Flatneurose. Stress in de flat

Zelfs de vrouw van Rob de Nijs, ooit dolgelukkig in de Bijlmer, werd er uiteindelijk door geteisterd: de flatneurose. Wonen in hoogbouw zou depressies, eenzaamheid en fysiek ongemak veroorzaken. Het bleek een modeverschijnsel.  

Er zaten precies acht dagen tussen het moment waarop de eerste palen voor de flats van de Molenwijk in Noord en die van de Bijlmermeer in Zuidoost de grond in gingen, 5 en 13 december 1966. De koers van ‘de stad van de toekomst’ was ingezet: wijken met hoge woongebouwen en gescheiden functies van wonen, werken en recreëren. Alleen een enkeling voorzag problemen.  

Sinds begin van de twintigste eeuw de eerste woontorens in Nederland verrezen, was hoogbouw wel omstreden. Maar de discussie ging vooral over economische en esthetische aspecten (architect Hendrik Wijdeveld sprak over hoogbouw als ‘kwalijke uiting van geldmagnaten’). Dat hoogbouw de toekomst was voor de ‘moderne mens’, dat was zeker. 

Aanvankelijk was wonen op hoogte nog voorbehouden aan beter gesitueerden, maar in de wederopbouwperiode werd hoogbouw ook gezien als oplossing voor het woningtekort onder mensen met lagere inkomens. Er werd in rap tempo fabrieksmatig gebouwd. In de jaren zestig stegen de kosten van bouwgrond en lonen, en daarmee de huurprijzen. Om deze stijgingen te compenseren werden meer bouwlagen toegevoegd. Hoe meer bouwlagen per blok, des te rendabeler de bouw.

Het plan Van Gool, het plan Oostzanerwerf en het plan Bijlmermeer vormden een doorbraak naar nieuwe opvattingen over bouwen, wonen en wooncomfort, en de toepassing van een modern ideaal van hoogbouw en functiescheiding: wonen, werken, recreëren en vervoer moesten zoveel mogelijk gescheiden worden om optimaal te kunnen leven. Die moderne visie werd in de Molenwijk en de Bijlmer extreem doorgevoerd: in de Molenwijk bestaat liefst 100 procent van alle gerealiseerde 1256 woningen uit hoogbouw. 

Toch klonken tijdens de ontwikkeling van deze grootschalige hoogbouwprojecten al kritische noten van ingenieurs en stedenbouwers, zoals het hoofd Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam, Jakoba Mulder. Zij raakte in conflict met Siegfried Nassuth, een van de architecten van de Bijlmermeer. Het plan was de menselijke maat uit het oog verloren, zei Mulder: moeders konden vanuit de flats niet op hun kinderen letten.  

Mulder gaf de hoofdarchitect van haar afdeling opdracht voor een alternatief, bestaande uit een afwisseling van hoog-, laag- en middelhoge bouw. Hierdoor zou het percentage hoogbouw van het totale plan niet negentig, maar veertig procent beslaan. Door dit alternatieve plan van Mulder werd echter een streep gezet: toezeggingen aan de industriële bouwondernemingen waren al gedaan. 

Stress, angst en eenzaamheid 

Ongegrond zou de kritiek van Mulder niet blijken. En vanaf de jaren vijftig greep een negatief beeld van hoogbouw om zich heen. In 1955 stak de term ‘flatneurose’ de kop op. In de katholieke krant De Tijd werd geconstateerd dat ‘het huisvestingsprobleem’ een ernstige bedreiging vormde voor het geestelijk evenwicht: ‘Ook de z.g. flat-neurose, veroorzaakt o.m. door de gehorigheid der flatwoningen, is een modern verschijnsel van geestelijke stoornis.’ 

Verder lezen? Het hele verhaal staat in ons Decembernummer. Neem nog deze maand een (heel voordelig) abonnement en je krijgt het thuisgestuurd.

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right

Decembernummer 2021

Manon Fonteijn

Beel

Delen:

Buurten:
Noord Zuid-Oost
Editie:
December
Jaargang:
Tijdperk:
1950-2000
Rubriek: