Friezin in de Atjehstraat. Eind 19de eeuw trokken 9000 Friezen naar Amsterdam

Een van onze lezers, Jan Groen uit Almere, stuurde een foto van de melkwinkel Op Hoop van Zegen in de Eerste Atjehstraat 38. De foto van omstreeks 1922 verbergt een complete streekroman.

Voor de pui van de melkzaak Op Hoop van Zegen in de Eerste Atjehstraat staan vier mensen. Rechts Catrien Groen (1903-1970) bij een melkkarretje met twee melkbussen, waarmee melkslijters in die jaren langs de straten gaan. De man links is haar oom Gerben de Wit (1890-1949). In de deuropening zijn oudere zus Baukje (1872-1942) en hun moeder, Minke de Wit-Schutter (1850-1932), dan zo’n 71 jaar oud. Het valt op dat ze in Friese klederdracht is: ze draagt een wit kanten kapje met twee oorijzers.

De Indische Buurt was in die jaren nog vrij nieuw; de Atjehstraat was in 1900 opgeleverd. Er woonden arbeiders, werkzaam in de scheepsbouw aan de oevers van het IJ. Onder hen veel arme immigranten uit de rest van het land, die op de groeiende werkgelegenheid in Amsterdam waren afgekomen. Dat moet ook voor Minke de Wit en haar man, Kornelis Feijes de Wit, hebben gegolden: zij kwamen omstreeks 1896 uit Friesland naar de hoofdstad.

Tot zover niets bijzonders. Er waren veel van die melkinrichtingen in Amsterdam, en de stad zat vol met Friese immigranten, maar achter de foto van Minke de Wit-Schutter gaat een complete streekroman schuil. Haar wieg stond op 21 januari 1850 in het dorp Jistrum (nu: Eestrum), gemeente Tytsjerksteradiel, halverwege Leeuwarden en de grens met de provincie Groningen. Een klein dorp: in 1879 precies 159 woningen groot. Op haar achttiende vertrok ze naar Twijzel, een dorp even verderop, om als dienstmeid te gaan werken bij Ritske Bartels Kloosterman, een van de grootste en rijkste boeren in de omgeving.

 

Zwanger

Daar raakte ze zwanger. Op 27 december 1872 beviel Minke in haar ouderlijk huis van een dochter, Baukje. Vroedvrouw Geertruid Kantener deed aangifte bij de Burgerlijke Stand van Tytsjerksteradiel, niet de vader. Wie hij was, bleef onbekend, maar het is niet onwaarschijnlijk dat Minke was bezwangerd door boer Bartels Kloosterman. Twee weken later, op 8 januari 1873, werd ze uitgeschreven van zijn boerderij. Opmerkelijk, omdat Minke toen al jaren bij hem werkte en het de gewoonte was dat een betrekking bij een boer liep van 13 mei tot 12 mei. Kennelijk kon ze na de bevalling als ongehuwde moeder niet op de boerderij blijven werken.

Ze trok in bij haar ouders in Jistrum, waar de nodige beroering moet zijn ontstaan. Hoe in de jaren zeventig van de 19de eeuw zo’n rechtzinnig protestants dorp over een ongetrouwde moeder met een buitenechtelijk kind dacht, komt duidelijk uit een vergelijkbare zaak in het buurdorp Eastermar (Oostermeer) in 1882-1883. Een jong dienstmeisje, Rigtje Annes Douma, zeventien jaar oud, kreeg een buitenechtelijk kind van een rijke boerenzoon, Rypke Tjerks Atsma. Ze mochten niet trouwen vanwege het standsverschil. De kerkenraad van de plaatselijke Hervormde Gemeente vond het zelfs nodig de twee geliefden te berispen. Hun verhaal eindigde dramatisch: op 3 mei 1883 stortte Rigtje zich uit wanhoop met haar kind in het water. Ze werden samen begraven op het kerkhof van Eastermar. De grafsteen meldt: “Ontrouwe liefde was de oorzaak van hun dood. Wie zonder zonden is, werpe den eersten steen op haar.”*

 

Gruttersknecht

Minke Schutter liet Baukje bij haar ouders in Jistrum en vond elders in de buurt werk als dienstbode, eerst bij een boer in Burgum, daarna in Rauwerd (Raard). Daar trouwde ze op 12 mei 1881 met Kornelis Feijes de Wit (1855-1921), geboren in Menaldum, 25 jaar oud. Minke was inmiddels al 31. Een feestelijk huwelijk zal het niet geweest zijn. De ouders van Kornelis waren al overleden; de ouders van Minke werden wel in de trouwakte genoemd, maar er waren geen familieleden als getuige aanwezig. Drie gemeenteveldwachters traden als getuige op.

Minke trouwde met Kornelis omdat ze hoogzwanger was. Zes weken later kwam hun zoon Gerben Cornelis ter wereld. Het paar verhuisde met de twee kinderen in mei 1882 naar Leeuwarden, mogelijk omdat Kornelis daar werk gevonden had. Drie jaar later erkende hij Baukje officieel als zijn dochter, en werd daarbij aangeduid als ‘gruttersknecht’.

