het Parool.Maandag 1 januari 1900 was de eerste dag in het bestaan van de Gemeente-Tram, het bedrijf dat zou uitgroeien tot het huidige GVB. De gemiddelde Amsterdammer merkte er nog niet veel van. De paardentram reed als vanouds door de straten; maar wie goed keek, merkte op dat de knopen van de conducteurs nu waren gesierd met de drie kruisjes van het Amsterdamse gemeentewapen. Niettemin stonden grote veranderingen op stapel.En dat werd hoog tijd.

Delen:

Jaargang:
2002 54

Gerelateerd

Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Hier gebeurde het… Haarlemmertrekvaart, 20 september 1839
Hier gebeurde het… Haarlemmertrekvaart, 20 september 1839
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Rood Amsterdam in zwart-wit
Rood Amsterdam in zwart-wit
16 december 2002