Een woud van molens

Eind 19de eeuw stonden er aan de toenmalige stadsrand nog een stuk of 100 molens, vooral houtzaagmolens. Nu dreigt de allerlaatste zaagmolen, De Otter aan de Kostverlorenvaart, uit de stad te verdwijnen.

Houtzaagmolen De Otter in de Gillis van Ledenberchstraat dreigt te verdwijnen uit Amsterdam. De nieuwe wieken waarover de molen sinds 1996 beschikt staan al zo’n vijf jaar stil, want er is niet genoeg wind. Een oud probleem dat door nieuwe hoogbouw in de buurt steeds nijpender is geworden. De molenaar van De Otter wil daarom verhuizen naar Uitgeest. Als dat gebeurt, verliest Amsterdam de laatste tastbare herinnering aan het woud van houtzaagmolens dat de stad eeuwenlang omringde.

‘Maar hoe! Verdooft mij het gehoor?
Zie ik gezwinde schimmen zweven?
Wat gonst en giert mij hier aan ’t oor?
’t Zijn wieken, door den Windt gedreeven’

Of het een mooi gezicht was, is de vraag, maar oorverdovend en indrukwekkend was het zonder meer. Dichter-koopman Daniël Willink (1676-1722) toont zich in zijn postuum uitgegeven Amsterdamsche Buitensingel (1723) diep onder de indruk van het rusteloos bewegende schimmenspel van de Amsterdamse houtzaagmolens. Rond de stad stonden er in Willinks tijd meer dan 80 van deze gevaartes dag in dag uit te daveren. Overal tussen de zwiepende wieken stonden houten loodsen of andere bouwsels voor opslag tegen elkaar geleund. Het nog te zagen of al verwerkte hout lag in hoge stapels opgetast op het land of dobberde in de poelen, vaarten en sloten waarover het werd aan- of afgevoerd. 
De windhoutzaagmolens die al dit hout met veel kabaal verwerkten tot balken, planken, latten of kleiner maatwerk stonden overal buiten de Singelgracht (tegenwoordig: Nassaukade, Stadhouderskade en Mauritskade). De meeste waren te vinden aan de westkant van de stad, want daar kon het meeste profijt getrokken worden van de overheersende zuidwestenwinden. Het beeld van draaiende houtzaagmolens beheerste het vlakke en natte land waar tegenwoordig de huizenblokken van Staatsliedenbuurt, Frederik Hendrikbuurt en Kinkerbuurt dicht op elkaar staan. Buiten de Haarlemmer- en Raampoort waren het er op het hoogtepunt van de Amsterdamse houtzagerij op windkracht alles bij elkaar waarschijnlijk wel tegen de 50. Even ten noorden van de huidige Westerstraat was in de stadsmuur een kleine doorgang aangebracht ten gerieve van de molenaars en die stond bekend als de Zaagmolenpoort. 
Ook verder zuidelijk langs de Singelgracht waren de houtzagers overal met de wind aan het werk. Tussen de vijftien en twintig molens stonden in een groep bij elkaar in de buurt van de toenmalige Zaagmolensloot (tegenwoordig de Albert Cuypstraat). Waar nu de dichtbebouwde Govert Flinck- en de Gerard Doustraat lopen, lagen toen respectievelijk het Zuidelijk en Noordelijk Zaagmolenpad. 

Centrum van houtzagerij
Afgezien van de twee kerngebieden buiten Raampoort en Regulierspoort waren de houtzaagmolens ook elders langs de Singelgracht opvallend aanwezig: van de Overbraker Buitenpolder bij de Haarlemmerpoort tot aan de Rietlanden buiten de Muiderpoort aan de andere kant van het IJ en overal daartussen in, los of in kleine groepen bij elkaar. Vooral ook waar nu het Rijksmuseum staat, waren het er veel.

De houtzagers vormden veruit de meerderheid te midden van de talloze cacao-, rasp-, pel-, vol-, grut- en andere industriemolens, die in de 17de, 18de en 19de eeuw langs de stadgrens hun werk deden. Hoog boven alles uit torenden wel 30 indrukwekkende korenmolens, die de oudste rechten hadden en vaak op de bolwerken van de vestingwal waren neergezet. Hoeveel molens rond de stad in totaal draaiden is lastig vast te stellen, maar 150 waren het er zeker en meer dan 80 daarvan hielden zich bezig met houtzagerij. 
Amsterdam was daarmee het op één na belangrijkste centrum van houtzagerij in de Republiek der Verenigde Nederlanden, alleen overvleugeld door de Zaanstreek, waar wel meer dan 200 houtzaagmolens tussen nog eens honderden andere aan het werk waren. Door de terugloop van het aantal Zaanse houtzaagmolens telden beide gebieden er sinds het begin van de 19de eeuw trouwens evenveel. 
De aanwezigheid van al deze houtzaagmolens had te maken met de grote betekenis van de houthandel van Amsterdam. Al in de 15de eeuw was hout naast graan het belangrijkste product van de Amsterdamse stapelmarkt en die traditie zette zich in de 17de eeuw versterkt voort. Vanouds werd het naald- en eikenhout in vlotten over de grote rivieren via Deventer aangevoerd uit Duitsland, maar het kwam ook als scheepslading over zee uit het Oostzeegebied en Scandinavië. In de eerste helft van de 17de eeuw groeide Amsterdam uit tot het belangrijkste aanvoercentrum van Noors grenen- en vurenhout in Europa. Honderdduizenden kubieke meters gekapte en vaak al ruw gezaagde stammen uit de Noorse wouden vonden jaar in jaar uit hun weg naar het IJ om daar gelost, geveild en gezaagd te worden. Of verder getransporteerd binnen de Republiek zelf en ook op grote schaal naar Engeland, Spanje, Portugal en andere Europese landen. 