Kornelis en Minke kregen vijf kinderen, van wie er twee overleefden. De kleine Gerben stierf na zeventien maanden in Leeuwarden, twee andere kinderen werden ‘levenloos’ geboren. Het eerste overlevende kind was Klaske (1883-1963), het tweede de Gerben de Wit van de foto, geboren op 21 januari 1890 in Leeuwarden – de tweede Gerben in het gezin.

 

Melkslijter

Het gezin moet rond 1896 de stap naar Amsterdam gemaakt hebben. Ze waren de enigen niet. Het Friese platteland verkeerde in crisis. Grote graanimporten uit de Verenigde Staten overspoelden de Europese markten, de prijs van graan halveerde en Friesland werd sinds het eind van de jaren zeventig geplaagd door tegenvallende oogsten. Arbeiders, ambachtslieden en boeren trokken weg, op zoek naar werk. Tussen 1880 en 1900 vertrokken ruim 53.000 mensen uit Friesland, verreweg het hoogste aantal van alle Nederlandse provincies. Ze werden Friezen-om-utens– Friezen buiten Friesland. Velen van hen – tien- tot twaalfduizend – gingen door naar de Verenigde Staten. Uit sommige dorpen maakte tussen 1880 tot 1914 een op de vier inwoners de oversteek. Van die emigranten was 90% nog nooit buiten de grenzen van de provincie geweest.

In Amsterdam vestigden zich in de laatste drie decennia van de 19de eeuw zo’n 65.000 binnenlandse migranten, 9000 waren Friezen. De meesten kwamen, net als Minke en Kornelis, van het platteland. Ze hadden weinig scholing en gingen aan het werk als arbeider, timmerman of schepeling. Wat Minke en Kornelis de eerste jaren in Amsterdam deden, is onbekend. Bij het huwelijk van Klaske in 1903 werd Kornelis ‘werkman’ genoemd, maar bij het huwelijk van Baukje in 1908 noteerde de ambtenaar ‘melkslijter’. Mogelijk dreef hij toen al de melkwinkel in de Eerste Atjehstraat. Volgens de familie was het vooral Minke die de melkwinkel met vaste hand bestierde.

 

Epilepsie

De twee dochters vonden in Amsterdam een echtgenoot. Klaske trouwde met de smid Coenraad Groen (1880-1964), 22 jaar oud, een Amsterdammer wiens vader ook uit Leeuwarden afkomstig was. Ze kregen zes kinderen, onder wie Catharina (Catrien), geboren op 13 juli 1903, die kennelijk in de melkwinkel meewerkte, zij staat rechts op de foto. Op 30 oktober 1906 beviel Klaske in Rotterdam van een zoon, Jan Groen, de vader van de Jan die ons de foto stuurde.

Baukje trouwde op 27 mei 1908 met bootsman Hans Dijkstra. Ze kregen een dochter, Sjitske, in 1910. Gerben, ten slotte, bleef voor zover bekend ongehuwd. Hij werd op 30 oktober 1909 goedgekeurd voor de militaire dienstplicht. Zijn beroep was koetsier, noteerde de keuringsarts, en hij was 1.84 meter lang. Volgens de familie had Gerben last van epileptische aanvallen.

Kornelis de Wit ontbreekt op de foto. Hij was op 18 december 1921 overleden. Het lijkt erop dat de foto in het jaar daarna gemaakt is, misschien omdat Minke besloten had de melkwinkel van de hand te doen. Volgens de Amsterdamse woningkaarten bleef “de weduwe van Kornelis de Wit” tot 28 december 1923 op de Eerste Atjehstraat 38 wonen, samen met Catrien Groen en Baukje Dijkstra. In mei 1931 woonde ze in de Vrolikstraat. Een jaar later werd ze op 18 mei 1932 begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats.

 

Trots

Van veel Friese emigranten is bekend dat ze in Amsterdam slecht konden aarden. Minke had weinig anders gekend dan het diepe Friese platteland, en de Indische buurt moet in haar ogen overvol zijn geweest, met mensen, huizen, trams en, aan het eind van de straat. Misschien hield ze daarom tot op hoge leeftijd vast aan iets van haar oude, Friese identiteit. Ze staat in de deuropening van de winkel met een verbeten trek om de mond, in een donkere jurk – misschien ten teken van rouw, vanwege Kornelis’ overlijden – maar nog altijd trots met haar witte kanten kapje en haar zilveren oorijzers.

 

Koen Kleijn

Aprilnummer 2020

 

MET DANK AAN: JAN EN ADRIAAN GROEN EN DEEL BOOGERD; BARELD KOOTSTRA VAN DE STICHTING KARAKTERISTYK TYTSJERKSTERADIEL; SCHELTE DE BEER VAN HET GEMEENTEARCHIEF TYTSJERKSTERADIEL.

* SIEBE SIEBENGA, DRAMA YN EASTERMAR 1882-1883, WIE ZONDER ZONDEN IS, WERPE DEN EERSTEN STEEN OP HAAR, 2005

 

Beeld: Privécollectie. Melkzaak Op Hoop van Zegen, Eerste Atjehstraat 38, circa 1922. V.l.n.r.: Minke de Wit-Schutter, dochter Baukje, zoon Gerben en kleindochter Catrien.

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
April
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950