Gehalveerde gevelstenen

Oude prenten helpen bij reconstructie

Eind 19de eeuw bloeide de Amsterdamse economie op en daarmee ook het winkelbedrijf. Grote winkels kregen een majestueuze entree tussen kolossale etalageruiten, in een verhoogde onderpui. Ter wille van de vooruitgang werden gevelstenen boven de deur vaak gemakshalve voor de helft afgehakt. Ook op andere manieren gingen delen verloren. Gelukkig zijn ze nu en dan te reconstrueren.

Een duidelijk geval van een in de 19de eeuw barbaars behandelde gevelsteen zien we op Nieuwendijk 131. Het was een fraai kunstwerkje uit het begin van de 18de eeuw, dat een schaapherder met zijn kudde voorstelde. De herder is nu zijn benen kwijt; links tussen de bomen zijn nog net de ruggen van twee schapen te zien. In zijn vermaarde Gevelstenenschetsboek (1865) beschrijft jonkheer A.P. Suasso de steen als volgt: “Bas-reliëf boven de straatdeur waarop een herder, gezeten onder een boom enz. Thans genoegzaam gedekt.” Zou Suasso hiermee bedoelen dat de onderkant toen al was weggehakt voor een ‘moderne’ puibetimmering? Recent is de nog aanwezige bovenhelft op uiterst amateuristische wijze met de verfkwast behandeld.

Van de gevelsteen ‘JUPITER’, Haarlemmerdijk 33, werd aangenomen dat omstreeks 1900 de onderkant was weggehakt voor de verhoging van de puilijst. Niet alleen Suasso zag de naam er kennelijk nog onder staan, dat gold ook voor schrijver Jacob van Lennep en schoolhoofd/stadsgeschiedschrijver Jan ter Gouw, die in 1868 hun tweedelige boek De uithangteekens uitbrachten. Maar in de Noord-Hollandsche Oudheden (1903) wordt de steen beschreven als een fragment en op een tekening van Herman Misset van kort daarna is alleen de bovenhelft weergegeven. Bij een verbouwing in 1993 werd de steen uit de gevel genomen en toen bleek tot ieders verrassing dat de onderhelft van de steen niet totaal weggehakt was, maar ‘slechts’ slordig vlakgehakt. De klauwen van de arend en de tenen van Jupiters linkervoet ware nog gaaf. Zelfs de tekst op de onderplint bleek nog intact. Aan de hand van de aangetroffen resten kon Jan Hilbers de steen reconstrueren.

Nog zo’n geval werd in 1998 aangetroffen bij de restauratie van Halvemaansteeg 12. Ook hier leek het alsof bij een verandering van de onderpui op grove wijze de onderste helft van het fraai geornamenteerde steentje weggehakt was. Suasso maakte in zijn schetsboek een eenvoudig tekeningetje met summiere beschrijving, zonder vermelding van het onderschrift. Kennelijk was de pui al zodanig verhoogd dat het leek alsof van de steen slechts de helft resteerde. Toen in 1998 na een brand de betimmering van de onderpui werd verwijderd, kwam als grote verrassing de rest van de gevelsteen redelijk gaaf tevoorschijn; op de onderrand bleek zowel de tekst SWAANEN.DRIFT als een deel van een jaartal te staan. Archiefonderzoek bracht aan het licht dat in 1727 Hendrik de Swaen eigenaar was geworden van het pand in de Halvemaansteeg. Kort na aankoop liet hij het verbouwen en de gevelsteen aanbrengen. Omdat het juiste jaar van verbouwing niet precies bekend is, werd bij de recente restauratie van de gevelsteen als laatste çijfer van het jaartal een vraagteken ingevuld. Hendrik de Swaen was een rijke leerkoper, woonde op de Nieuwe Keizersgracht en had drie dochters. Heeft hij op de gevelsteen wellicht zichzelf en zijn dochters laten vereeuwigen?

Raadselachtig paradijs

Maar soms komen we er niet uit. In 1955 werden de panden Leidseplein 12 (Leidsepleintheater), 14 en 16 gerestaureerd, en – naar het voorbeeld van nummer 18 – weer van trapgevels voorzien. In het midden van dit viertal zit een jaartalsteen ‘1616’, en lager in de gevel van nummer 16 (café Kooper) de linkerhelft van een gevelsteen. Daarvan ontbreekt helaas ook de onderrand, waarop een bijschrift gestaan kan hebben. Jonkheer Suasso heeft de steen niet opgemerkt en ook Van Lennep en Ter Gouw noemen hem niet. Pas in 1903 (Noord-Hollandsche Oudheden, deel 6, blz. 55) vinden we de eerste vermelding, als “halve gevelsteen met vrijende paren in een tuin”. In de monumentenlijst van 1928 wordt de steen ‘Paradijs’ genoemd.

