'Gekijf en geraas'

De remonstrantse ‘costerinne’ Geertrui Petronella Lubeek trouwde in 1762 een elf jaar jongere man. Het huwelijk ontspoorde: hij raasde en tierde en had losse handjes. De kerkenraad greep in. 

Sinds 1630 gaat achter de gevels van Keizersgracht 102-108 de remonstrantse kerk Vrijburg schuil. De remonstranten, volgelingen van de theoloog Jacobus Arminius (1560-1609) waren door de Synode van Dordrecht in 1619 uit de officiële, Gereformeerde Kerk gezet. Arminius’ opvattingen werden veroordeeld en zijn volgelingen mochten niet langer in het openbaar hun geloof belijden. De Amsterdamse overheid stond echter oogluikend toe dat zij hun eigen diensten hielden, op onopvallende plekken, waar ze geen aanstoot konden geven. De kerk verrees daarom op de achtererven van Keizersgracht 104 en 106, waar in een grote schuur de hoedenmakerij van Hans Lenartsz. de Jonge gevestigd was. De rode hoed die hij als teken van zijn beroep aan de gevel had hangen, werd later de bijnaam van de kerk en het huidige debatcentrum. 

In de jaren zeventig van de 18de-eeuw speelde zich achter de muren een familiedrama af. Op 27 februari 1773 legden Abram Arend van de Meersch en Petrus Bliek een verklaring af bij notaris Simon Jacob de Graaf. Beiden zijn belangrijke figuren in remonstrantse kringen: Van de Meersch is professor in de theologie, Bliek predikant van de remonstrantse gemeente. Hun verklaring gaat over de ‘costerinne’ van de kerk en haar echtgenoot. 

Die ‘costerinne’ was Geertruij Petronella Lubeek (1728-1797). Ze was in 1762 getrouwd met de chirurgijn Hendrik Posthumus (1739-?). Zij 34, hij elf jaar jonger. De kosterfunctie had zij overgenomen van haar in april 1761 overleden vader, Casper Lubeek. Op 1 mei was zij door de kerkenraad benoemd. Ze had wel een mannelijke assistent gekregen, Govert Brouwe, “tot het waarnemen van zommige dingen, die tot het kosterschap behoren en door een man moeten worden waargenomen”. Welke zaken dat precies waren, is niet duidelijk. 

Gevloek 

In 1773 was het huwelijk van Lubeek en Posthumus al enige jaren ontwricht, om het zacht uit te drukken. Professor Van de Meersch vertelde bij de notaris dat hij in 1768 de kamers boven Lubeek en haar man had betrokken als studeerkamers. Al snel viel het de theoloog op dat Lubeeks man als hij thuis was veel schreeuwde en stampij maakte. Regelmatig hoorde hij Posthumus schreeuwen en zijn vrouw vervloeken, zo heftig dat hij “voor groote ongelukken vreesde”. Kennelijk kon Van de Meersch de ruzies woord voor woord verstaan. Een keer had hij toen “het gekijf en geraas [...] bij uitnementheid sterk was” duidelijk gehoord “dat gemelde Hendrik Postumus de requirante, onder afgrijselijk vloeken, in ruwe termen dreigde, dat hij de Requirante nooit meer den Huwelijkspligt zoude bewijsen”.  

De ruzies tussen de echtelieden hadden al eerder tot problemen geleid. In 1771 moest Posthumus voor de remonstrantse kerkenraad verschijnen. Hij had toen beterschap beloofd, aldus predikant Petrus Bliek, maar dit had niet tot noemenswaardige gedragsverandering geleid.  

Hoe het er binnenskamers echt aan toeging, blijkt uit de verklaringen van kosteres Lubeek zelf en die van haar dienstmaagd. Lubeek vertelde dat haar man enkele jaren na het begin van het huwelijk haar “op eene alleslegste wijse heeft beginnen te behandelen, en daarmeede alsnog continueert […] scheldende, vloekende en raasende dagelijks tegen haar” en “zig zelfs niet van slaan onthoudende”, waardoor het samenleven voor haar “ondragelijk, ja zelfs gevaarlijk geworden is”. Ondertussen zou haar echtgenoot al het geld dat zij had geërfd en in het huwelijk had ingebracht, niet minder dan f 3600,-, én de erfenis van zijn eigen moeder, hebben verkwist. Hij had zilverwerk verkocht en bovendien een schuld opgebouwd van f 2000,-. 

Alcohol 

En dat was nog lang niet alles: de verklaringen staan vol verhalen van geweld, diefstal en overspel (met een meisje op de Oudezijds Achterburgwal). Volgens dienstmaagd Maria van Tuyl bleef Posthumus vaak tot in de kleine uurtjes buiten de deur, terwijl de kosteres met het eten zat te wachten. Tegen die tijd verkeerde hij meestal onder invloed van alcohol, en ook al was hij volgens Maria niet ‘smoordronken’, hij ging toch als een beest te keer, zowel in de gang van de kerk als in huis. En toen hij op een avond wél op tijd thuis was, smeet hij een schotel met eten op de grond.  

Tot slot verklaarde de dienstmeid dat zij hem tegen Geertruij had horen zeggen: “Als ik je uit het kerkehuis heb dat zal ik je kloppen dat je des donders worde, en zal je moeten slapen op een blauwe steen ofwel anders op de straatsteenen, want de blaauwe steen is nog voor je te goed, dat zij dan voor hem zou moeten werken van den ogtend tot den avond”, en dat hij haar anders met een stok zou slaan en “tot de bedelzak brengen”.  

Het is duidelijk dat de kosteres de verklaringen verzamelde om een echtscheiding te bewerkstelligen. Of dat gelukt is, is niet bekend. Uiteraard maakten de leden van de kerkenraad zich zorgen over de situatie, en zij bleven Geertruij Lubeek steunen. Op 9 maart 1773 bespraken ze de zorgen over de levenswijze van Posthumus en het gevaar dat die meebracht voor het “kosterhuis, de kerk en kerken effecten” – de financiën van de gemeente. De toegang tot het huis en de kerk werd hem ontzegd. In overleg met de hoofdofficier werden twee schuitenvoerders, Daniel Simonse en Jacob Knoop, ingehuurd om het huis en de kosteres dag en nacht te bewaken. 

MARK PONTE IS HISTORICUS EN WERKT BIJ HET STADSARCHIEF AMSTERDAM. 

 

ALLE AMSTERDAMSE AKTEN 

Tientallen vrijwilligers werken mee aan het enorme project om de vele honderdduizenden notariële akten in het depot van het Stadsarchief Amsterdam te ontsluiten. Doet u ook mee? Meld u aan: www.alleamsterdamseakten.nl

 

September 2021

Beeld: Fragment prent bouw van de remonstrantse kerk aan de Keizersgracht, door Frans Brun, 1630-1631

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Religie
Editie:
September
Jaargang:
Rubriek:
Amsterdamse Akten