Geertruida Grevelink-Hilverdink. De reddende engel van het treurspel

Geertruida Grevelink-Hilverdink was begin 19de eeuw een van Nederlands grootste tragediennes. Maar met voortdurende geldzorgen, permanent zwanger en vijf kinderen die jong overleden, was haar eigen leven soms ook een tranendal.  

Op 15 mei 1845 overlijdt de Amsterdamse politicus en publicist Samuel Iperusz Wiselius op 76-jarige leeftijd in zijn woning aan de Nieuwe Herengracht. Vijf maanden later, op zondag 5 oktober 1845, wordt in het Algemeen Handelsblad aangekondigd dat de boekhandelaren Jacobus Radink en Frederik Muller de omvangrijke bibliotheek van Wiselius op de veiling zullen brengen. Zijn collectie was bijzonder groot en omvatte alle grote klassieke auteurs, atlassen, handschriften, werken over geschiedenis, penningkunde, god- en rechtsgeleerdheid, verder boekenkasten leestafels en één schilderij.  

Dat laatste is merkwaardig, omdat Wiselius een omvangrijke en belangrijke schilderijenverzameling moet hebben gehad. In 1824 kwam de voormalige koning van Zweden Gustaaf IV Adolf nog speciaal naar de Nieuwe Herengracht om die te bekijken. Waar de verzameling is gebleven is onbekend. Mogelijk had Wiselius zijn schilderijen al voor zijn dood verkocht, op dat ene stuk na. 

Dat kwam in het bezit van Jan te Winkel, letterkundige, hoogleraar Nederlandse Taal aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schonk het in 1898 aan het Amsterdam Museum, dat het weer in bruikleen gaf aan de Stadsschouwburg. Daar hangt het nog altijd, op het grote Gijsbrechtbordes: ‘Portret van Geertruida Jacoba Hilverdink (1786-1827) in het karakter van Maria Stuart’, uit 1820, door Cornelis Kruseman. 

Vurig patriot 
Samuel Wiselius was een man van duizelingwekkende veelzijdigheid, die hier alleen in zeer kort bestek kan passeren. Hij was een zoon van Iperus Wiselius, koopman in olie en traan op de Nieuwezijds Kolk. Samuel ontpopte zich tot een succesvol ondernemer, maar ook tot een driftig politicus, vurig patriot, dichter en publicist. Toen begin 1806 het Koninkrijk Holland ontstond, weigerde hij Napoleons broer (door Wiselius altijd aangeduid als ‘de heer Lodewijk Buonaparte’) als koning te erkennen. Na het herstel van de onafhankelijkheid van Nederland leek hij uitgerangeerd, maar hij werd in 1814 tot veler verrassing aangesteld als de eerste hoofdcommissaris van politie van Amsterdam.  

Voor zijn tijdgenoten was Wiselius echter vooral een dichter en toneelschrijver van belang. De Stadsschouwburg was in die jaren het centrum van hoogwaardig en vooral ernstig toneel. Komedies waren zeldzaam. Veel van de stukken waren geïnspireerd op klassieke literatuur; Duitse en Franse toneelschrijvers (Racine, Corneille, Voltaire) speelden in het repertoire een dominante rol, en dus spanden Nederlanders als Wiselius zich in om ook echt Nederlandse toneelkunst tot stand te brengen: ‘Onze Hollandsche Letterkunde, hoe rijk ook overigens in heerlijke dichtjuweelen, vertoont in het vak der Tooneelpoëzij eene armoede, die haar ontsiert...,’ aldus een tijdschrift uit 1814.  

Wiselius begon zijn loopbaan als toneelauteur met Valvaise en Adelaïde, of de Zegepraal der Vriendschap over de Liefde (1812) gevolgd door Polydorus, een treurspel in vijf bedrijven (1813). Dat laatste stuk zat vol verwijzingen naar de Franse overheersing en werd streng gecensureerd.  

Gedoodverfde opvolger 
De absolute vedette van het Amsterdamse toneel in deze periode was Johanna Ziesenis-Wattier. Napoleon noemde haar ‘de grootste tragédienne van Europa’; de Duitse criticus Christiaan Haug schreef dat alleen al haar verschijning op het toneel aanleiding was tot ‘een donderend handgeklap’ dat allengs ‘tot woeste zinneloosheid overgaat’. Toen haar echtgenoot in 1815 werd benoemd tot hofarchitect in Den Haag vertrok Ziesenis-Wattier echter uit Amsterdam en beëindigde haar carrière. Haar gedoodverfde opvolgster was Geertruida Grevelink-Hilverdink. 

