Filmstad met divakuren

Sinds jaar en dag is Amsterdam in trek als filmlocatie voor binnen- en buitenlandse films. De hoofdstad heeft de grootste filmindustrie van het land met een geschatte jaaromzet van € 170 miljoen. De grachten en de Wallen spreken tot de verbeelding. Amsterdam is film en fotogeniek, maar verwend. Het wordt de filmmakers niet gemakkelijk gemaakt.
 

De filmgeschiedenis van Amsterdam begint in 1919 als De duivel in Amsterdam met Eduard Verkade in de hoofdrol wordt uitgebracht. De Jantjes en Bleeke Bet uit 1934 zijn verfilmingen van volkstoneel die veel publiek trekken, De Jantjes als de eerste Nederlandse geluidsfilm. Latere typisch Amsterdamse films zijn Het wonderlijke leven van Willem Parel (1955), Ciske de Rat (1984) en Kees de jongen (1993). Opvallende internationale producties zijn The Great Dictator (1940) van Charley Chaplin – waarin een foto, genomen vanaf de middentoren van de Bijenkorf in Amsterdam gebruikt is als decor –, Puppet on a chain uit 1970 (inspiratiebron voor Dick Maas in Amsterdamned) en La ragazza in vetrina (1961), een rossebuurtfilm. Het is maar een minieme greep uit de talloze titels.
Filmen lijkt probleemloos in Amsterdam, maar is de hoofdstad vandaag de dag (nog) wel zo’n ideaal filmdecor? De laatste jaren is de stad minder filmvriendelijk, vinden filmmakers. De kosten voor vergunningen en beheersmaatregelen zijn hoger dan elders, er was tot voor kort geen ‘stadspoort’ waar filmmakers ontvangen en welkom geheten werden en buurten – die overlast hebben – pikken het soms niet meer. Toch blijft de hoofdstad onverminderd in trek bij nationale en internationale filmproducties, meent de vorig jaar aangestelde filmcoördinator Simon Brester. Niettemin wijken producenten steeds vaker uit naar lookalike steden als Delft, Leiden en Alkmaar, zelfs naar Rotterdam en het buitenland.
Twee bekende ervaringsdeskundigen op het gebied van het Amsterdamse filmen zijn acteur en regisseur Jeroen Krabbé en producent Matthijs van Heijningen. Krabbé heeft als acteur en later regisseur op menige locatie in Amsterdam gedraaid. Hij speelde in veel films en tv-series. Een greep: Soldaat van Oranje, Prince of Tides, Willem van Oranje, De vierde man. Hij regisseerde Left Luggage en De ontdekking van de hemel. Van Heijningen heeft sinds begin jaren zeventig zo’n 37 geproduceerd waarvan een aantal in Amsterdam speelt. Gebroken spiegels, In de schaduw van de overwinning, Kracht, Rituelen, Advocaat van de hanen en Vals licht zijn van zijn hand.

Gedurende het draaien van De ontdekking van de hemel (2001) ontmoette Krabbé heel wat weerstand: “Je moet in Amsterdam over heel veel schijven om de locaties te kunnen krijgen en de vergunningen te regelen. Daar zijn mensen voor, dat hoeft de regisseur niet zelf te regelen. Die wil daar en daar draaien en dan hoopt hij maar dat het lukt. Vervolgens moet er met de deelraden in de slag worden gegaan. Die waren ten tijde van het maken van deze film heel sterk.” Amsterdam heeft een ‘filmprotocol’ waar de stadsdelen vaak een eigen uitleg aan geven. Krabbé: “Ik denk dat je in West makkelijker kunt draaien dan in Zuid, dat is nu eenmaal zo. Daar kost het misschien ook wel minder. Het is net als bij Monopoly. Maar als je zo’n authentieke sfeer wil oproepen, kun je gewoonweg niet in een andere stad draaien!” De ontvangst van filmmakers was tijdens de opnames bepaald niet vriendelijk, zegt Krabbé. “Eigenlijk is dat raar: het zijn toch enorme inkomsten, zeker als er een buitenlandse film komt. Volgens mij verdienen ze zich paars aan die films!”
De nieuwe filmcoördinator is er gekomen op aandringen van de stadsdelen. Hij moet ervoor zorgen dat filmmakers zich meer welkom voelen. Positief vindt Matthijs van Heijningen, maar wel een beetje te laat. “Kijk, het wezen van film is dat de makers eigenlijk per dag wat betreft weer of beschikbaarheid van mensen moet kunnen veranderen. Als ze dan zes weken van tevoren een locatie moeten vastleggen voor een vergunning, is dat uitgangspunt wel heel erg zoek geraakt. En als het dan een écht op Amsterdam geschreven film is… Tja. Zo’n Kees de jongen (ook door hem geproduceerd, red.) konden we moeilijk ergens anders opnemen.” Al kunnen de nieuwe digitale technieken deels uitkomst bieden. “Dan is het leuk om de Westertoren te laten instorten. Het Paleis voor Volksvlijt hebben wij er digitaal ingezet.”