Een juiste interpretatie van de vorstelling is moeilijk te geven. Het zijn vier groepen van telkens twee personen in een heuvelachtig landschap met op de achtergrond wat begroeiing. De staande groep op de voorgrond is zeer chic en elegant gekleed; de vrouw draagt zelfs een waaier. Van het op de grond zittende paar links lijkt de man met sjerp, hoed met lange pluim en dichtgeknoopte lange tas een militair. De twee andere groepen lijken minder voornaam gekleed; het zouden ook spelende of vechtende kinderen kunnen zijn... Een reconstructie van deze halve gevelsteen is vrijwel niet te maken, tenzij we nog eens de prent vinden die ooit het voorbeeld was.

Een andere vertikaal doorhakte steen konden we wél reconstrueren. Deze halve steen zit in de linkerhelft van Spuistraat 40-42. Hij is niet alleen gehalveerd: ook is de voorstelling grondig verwijderd, behalve het duidelijk incomplete onderschrift ‘POOLSE’ . Gelukkig bieden Van Lennep en Ter Gouw uitkomst; kennelijk hebben zij de steen nog gezien. “Maar ’t zonderlingste vaartuig dat wij zagen”, schrijven ze in 1868, “is de Poolsche Kamay, op een gevelsteen van 1620, die nog voor een half dozijn jaren stond op den Achterburgwal (Nieuwezijds Achterburgwal = Spuistraat, OB) bij de Lijnbaanssteeg, maar toen verdween zonder ons te waarschuwen, zodat wij er geen afbeelding van kunnen geven.” Kennelijk verdween niet de hele steen, maar wel de afbeelding erop. Van Lennep en Ter Gouw beschreven de afgebeelde ‘kamay’ als “een groot vierkant vaartuig met een huis in het midden, waarop negen mannen aan drie zijden boomden, terwijl de tiende, die de gezagvoerder scheen, bij het huis stond. Het was een riviervaartuig waarmee in Polen de granen stroomafwaarts gevoerd werden.”

Speurtocht naar Parijs

Aan de hand van een tekening van de nog gave steen - een toevallige vondst in de collectie van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap die exact overeenkwam met de beschrijving - konden de nauwelijks meer zichtbare sporen op de overgebleven halve steen nu worden geduid. De Utrechtse gevelstenenmaker Kees Boomstra hakte in 1998 op verzoek van de huiseigenaar en de Vereniging van Vrienden van Amsterdamse Gevelstenen een prachtige reconstructie.

Een andere gevelsteen die aan de hand van een toevallige vondst kon worden gereconstrueerd, werd in februari 2006 ingemetseld in de gevel van Sint Jansstraat 11. Bij grondwerkzaamheden op het achterterrein was in 2004 de helft van een gevelsteen gevonden met daarop een prachtig half hemelbed en de laatste drie cijfers van het jaartal 1591. Een zoektocht in het Prentenkabinet van het Rijksmuseum leidde naar de Parijse kunsthistoricus dr. Peter Fuhring, gespecialiseerd in ornamentprenten. Hij bracht het halve hemelbed direct in verband met een 16de-eeuwse houtsnede van de Duitse kunstenaar Peter Flotner. Deze prent is tegenwoordig bijzonder zeldzaam. Aan de hand hiervan heeft Jan Hilbers de ontbrekende helft gereconstrueerd, waarbij hij subtiel door een heel dunne grillige scheur de grens tussen het oude en nieuwe deel heeft aangegeven. De letters ‘IGDFC’ op de bovenkant van het bed betekenen ‘In Gloria Deï Filii Christi’, oftewel ‘Ter ere van Gods zoon Christus’. Dat noemen we nog eens een hemelbed!

Delen:

Jaargang:
2009 61

Gerelateerd

"Gooi wat in m'n schoentje!'
"Gooi wat in m'n schoentje!'
Archief 30 november 2009
Een letter van banket
Een letter van banket
2 november 2009
Gevelsteen is een blijvertje
Gevelsteen is een blijvertje
2 november 2009