Geertruida was een dochter van twee Amsterdamse toneelspelers. Haar vader, Alexander Willem Hilverdink, was verbonden aan de Stadsschouwburg, waar hij koningen, tirannen en helden speelde; haar moeder speelde grote tragische rollen. Het omvangrijke gezin woonde op de Leidsegracht. In 1796 raakten de ouders in financiële problemen. Toen de moeder extra bijstand aanvroeg vermeldde ze dat haar kinderen ‘nu in de vijftig keren gespeeld [hebben]’.  

Geertruida moet dus al vroeg op de planken hebben gestaan; haar oudere zus Helena debuteerde op twaalfjarige leeftijd in De Bruiloft van Kloris en Roosje. Vanaf 1804 was Geertruida jeune première in het Rotterdamse gezelschap van de toen zeer beroemde Ward Bingley. Ze trouwde in 1806 in die stad met Jacobus Grevelink, zeeofficier en zoon van een equipagemeester van de VOC. Ze zouden twaalf kinderen krijgen, van wie er vijf jong overleden. 

Grevelink-Hilverdink debuteerde op 11 februari 1809 in de Stadsschouwburg in de titelrol van Olympia van Voltaire. Criticus Abraham Barbaz zag dat ze ‘zeer veel kunstvermogen’ bezat, en ‘veel geschiktheid’ voor het treurspel. Een andere criticus, Arent van Halmael, schreef in 1815: ‘[zij] heeft ons meermalen aan Wattier herinnerd; dit strekke haar tot de grootste lof’. In 1816 werd ze na het vertrek van Ziesenis-Wattier aangesteld als eerste actrice van de Stadsschouwburg. 

Toneelschool 
Omstreeks 1819 maakte de schilder Cornelis Kruseman een tekening van Grevelink-Hilverdink, in de rol van Kreousa in het drama Ion van Euripides, dat door Samuel Wiselius was vertaald. Wiselius schreef vervolgens een ronkend vers, waarin hij Grevelink als de opvolgster van Ziesenis-Wattier presenteert: 

Toen ‘t schouwtooneel ’t vaarwel van ZIESENIS moest hooren,  

En al wat kunst vereert, gedompeld zat in rouw, 
Had ons der Dichtren God een lievling uitverkoren, 
Die met geen minder glans dat eerspoor drukken zou. 

Grevelink-Hilverdink bleek vooral geschikt voor de zware tragische rollen waarmee ook Ziesenis-Wattier furore had gemaakt. Critici zagen haar dus, net als Wiselius, als een reddende engel: ‘Zij waarborg[t] ons het behoud der kunst van het treurspel’, met ‘een edele houding, een aangename stem, buigzame gelaatstrekken en een eenvoudige voordracht’. Ze speelde Badeloch in Vondels Gijsbrecht, Chimène in De Cid van Corneille en hoofdrollen in talloze andere stukken die geen repertoire hebben gehouden. Daaronder ook de volkomen vergeten tragedies van Wiselius: Adel en Mathilde (1817); Alcestis (1817), De dood van Karel, kroonprins van Spanje (1819) en Aernoud van Egmond, hertog van Gelre (1820).  

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right

Met Wiselius en vertaler Cornelis van der Vliet richtte Grevelink-Hilverdink in 1821 een ‘Genootschap voor Uiterlijke Welsprekendheid’ op, de voorloper van de Toneelschool, ‘om jonge lieden, die aanleg voor de tooneelspeelkunst betoonden, kosteloos gelegenheid te verschaffen tot het bekomen van onderwijs in die kunst’. De kwaliteit van de acteurs en actrices liet kennelijk te wensen over.  

Verliefde schelvisch 
Veel spelers op het ‘grote’ klassieke toneel werden uit de kringen van de kleinere liefhebberij-theaters gerekruteerd. Zij mochten dan drie keer een rol spelen in de Stadsschouwburg, en het publiek maakte met applaus of gefluit duidelijk of ze de debutant geschikt vonden. In maart 1828 maakte zo de actrice mevrouw Van Velsen-Greeven haar opwachting. Zij was afkomstig uit het gezelschap van Willem Weddelooper, dat vooral op kermissen optrad (zie Ons Amsterdam van december 2021).  