Handzagers liggen dwars
Een opvallend groot aantal Amsterdamse straatnamen herinnert er nog aan hoe belangrijk de houthandel hier was: de Joden Houttuinen, de Korte en Lange Houtstraat, de Houtkopersburgwal, de Houtgracht, de Houtkopersdwarsstraat aan de oostzijde; de Haarlemmer Houttuinen en de verdwenen Grote en Kleine Houtstraat aan de westzijde. In de 19de eeuw werd het uitgestrekte Houthavengebied achter de Spaarndammerdijk aangelegd. In het Amsterdamse straatleven waren in het verleden de geur van hout en het beeld van de stapels stammen en balken zelden ver weg. 
De Amsterdamse houtzaagmolens hebben het molenwoud rond de Singelgracht bijna drie eeuwen lang gedomineerd, maar het duurde wel even voordat het zover was. Hoewel de door de wind aangedreven houtzaagmolen al eind 16de eeuw was uitgevonden door Cornelis Cornelisz. van Uitgeest en sindsdien in de Zaanstreek was verbeterd, werd vrijwel al het hout in Amsterdam nog enkele tientallen jaren met de hand gezaagd. Dat was duur en ging langzaam, maar zo had het gilde van handzagers het geregeld. 
Amsterdam telde in de jaren twintig van de 17de eeuw pas slechts een enkele windhoutzaagmolen. Die stond in de buurt van de Amstel en werd bediend door twee Zaankanters. Ze mochten alleen vurenhout zagen. Het voor het binnenwerk van schepen en huizen meest gebruikte eikenhout bleef krachtens stedelijke bepalingen nadrukkelijk voorbehouden aan de handzagers. Zij wisten hun beroep hardnekkig te beschermen, maar konden niet voldoen aan de groeiende vraag van de snel uitbreidende stad en vooral niet van de scheepsbouw. Ondanks een door het stadsbestuur afgekondigd verbod werd dan ook steeds meer gezaagd hout aangevoerd uit de Zaanstreek, 
Rond Amsterdam verschenen houtzaagmolens pas op grote schaal nadat in 1627 het handzagersgilde was opgeheven. Vier jaar later werden de eerste ten westen van de stad neergezet, met steun van het stadsbestuur. Drijvende kracht was een in 1630 opgerichte ‘Compagnie’, waarin zich houtkopers, scheepsbouwers, timmerlieden, kistenmakers en andere belanghebbenden verenigd hadden. Hun initiatief getuigt van de grote vraag naar gezaagd hout, waaraan de handzagerij bij lange na niet kon beantwoorden. 

Gewoel en gekrioel
Nog geen tien jaar later werd de compagnie al weer opgeheven, maar toen stonden er inmiddels tientallen houtzaagmolens buiten de Raam- en Regulierspoort en die werden door particulieren voortgezet. Het aantal groeide snel en uiteindelijk waren het er zo’n zeventig tot tachtig, die in de woorden van stadschroniqueur Melchior Fokkens “gedurigh anders niet doen dan hout zagen, dat vreemt om te sien is, so veel molens al dicht bij elkander gemaakt, daar ’t hout in grooten overvloet bij deze Molens, zo op Land als in ’t water leydt” (Beschrijvinge der wijdt-vermaarde koopstadt Amstelredam, 1662). 
De bijdrage die deze houtzaagmolens leverden aan de bloei van de stad, is nauwelijks te overschatten. Bij de Admiraliteit, de Oost-Indische Compagnie, de West-Indische Compagnie en particuliere scheepswerven was voortdurend vraag. Ook het hout dat in de uitdijende stad nodig was voor de bouw en aanleg van pakhuizen, woningen en waterwerken kwam voor een belangrijk deel van de Amsterdamse houtzagerijen.
“Het is een bos van hoge molens van verschillend fatsoen, die hun enorme, gekruiste armen rondslingeren; en boven de huizen en kerken een gewoel en gekrioel maken als een troep monstervogels, die boven de stad staan te klapwieken.” Zo beleefde de Italiaanse schrijver en reiziger Edmondo De Amicis het Amsterdamse woud van molenwieken nog in het laatste kwart van de 19de eeuw (Holland en zijn bewoners, 1876). Hij zag inmiddels al tussen de molens de fabrieksschoorstenen roken. Het aantal houtzaagmolens bedroeg waarschijnlijk nog steeds 60 tot 70, maar nam steeds verder af. 
Dat kwam niet door een verminderde vraag naar hout of een terugloop in de Amsterdamse houthandel. De stad stond aan de vooravond van een nieuwe periode van economische bloei en juist in deze tijd werd de nieuwe en moderne Houthaven achter de Spaarndammerdijk aangelegd. De houtzaagmolens op windkracht legden het steeds vaker af tegen de concurrentie van stoom als energiebron. Dat blijkt ook uit de cijfers. Medio 19de eeuw gingen in de Amsterdam de eerste stoomhoutzagerijen draaien en rond 1885 waren het er veertien. 