De VVV regelde alles
Door schade en schande wijs geworden, reserveert Van Heijningen heel vroeg van tevoren gewoon maar zoveel mogelijk plekken wanneer hij aan een project begint. En dan ziet hij wel verder hoe het loopt. “Het is allemaal zo professioneel geworden met gigantische lichtauto’s en caravans voor de acteurs. De meeste steden in de wereld of provincies bieden belastingvoordelen als je met een filmploeg wil komen draaien of geven geld terug als er een bepaald bedrag wordt uitgegeven. Anders dan Den Haag, Rotterdam en sommige provincies, doet Amsterdam daar niet aan. “Het is business”, zegt Van Heijningen. “Het is toch een circus wat je binnenhaalt. Er komen enkele honderden mensen die hotels nodig hebben en eten. Dat zijn inkomsten voor de stad. Maar Amsterdam maakt het filmmakers alleen maar lastig en ook de bewoners willen niet echt.”
Bij het kiezen van een locatie let Van Heijningen ook op de architectuur. “Waar je ook komt, Dordrecht, Haarlem of Utrecht, buiten Amsterdam zijn de huizen allemaal te laag. Twee, drie verdiepingen, hoger komen ze daar niet, terwijl er hier vier, vijf zijn. Dat voelt direct anders!” Wel of niet in Amsterdam filmen, is dus een moeilijke beslissing, vindt hij. “Toch denk ik dat hier steeds minder van die echt Amsterdamse films zullen worden opgenomen. Het is ook wel een beetje óp nu. We hebben zo’n 20-30 jaar op locatie gefilmd. Maar filmen hier is nu zo gecompliceerd geworden dat het beter is om te bouwen in de studio en vervolgens digitaal aan te vullen. De Dam afzetten doe je niet meer zo makkelijk.”
De door de wol geverfde producent herinnert zich nog goed hoeveel gemakkelijker het eertijds liep. “Als ik in de jaren zestig, zeventig en tachtig hier wilde filmen, ging ik naar de VVV, die regelde alle vergunningen.” Dat kwam meestal vooral neer op de uitkoop van parkeervergunningen. “Wat die busjes hier op de gracht kosten aan parkeergelden, gigantisch! Ingewikkeld wordt het pas als je echt professioneel te werk wil gaan. Bijvoorbeeld bij historische films als Kees de jongen, waar we hele gevelwanden moesten aanpassen. Dan is er echt wat te regelen!”

Gezeur over details
Acteur Krabbé was even te zien in de Amerikaanse film Ocean’s Twelve (2005). “Daar zat zoveel geld! De makers van zulke grote films, kopen gewoon wat ze willen! Als de gemeente zegt dat een gracht voor een nacht € 150.000,- kost, geven ze dat. Nederlandse producties hebben het geld niet om veel meer te betalen dan wat er normaal gesproken op tafel moet komen. Dus wijk je uit. Dat heb ik met De ontdekking van de hemel gedaan, naar Leiden. Daar zijn natuurlijk óók grachten. Bovendien werkte hoofdpersoon Max in Leiden. In die stad was het filmen zoveel gemakkelijker!” Krabbé denkt dat het filmklimaat in de hoofdstad is bedorven door grote Amerikaanse filmproducties als Ocean’s Twelve. “Die beschouwen Amsterdam letterlijk als een decor en niet als een levende stad met mensen. Dick Maas heeft nog wél zijn gang kunnen gaan met Amsterdamned, volgens mij. Dat zou nu absoluut niet meer kunnen.”
Kortgeleden is het Amsterdamse filmprotocol versoepeld wat betreft vergunningen voor (nep)pistolen. “Details”, meent Van Heijningen. “Dat is altijd zo’n gezeur, verschrikkelijk! Onze houding is toch: als we kunnen voorkomen dat we hier moet filmen, dan doen we dat. De makers van Ocean’s Twelve hadden Amsterdam wel nodig, maar kijk eens naar het aandeel van de stad in de film: dat is klein.” Hij wijst op een vroege ‘Amsterdamfilm’ als Puppet on a chain, een grote Engelse productie die eind jaren zestig naar de hoofdstad kwam. “De hele speedbootrace uit de latere film van Dick Maas komt eigenlijk uit deze film. Maar hij heeft stukken in Utrecht moeten filmen, omdat hij er in Amsterdam niet uitkwam. Dat was op de Oude Gracht, ja. Elke rechtgeaarde Amsterdammer begint te gieren van de lach als-ie een speedboot over zo’n kade ziet schuiven.” 
Soms wijken filmmakers dus uit naar andere steden. Krabbé vertelt hoe hoofdpersoon Max in De ontdekking van de hemel terugkeert uit Polen met een trein uit de jaren zestig. “Op het Amsterdam CS is alles veranderd, daar konden we zijn aankomst niet filmen. De trein hebben we uit het Spoorwegmuseum gehaald en de scène van aankomst draaiden we in Haarlem. Dat is een mooi, oud station en bovendien klein. Precies goed.”