Het publiek was niet positief. De recensent van het zeer beschaafde tijdschrift Apollo nog veel minder: mevrouw Van Velsen-Greeven had duidelijk te lang ‘op lagere tooneelen voor een min beschaafd publiek gespeeld'. Voor het klassieke werk was ze daardoor ongeschikt: ‘Hare stem is door het schreeuwen valsch geworden; hare oogen draaijen als die eener verliefde schelvisch; haar tongval is bijzonder plat; zij schudt gedurig op eene zeer onbehagelijke wijze het onderlijf heen en weder, enz.’  

Nee, dan Grevelink. Zij kon net als Ziesenis-Wattier een verpletterende indruk maken. De schrijver C.A. van der Chijs beschreef in 1853 hoe zij in 1820 bij Cornelis Kruseman in het atelier model zat voor dat grote portret van Wiselius – hij was mogelijk de opdrachtgever. Kort daarvoor had Kruseman een groot schilderij van Johannes de Doper voltooid. Veel kunstliefhebbers waren daar naar komen kijken. Een van hen, de dichter Hendrik Meijer, was zo onder de indruk van het schilderij dat hij direct een vers van tachtig regels schreef, Joannes de Dooper in jeugdigen mannelijke bloei geschilderd door den heer C.s Kruseman te Amsterdam. Meijer was duidelijk tot in zijn diepste wezen door het schilderij getroffen: 

Van waar die schok? – van waar de ontroering, 

Die mij een’ traan perst uit het volgestroomd gemoed? 

Van waar die teedre geestvervoering, 

Die in verrukking schier de knie mij buigen doet? 

Het schilderij moest Kruseman wel door een God zijn ingegeven, als een ideaal van waarheid, deugd en schoonheid, ‘En in dat rijk der Idealen/ Hebt gij, o Kruseman! ’t penseel in zonnestralen gedoopt...’ 

Net toen Grevelink-Hilverdink in het atelier was gaan zitten werd de brief met dat gedicht bezorgd. Van der Chijs: ‘Zij herkende in het schrift van het adres den zender, brak het zegel los, (...) doorliep even den inhoud en, plotseling opstaande, declameerde de begaafde en in geestdrift opgetogen vrouw den lof van haar jongen vriend. Verplet stond Kruseman daar; zijne moeder en zusters vielen hem om den hals, en hij genoot een der zaligste oogenblikken zijns levens.’ 

Steeds geneigd tot uitersten 
Het werk van Grevelink-Hilverdink op het Amsterdamse toneel was bepaald geen sinecure. Ze had een groot gezin en ze was kostwinner. Haar echtgenoot was lang werkloos, pas na 1817 vond hij weer een schip; in 1822 leed hij schipbreuk. Wiselius zou hem daarna een baan bezorgen als directiesecretaris van de Amsterdamse politie.  

Tussen de reizen en bedrijven door was Grevelink-Hilverdink bijna permanent zwanger: tussen 1811 en 1819 kreeg zij zes kinderen, van wie één kort na de geboorte stierf. In november 1823 werd hun tiende kind geboren; Geertruida raakte daarna nog zwanger van een tweeling, die echter kort na de geboorte overleed. De financiële situatie was altijd precair, en in de loop der jaren zou het gezin vele malen verhuizen.  

Op 8 mei 1827 stond ze voor het laatst op de planken, als Tullia in Brutus van Voltaire. In de vroege morgen van 14 augustus werd haar lichaam gevonden in de Leidsegracht , vlak bij haar huis. Tijdgenoten waren overtuigd dat ze zelfmoord had gepleegd. Haar collega Johannes Jelgerhuis meende dat ze leed aan ‘vreeslijk hartstochtelijke dweperij’, ‘steeds geneigd tot uitersten’. 

Ook zonder dat was haar einde te verklaren, schreef toneelhistoricus Johannes Hilman: ze had immers een ‘noodlottig huwelijk’ vol ‘onverdiende rampspoeden’, en ze had ‘geleden en gestreden’ om haar grote gezin op de been te houden. Jacobus Grevelink bleef achter met zeven jonge kinderen. Hij hertrouwde een jaar later. Wiselius behield het grote portret tot zijn dood. 

Februari 2022

Wilfried Dierick is een achter-achterkleinzoon van Geertruida Grevelink. 

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Februari
Jaargang:
Rubriek:
Markante Amsterdammers
Tijdperk:
1800-1900