Stampen, zwoegen en zweten
Er was nog een tweede oorzaak voor het verdwijnen van de houtzaagmolens in deze jaren behalve de opkomst van stoom (en later van gas- en elektriciteit): de stadsuitbreiding. Staatsliedenbuurt, Frederik Hendrikbuurt, Kinkerbuurt, de Pijp: overal werden nieuwe straten getrokken en in snel tempo huizen gebouwd. Zo moesten de houtzaagmolens van Amsterdamse eerste Gouden Eeuw het veld ruimen voor de revolutiebouw van de tweede.
Aan de glorietijd van de Amsterdamse houtzagerij op windkracht herinnert tegenwoordig alleen nog houtzaagmolen De Otter aan de Gillis van Ledenberchstraat. Die heeft alles meegemaakt, want hij is in 1631 of kort daarna gebouwd. De Otter is daarmee – afgezien van de molen die voordien korte tijd bij de Amstel stond – waarschijnlijk de eerste en zeker de laatste houtzaagmolen van de stad. Hij heeft nog tot begin 20ste eeuw gezaagd voor de houthandel. 
Na jarenlang werkloos zonder wieken te hebben gestaan, is hij tussen 1994 en 1996 in oude luister hersteld en in de jaren daarna heeft hij zelfs regelmatig weer hout gezaagd. Sinds 2006 is er volgens de stichting die De Otter beheert en in eigendom heeft, door alle nieuwbouw in de buurt niet genoeg wind meer om hem te laten werken. Verhuizing dreigt en de kans is groot dat dit na jaren juridisch steekspel ook gaat gebeuren. 
De Otter is de oudste van de vijf nog bestaande houtzaagmolens van het type ‘paltrok’ in Nederland. Als de verhuizing doorgaat verdwijnt niet alleen een bijzonder monument van de Nederlandse molengeschiedenis uit Amsterdam, maar verliest de stad ook een unieke herinnering aan haar eigen verleden. Houtzaagmolens als De Otter maakten de bloei van Amsterdam in de 17de eeuw mogelijk. Het is een monument dat getuigt van het stampen, zwoegen en zweten dat evenzogoed deel was van de werkelijkheid van de Gouden Eeuw als de rijkdom die toen werd opgehoopt. En dát maakt deze molen uniek voor Amsterdam. Straks herinneren daaraan behalve de naburige Zaagmolenstraat misschien alleen nog de woorden van Daniel Willink:

‘’t Zijn Moolens die hier rij aan rij,
Driedubbelt achtereen staan maalen;
Wier scherpe zaagen, zij aan zij,
Zij schielijk op en needer haalen,
En rukken door het dikste hout,
Dat ooit een Stervling heeft beschout.’

Juridisch steekspel nadert ontknoping 
De Stichting Houtzaagmolen De Otter wil de oudste nog bestaande houtzaagmolen van Nederland overbrengen naar Industrieel Erfgoedpark De Hoop in Uitgeest. De stichting verwijt Stadsdeel West de toekomst van De Otter aan de Gilles van Ledenberchstraat onmogelijk gemaakt te hebben door toestemming te verlenen voor verschillende nieuwbouwprojecten in de buurt. Over de zaak zijn door de stichting en het stadsdeel de afgelopen jaren verschillende juridische procedures gevoerd en er is een windonderzoek ter plaatse uitgevoerd. De uitkomsten van dat onderzoek worden door de twee partijen verschillend geïnterpreteerd. Op 13 mei jongstleden heeft de rechtbank Amsterdam bepaald dat Stadsdeel West een monumentenvergunning moet afgeven, om daarmee verhuizing mogelijk te maken. Stadsdeel West is in hoger beroep gegaan en heeft een schorsingsverzoek ingediend bij de Raad van State. Een uitspraak wordt verwacht als dit nummer van Ons Amsterdam ter perse gaat.
 

Delen:

Jaargang:
2011 63
Buurten:
West
Dossiers:
Archeologie Economie
Editie:
September
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1600-1700 1700-1800