Gemoedelijk en intiem: Sjoel West

Honderd jaar Joods verenigingsleven in West

De Sjoel West bedient al een eeuw lang een heel kleine gemeenschap. Anders dan Oost en Zuid was West nooit zo in trek bij Joodse Amsterdammers.

 

Als in de jaren twintig veel Amsterdamse Joden wegtrekken uit de oude buurten in het centrum, gaan ze vooral naar nieuwe woningen in de Plantage, de Transvaalbuurt en de Watergraafsmeer. Velen verhuizen ook naar Plan-Zuid. Slechts weinig Joden voelen zich aangetrokken tot Amsterdam-West. Maar hoe klein de Joodse gemeenschap in West ook is, toch zijn er al vroeg activiteiten.

Een voormalige sigarenfabriek in de Bilderdijkstraat (nummer 130) is op 12 december 1922 het toneel van de eerste sjoeldienst ten westen van de Marnixstraat en de Singelgracht. In januari 1923 vindt de oprichtingsvergadering plaats van de buurtvereniging Ahawoh Weachawoh (Liefde en Broederschap) in een gebouw op de Rozengracht. Twee maanden later houdt de vereniging een poeriemfeest in Bellevue. Het programmablad roept op om lid te worden voor f 0,60 per maand: “Uw toetreden brengt U Joodsche gezelligheid en doet Uw Joodsche kennis vermeerderen.” Het is vooral met gezelligheid waarmee Ahawoh Weachawoh leden hoopt te winnen. Groei is ook nodig omdat het lastig blijkt in West aan ‘minjan’ te komen, het quorum van tien meerderjarige mannen voor een sjoeldienst.

De sjoel van Ahawoh Weachawoh verhuist in december 1925 naar de Tweede Helmersstraat 30. Een “pover lokaaltje” vindt Jesaja Koker, secretaris van de buurtvereniging Benei Timon in Plan-Zuid. Eigenlijk ongeschikt, met het rumoer van de buren en van de straat, de slechte ventilatie en een gebrek aan sanitaire voorzieningen. De Joodse Gemeente geeft in dat jaar f 600,- subsidie en er wordt f 212,50 besteed aan ‘minjanisten’, betaalde krachten om aan de vereiste tien man te komen.

Koffiegeur

Zo klein als het clubje al is, door de onaantrekkelijkheid van het lokaaltje loopt het ledental zelfs nog achteruit. Er komt verbetering als de vereniging vanaf februari 1937 op sjabbat haar sjoeldiensten gaat houden in een zaal op Da Costakade 132, het middelste van drie panden uit 1904, eerder in gebruik als koffiebranderij en theemagazijn. Het interieur is afkomstig uit de drie maanden eerder ontmantelde en verkochte sjoel in de Commelinstraat 16 in Oost. De ruimte telt tachtig zitplaatsen en wordt omschreven als bidlokaal – kennelijk te klein om ‘synagoge’ te noemen. De koffiegeur is tijdens de sjoeldiensten nog lang op te snuiven. Eind jaren dertig zijn er zestig leden, inclusief een damesvereniging, die er sinds 1926 bestaat.

Er zijn feestavonden en er zijn sjoeldiensten op sjabbat – vrijdagavond en sjabbatmiddag –, op een gegeven moment zelfs door de week. Toch moet voorzitter Jan de Leeuw bij het 15-jarig bestaan in 1938 vaststellen dat de meeste Joden in West niet worden bereikt of niet warmlopen voor een georganiseerd religieus-Joods leven. “Het gaat niet gemakkelijk in Amsterdam-West iets te bereiken”, zegt hij. Hij weet ook waarom: de Joden wonen in West veel verspreider dan elders in de stad.

De laatste berichten over de kleine sjoel dateren uit mei 1942. De straatnaam is dan inmiddels door de Duitse bezetter veranderd in Goeverneurskade: Da Costa was van Joodse afkomst. In Het Joodsche Weekblad staat op 1 mei nog de viering van de bar mitswa van Joachim Horst Kalmann aangekondigd en op 9 mei is er de bar mitswa van Bruno Sommer uit de Berenstraat. Daarna houdt de kleine synagoge op te bestaan.