Overlast voor de buurt
Ciske de Rat is een typisch Amsterdamse film die Van Heijningen in de Czaar Peterbuurt opnam. Zou hij in het huidige Amsterdamse filmklimaat een dergelijke film weer kunnen maken? “Niet meer”, zegt hij stellig. “Misschien in de Jordaan. Maar het aardige van Ciske was nu juist dat het níet Jordanees was. In 1984 was het enige wat je deed de politie inlichten. Belangrijk was verder dat de buurt niet tegen je was. Tegenwoordig zijn echte locatiemanagers nodig, jongens die precies weten hoe het werkt.” 
Waarom zijn de kosten van vergunningen en beheersmaatregelen in Amsterdam veel hoger dan in andere steden? Van Heijningen: “De hoofdstad is niet echt filmvriendelijk ingesteld. ‘Wie Amsterdam nodig heeft, komt toch wel’, die houding. Maar wij roepen het zelf natuurlijk wel een beetje over ons af door niet sneller elders te gaan draaien.” Ondanks alle hindernissen blijft de stad een geliefde locatie.
Toch is niet de overheid het grootste probleem, maar de buurt, zeggen zowel Van Heijningen als Krabbé. Met de buurt moet serieus rekening worden gehouden. En niet zonder reden. “Bij het draaien moet er vaak van alles aan bewoners worden gevraagd: om de gordijnen te sluiten, het licht uit te doen, of bordjes van de gevels af mogen. Hartstikke vervelend voor ze! Dan willen mensen niet en druk je ze maar wat geld in de hand of zo”, zegt Krabbé. Dat helpt. Als je de overlast door het filmen ‘economisch verkoopt’, zit je al beter. De buurt hééft immers te maken met de overlast. “Ik woon in de Van Eeghenstraat en heel vaak ligt er een brief in de bus die filmactiviteiten aankondigt in leegstaande huizen of het Vondelpark. Ik betrapte me laatst erop dat ik dacht: O, daar krijg je ze weer! Want het betekent dat een derde van de straat wordt afgezet. Al een week van tevoren staat er een bord. Auto’s worden weggesleept. Ik begrijp die weerstand dus erg goed.” 

De rosse buurt
Amsterdammers zijn al dat filmen een beetje moe geworden, beaamt Van Heijningen. “Het is zo’n inbreuk als je een gracht moet afzetten! Filmploegen nemen zoveel ruimte in beslag dat het voor bewoners, zeker in de westelijke grachtengordel en op de Brouwersgracht, erg vervelend is geworden. Filmmakers overdrijven het soms ook wel een beetje: staan er met een kleine opname bijvoorbeeld tien vrachtauto’s en wordt een heel blok afgezet. Had het niet wat minder gekund, denk ik dan. Dat is wel érg comfortabel geregeld.” 
Wat doet hijzelf om overlast voor de buurt te beperken? “Ik organiseert een aparte première voor de buurt, breng met briefjes in de bus de buurt op de hoogte.” Een apart probleem zijn de bewoners van een huis waarin opnamen worden gemaakt. “Die breng ik naar een hotel buiten de stad. Liefst ver weg, in Zandvoort of zo. Bewoners moet je er absoluut niet bij hebben. Ze worden heel zenuwachtig van alles wat er gebeurt. Het ziet eruit alsof er een veldslag heeft gewoed.”
Een bijzonder geval is de rosse buurt. Rififi in Amsterdam (1962) en La ragazza in vetrina zijn rolprenten die hier spelen. De laatste is een van de weinige die er daadwerkelijk is opgenomen. Bij deze productie belandden leden van de filmploeg in de gracht door toedoen van een boze souteneur, vanwege gederfde inkomsten. Krabbé weet: “Ja, je moet daar niet de boel versjteren.” Dan is nabouwen beter. “Ik heb eens een kostuumfilm gedraaid die zich afspeelde in het Venetië van de 15de eeuw. Dat was helemaal nagebouwd in de buitenstudio: kanalen, bruggen, huizen, alles. Er voeren zelfs gondels doorheen. In de beroemde studio Cinecitta was dat.” Van Heijningen heeft ooit geprobeerd op de Wallen te filmen, maar dat was naar zijn zeggen niet te doen. Als díe buurt zich tegen je keert, ben je verloren. “Dan moet je écht betalen! We hebben destijds voor Vals licht (regisseur Theo van Gogh, 1993) de Wallen maar nagebouwd op de Ruysdaelkade.” 

Gijsbrecht van Aemstel
Tenslotte mag in een artikel over filmmakerij in Amsterdam de vraag naar de verfilming van de Gijsbrecht uiteraard niet ontbreken. Noblesse oblige, toch, Matthijs van Heijningen? “De Gijsbrecht? Die film hebben we even in de ijskast gezet. In 2008 waren we er driftig mee bezig, vervolgens kwam de crisis en werd het wat te ingewikkeld. Volgend jaar gaan we er weer eens aan denken. Het moet er een keer van komen. We hoeven niet in Amsterdam te filmen, want bouwsels uit die tijd zijn er niet meer. Dát is een voordeel.” Hij grijnst even. “We willen ‘laten zien’ wat er ‘gezegd’ wordt. In het toneelstuk vertellen bodes wat er gebeurt. Dat betekent dat we grote stukken Amsterdam moeten herbouwen, maar dat is dan toch studiowerk.”

Delen: