Francesco Giuseppe Borri: wonderdokter uit Milaan

Drie jaar slechts verbleef de Italiaanse charlatan Francesco Giuseppe Borri in Amsterdam. Maar in dat korte tijdsbestek liet hij een verpletterende indruk na. Ten koste van opgelichte erfgenamen, onbetaald personeel, overleden patiënten en een halfblinde hond.

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right

Voordat Francesco Giuseppe Borri in februari 1661 Amsterdam aandeed, was zijn reputatie hem vanuit Den Haag vooruitgesneld. Een notaris had de bewijsvoering over de “ketterse verdorventheden” van de door de inquisitie in Milaan ter dood veroordeelde “excellentie Borri” vertaald en gepubliceerd. Met de titel ‘excellentie’ – gewoonlijk voorbehouden aan vorsten, en hoge diplomaten – liet de Italiaan zich in zijn nieuwe ballingsoord Amsterdam aanspreken. ‘Cavalier’, ridder, noemde hij zichzelf bij zijn inschrijving als burger op 12 april 1661. Vermoedelijk een verwijzing naar adellijke klassiek-Romeinse wortels.

Borri had op dat moment al het opzienbarende leven achter de rug van een loszinnige jongeman die zich ontpopte als religieuze visionair. Zoon van een Milanese geneesheer was hij in 1644 op zijn 17de naar Rome vertrokken, waar hij een opleiding volgde aan het jezuïetencollege. Volgzaam was hij niet: de jezuïeten wezen hem in 1650 de deur omdat hij rebelleerde tegen de rector. Hij vond een broodwinning in het geven van consulten over alchemie en geneeskunde aan de grote groep pelgrims in Rome. Verder leidde hij een losbandig leven, tot hij zich op een nacht bekeerde: in een visioen toonde het Opperwezen hem een palmtak met vurige stralen, als teken dat hij voorspellende gaven bezat. Hij, Francesco Giuseppe Borri, was een uitverkorene, een nieuwe profeet, met de aartsengel Michaël als zijn steun en toeverlaat. Als bewijs van zijn roeping kon hij een van diens veren tonen.

Vrienden

Met zijn profetische ambities trok Borri de aandacht van de pauselijke inquisitie, de kerkelijke rechtbank, en moest hij Rome ontvluchten. Terug in zijn geboortestad Milaan stichtte hij in 1655 een sekte, waarvan de leden zich moesten voorbereiden op het naderende einde. Hun aardse bezittingen gaven ze in bewaring aan hun leider en schatbewaarder Borri. Een plan om in Milaan een oproer te ontketenen en de aartsbisschop om te brengen, lekte uit. De inquisitie veroordeelde hem tot de brandstapel, maar de vogel was gevlogen. De uitvoering van zijn straf op 2 januari 1662 was daarom een executio in effigie, waarbij zijn beeltenis en geschriften in vlammen opgingen.

Borri was noordwaarts via Zwitserland naar het protestantse Straatsburg gevlucht, waar hij als duivelsuitdrijver actief was tot hij door de autoriteiten werd verbannen. Na Frankfurt, Dresden en Den Haag bereikte hij uiteindelijk Amsterdam.

In zijn nieuwe woonplaats huurde de markante Milanees een gemeubileerde woning. Zijn hospita moest hem en zijn gevolg ook bedienen, van eten en drinken voorzien en hun kleding en beddengoed wassen. Binnen enkele maanden was hij alweer vertrokken, omdat het huis niet aan zijn hoge eisen voldeed. De kasten lagen bijvoorbeeld vol met rommel en hij kon zijn kleren nergens netjes ophangen anders dan aan een spijker, ten prooi aan “stoff ende vuilicheyt”. Hij weigerde de hoge huur (f 750,- per jaar) te betalen. De hospita liet beslag leggen op zijn achtergelaten spullen.

Intussen had Borri vrienden gemaakt in de hoogste kringen. Zijn volgende woonlocatie was een grachtenpand van schepen Willem Jorisz. Backer. Van een andere regent – burgemeester Hendrik Hooft – huurde hij een stal voor zijn koets met paarden, waarmee hij zich door de stad liet rijden. Het huis richtte hij weelderig in met dure meubelen, tapijten, schilderijen, rariteiten en edelstenen. Vanuit het voorhuis met zijkamer leidde de gang naar een zaal en in de grote keuken was een laboratorium ingericht, “met de gereetschappen daartoe behorende”, onder meer flessen met chemisch gedestilleerde wateren. Het personeel leefde vooral in twee opkamertjes en een achterkeukentje en op de binnenplaats.

Geneesmiddel

Borri leefde op grote voet. Hij had een dienstmeid, een knecht en een handjevol Franssprekende lakeien in dienst, van wie er zeker drie bewapend waren met pistolen en een karabijn. In het huis sloop ook een tijger rond. Joannes Antonides van der Goes was zo onder de indruk van het roofdier dat hij er een gedicht over schreef. In de beginregels beschrijft hij het overbrengen van de tijger van de wildernis naar zijn nieuwe gekooide omgeving: Zoo wort woestaerdeny geslagen in de banden,/ Den Tiger uit zijn nest gerukt, van waer hy plach/ Op d’Indianen jagt te maken, voor den dagh./ Nu slyt hy hier bepaelt op ’t yzre hok zijn tanden,/ En mest zijn roofschen buik met doggeningewanden./ Dat na zoo verre een tocht aen d'Aemstel quam belanden.

Net als eerder in Rome verdiende Borri in Amsterdam de kost met het geven van consulten, waarvoor hij een klein woordje Nederlands leerde naast het gebruikelijke Frans. Trekpleister was zijn universele geneesmiddel, waarmee hij iedereen kon genezen van elke kwaal – uiteraard tegen ruimhartige betaling. Van heinde en verre kwamen welgestelde zieken op audiëntie. Wetenschappers namen de wonderdokter aanvankelijk serieus. De latere anatoom Theodorus (Dirck) Kerckrink hoopte van Borri te leren over diens opmerkelijke oogoperaties. Die bleken echter weinig meer te behelzen dan het toedienen van een even geheimzinnige als smerige wonderdrank met bestandsdelen als dierenmest. Een door Borri geopereerde hond moest het voortaan met één oog stellen.

Paardenmiddel

Het duurde niet lang voordat de wonderdokter ook menselijke slachtoffers maakte. Een van hen was de uit Nederlands-Indië teruggekeerde Gerard Demmer, waar hij in VOC-dienst carrière en fortuin had gemaakt. In april 1662 kwam hij doodziek in aanraking met Borri, die hem een ‘geheim’ toevertrouwde in ruil voor een lening van f 100.000,-, ongeveer de helft van Demmers totale kapitaal. Binnen een maand was hij overleden. Tezelfdertijd trad Borri ook op als de lijfarts van een steenrijke speelkaartenproducent; deze patiënt overleed onverwacht zonder maar een penning na te laten aan zijn familie.

Demmers erfgenamen sleepten Borri voor de schepenbank. De zaak belandde bij het Hof van Holland in Den Haag, waar hij intussen was gaan wonen. Vanuit zijn huis aan het Plein zette hij zijn praktijken als wonderdokter voort. Hooggeplaatste figuren in de diplomatenstad verblufte hij met zijn alchemistische kennis van de ‘steen der wijzen’, waarmee hij goud zou kunnen maken. Ook raakte hij zijdelings betrokken bij een schietincident.

In 1663 keerde Borri terug naar Amsterdam, om in het huwelijk te treden met een lokale schoonheid – zogenaamd dan, want hij trouwde helemaal niet. Hij ging op de oude voet verder, maar zijn purgeermiddelen en nagebootste edelstenen vonden minder aftrek en de medische missers begonnen in het oog te lopen. Een opvallend slachtoffer was burgemeester Cornelis de Graeff, de machtigste man op het stadhuis. In 1664 ontbood hij Borri aan zijn ziekbed om hem te genezen van een longaandoening. Als remedie kreeg de regent een sterke toverdrank toegediend. De Graeff riep daarop uit: “Gij tracteert [behandelt] mij als een paard!” Soelaas bood het paardenmiddel niet, want de patiënt liet het leven.

Levenslang

Met een slinkse juwelenhandel wist Borri het nog enige tijd uit te zingen, tot het hem ook in Amsterdam te heet onder de voeten werd. Beladen met geld en juwelen – en in gezelschap van zijn paarden en zijn tijger – verdween hij in december 1666 stilletjes uit zicht. Zijn schuldeisers schakelden justitie in. In de krant verscheen zijn signalement: “langh van Persoon, spichtigh, bleeck van Tronie, doncker van gesicht, swart hayr kort van krul, fijn of vrouwachtig van stem, spreeckt Italiaens, Latijn, Frans en Krom-duyts, gaet recht op zijn Lijf”.

Na Borri’s overhaaste vertrek vielen zijn achtergelaten bezittingen in handen van de Desolate Boedelkamer, de instelling die faillissementen afhandelde. Daartussen zaten meubelen, goudleerbehang, rariteiten, zoals de hoorn van een neushoorn, en 42 schilderijen, onder meer een stadsgezicht aan het water met schepen door vader Jan Abrahamsz. of zoon Abraham van Beerstraten. Er was ook een groot portret van Borri zelf in een vergulde lijst, vermoedelijk door Jürgen Ovens, waarnaar Pieter van Schuppen in 1675 een gravure maakte. In dezelfde kamer hing nog een eredicht op de wonderdokter, opnieuw met een gouden randje. De paardenstal was leeg, op “een goede quantiteyt hooij” na.

De opbrengst uit de bezittingen was volstrekt onvoldoende om alle schulden te voldoen. Zijn huisbaas, het personeel en talloze anderen konden fluiten naar hun geld. De medische meesteroplichter was hen te slim af geweest. Borri wist de dans te ontspringen door naar Hamburg te vluchten. Na enige omzwervingen werd hij onderweg naar het Ottomaanse Rijk in Moravië gevangengenomen. De Oostenrijkse Habsburgers leverden hem uit aan de paus, op voorwaarde dat hij niet de doodstraf zou krijgen. In 1672 moest hij voor de inquisitie zijn ‘ketterse’ leer afzweren. Zijn levenslange gevangenisstraf zat hij uit in de Engelenburcht in Rome, waar hij een laboratorium mocht inrichten. In 1695 stierf Francesco Giuseppe Borri daar een natuurlijke dood.

MAARTEN HELL IS HISTORICUS.

Januari/Februarinummer 2021

Beeld: Stadsarchief Amsterdam

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Februari Januari
Jaargang:
Rubriek:
Markante Amsterdammers
Tijdperk:
1600-1700