Dichtbij

Na de oorlog is het Joodse leven in West vrijwel verdwenen. De Joden die er wonen hebben vaak geen keus. Joden die na onderduik of gevangenschap in Amsterdam terugkeren, krijgen een woning in West toegewezen, want er heerst woningnood en vaak ook is hun huis onbewoonbaar geworden of door anderen ingenomen. De Joodse Gemeente richt zich eerst op de buurten waar de Joodse populatie groter is (Zuid, Plan-Zuid en Oost) en ook synagogegebouwen staan, die om herstel schreeuwen.

In West zijn nu de huisarts Sander Israëls (1905-1980) en zijn vrouw Regina Israëls-Kern (1916-2014) de drijvende krachten achter het Joodse leven. Israëls was in 1933 zijn praktijk begonnen op Admiraal de Ruijterweg 229 en bezocht de sjoel aan de Da Costakade, op een half uurtje lopen het dichtstbij. Gedwongen door de anti-Joodse maatregelen verhuisde hij in mei 1941 naar de Willem de Zwijgerlaan, waar hij tot begin november 1942 huisarts voor Joodse patiënten was. (Joden mochten vanaf 1941 geen niet-Joodse patiënten meer behandelen.) Enige tijd later dook hij met zijn vrouw onder in het Gelderse dorp Varsseveld.

Weer in Amsterdam moet Sander Israëls opnieuw beginnen. Zijn praktijk aan de Admiraal de Ruijterweg was overgenomen door huisarts Adrianus Alphonsus Schoen. Een paar huizen verder vindt hij op nummer 241 eind juni een nieuw adres. Veel van zijn oude patiënten komen bij hem terug.

Hij ziet hoe moeilijk zijn geloofsgenoten in de buurt het hebben: “Er is in West geen samenhang, en er is geen Joods leven.” Als kleine poging tot tegenwicht voor het mee te dragen oorlogsleed krijgen Joodse patiënten een opmerkelijke ‘behandeling’. Ze zitten vaak niet in de wachtkamer, maar in de huiskamer, waar zijn vrouw Regina hun een kopje koffie of thee met een koekje geeft. Ook nodigt de familie Israëls op hoogtijdagen mensen thuis uit. Hun oorlogspleegzoon Eljah Mendels (1940) herinnert zich: “Nog voor de oprichting van de sjoel nodigden mijn ouders voor de seideravond niet-praktiserende vrienden uit.” Soms waren er zo’n dertig mensen te gast.

Geen decorum

Israëls neemt het initiatief tot de oprichting van de Synagoge West. Het Kerkbestuur van de Joodse Gemeente Amsterdam kondigt in het Nieuw Israëlietisch Weekblad van 20 september 1957 aan dat er voortaan op sjabbat en feestdagen diensten zijn in het verenigingsgebouw De Zuidpool, op de kruising van de Vasco da Gamastraat en de Willem Schoutenstraat. Israëls ontpopt zich als de onbetwiste leider van de sjoel.

Een bezoeker, Joop Sanders, herinnert zich: “Sjoel West was in vergelijking tot de Obrecht veel gemoedelijker. Het was de vriendelijke persoonlijkheid van de gabbe, dokter Israëls, die daarvoor zorgde. Veel bezoekers wisten het allemaal niet zo precies, hoe de dienst te volgen. [...] Als iemand in de Obrecht iets ‘verkeerd’ deed, kon je de wind van voren krijgen. Ik herinner me daarbij eens voor schlemiel te zijn uitgescholden door een van de vaste bezoekers.”

Het onderkomen in De Zuidpool is niet permanent bedoeld. Al meteen in 1957 reserveert de gemeente een terrein voor nieuwbouw in de Burgemeester Rendorpstraat. Maar de groei van de Joodse gemeenschap in West is simpelweg niet groot genoeg voor een permanent eigen gebouw en het plan voor een vaste eigen sjoel wordt uiteindelijk na zo’n tien jaar verlaten.

Ideaal is De Zuidpool bepaald niet. Terwijl het in de vooroorlogse sjoel nog indringend naar koffie rook, als herinnering aan de koffiebranderij, is er in de eerste 25 jaar van de naoorlogse sjoel in West geen kopje koffie of thee te krijgen. Kinderen van kleuterschool Het Vergeetmijnietje eten er hun boterhammetjes als ze overblijven, er oefenen muziekbandjes, de zondagsschool organiseert er activiteiten zoals figuurzagen en korfbalclub Rohda houdt er dansavonden. Het gebouw wordt verder gedeeld met de Associaçao Portuguesa de Amesterdao (APA) en de padvinderij. Het sjoeltje heeft “bepaald geen decorum”, zegt Israëls zelf in een interview met het Nieuw Israëlietisch Weekblad in 1966. “Er is een armoedige entourage.”

 

[tk] Sfeer

In de jaren zeventig groeien Hans Evers (onder meer voorzitter van de Kerkeraad van de Joodse Gemeente Amsterdam) en Bloeme Evers-Emden (medeoprichter van de Joods-feministische vrouwengroep Deborah) uit tot de steunpilaren, de ‘vader en moeder’, van de intieme sjoel die zij vanaf 1971 bezoeken. Aan de gebedsdiensten in De Zuidpool komt in juni 1997 een einde als de sjoel naar de overkant verhuist, Willem Schoutenstraat 8, een voormalige politiepost. Bij de officiële inwijding op 28 september is Bloeme Evers een van degenen die een mezoeza* aan de voordeur slaan. (*Een kokertje met tekst uit de Thora; daarbij wordt een zegen uitgesproken.)

Sjoel West heeft bij het 50-jarig bestaan in 2007 de naam van Sander Israëls gekregen. Bezoekers roemen de laagdrempeligheid en de informele sfeer. Joden die zich elders niet thuisvoelen en toch ‘iets’ willen met hun erfgoed, komen hier terecht; vrouwen spelen er een actieve rol, die in andere orthodoxe synagogen ondenkbaar is (zoals de zegening over de wijn op sjabbat na de ochtenddienst en het houden van een preek). Sjoel West, zegt een bezoekster, is “een typisch voorbeeld van het oude, gewóne Amsterdamse Jodendom”.

Na het overlijden van Bloeme Evers in 2016 luidt het bestuur de noodklok: het aantal gemeenteleden is te klein om de synagoge te laten voortbestaan. De doorstart waartoe besloten is, ligt stil na het onverwachte overlijden van Erwin Brugmans – de grote spil – in december 2020.  

SJOEL IN EEN MOSLIMBUURT

Sins ongeveer 2000 is Jodenhaat in West voelbaar op demonstraties en in beledigingen op straat. Joodse wijkbewoners op weg naar de sjoel worden regelmatig uitgescholden door Marokkaanse jongens. Na de aanslagen van 11 september 2001 zijn de verhoudingen nog meer op scherp komen te staan.

Sjoel West neemt onder leiding van Erwin Brugmans en Louis van Velzen en met hulp van David van Wesel en Susan Kranenberg in 2004 het initiatief tot een Joods-Marokkaans voetbaltoernooi op het Balboaplein. Joodse en Marokkaanse jongeren en opa’s voetballen met elkaar, waarna de gespannen sfeer tussen Marokkanen en Joden in Amsterdam-West flink is afgenomen. Het MaJo voetbaltoernooi krijgt van het toenmalig stadsdeel De Baarsjes de Vrijwilligersprijs 2005 toegekend.

RUBEN VIS IS ALGEMEEN SECRETARIS VAN HET NEDERLANDS-ISRAËLITISCH KERKGENOOTSCHAP. HIJ DOET ONDERZOEK NAAR DE GESCHIEDENIS VAN HET JOODSE LEVEN IN AMSTERDAM-WEST EN DE OPKOMST VAN JOODSE BUURTVERENIGINGEN IN AMSTERDAM VANAF 1917.

Tekst: Ruben Vis, mei 2021 

Beeld header: Joods Historisch Museum. 

Delen:

Buurten:
West
Dossiers:
Kunst en Cultuur Religie
Editie:
Mei
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000