Een volksplanter op doorreis

De Amsterdamse jaren van Jan van Riebeeck

Jan van Riebeeck, in 1652 stichter van de Nederlandse vestiging op Kaap de Goede Hoop, heeft maar kort in Amsterdam gewoond, maar de stad heeft een belangrijke rol gespeeld in zijn leven en daarmee in de geschiedenis van Zuid-Afrika. De lange tijd zo vereerde “volksplanter” ontplooide de eerste initiatieven tot apartheid en met het verzet daartegen, begon ook het beeld van Van Riebeeck te wankelen. Nu ook letterlijk, want in Kaapstad werden onlangs plannen gesmeed om op de 350ste Stigtingsdag van de Kaap zijn standbeeld in zee te kieperen.

Het is dit jaar 350 jaar geleden dat de lange tijd vereerde en later verguisde Jan van Riebeeck (1619-1677) de Kaapse vestiging stichtte. Hij was de eerste commandeur van de Kaap en daarom van grote betekenis voor de ‘Hollandse stam’ in Zuid-Afrika. Van Riebeeck werd in Culemborg geboren, maar trok als jongeling naar Amsterdam waar hij in de voetsporen trad van zijn vader. Die mocht zich chirurgijn noemen, want hij kon aderlaten en wonden behandelen. Ook Jan maakte zich, als leerjongen van het Amsterdamse chirurgijnsgilde, de medische praktijk eigen, ook al legde hij nooit de meesterproef af. Dat examen was alleen voor Amsterdam verplicht, en dus kon Van Riebeeck toch als chirurgijnsmaat naar zee.

Naar de Oost

Gepokt en gemazeld door reizen naar onder andere Barbados, de Antillen, maar ook Groenland en Spitsbergen, monsterde Van Riebeeck in 1639, 20 jaar oud, als onderchirurgijn aan bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Zijn eerste reisdoel was Batavia, maar het schip waarop hij voer, verging voor de Afrikaanse kust. Een jaar later bereikte hij alsnog het pas gestichte Batavia, waar zijn neef Antonio van Diemen als gouverneur-generaal de lakens uitdeelde. Met diens hulp bracht Van Riebeeck het al snel tot onderkoopman. Hij bereisde de Aziatische kusten, kocht exotische waren in op Deshima bij Nagasaki, en op Formosa. In het destijds Chinese Tonkin gaf hij leiding aan de handelaren in zijde. De kleurrijke stoffen waren in Europa zo gewild dat hij veel winst maakte en zich al snel koopman liet noemen, in plaats van onderkoopman. Maar het lot keerde zich tegen hem: hij werd betrapt op particuliere handel en voor straf naar Amsterdam teruggestuurd. Hij mocht zich wel koopman blijven noemen, en zijn gage behouden.

Op de terugweg belandde hij opnieuw in Afrika. Zijn schip liep op een zandbank toen het voor anker wilde gaan in de Tafelbaai. De zuidelijke punt van Afrika werd toen al vaker gebruikt als ankerplaats voor schepen die aan foeragering of reparatie toe waren. Van Riebeeck moest er wachten tot zijn schip zou worden losgetrokken. En dus had hij alle tijd om de omgeving grondig te verkennen, hetgeen hem later van pas zou komen. Maar uiteindelijk werd het zeil weer gehesen en op 10 augustus 1648 kon hij in zijn dagboek schrijven: “Gode lof, kloek en gesond, mitsgaders redelijk geprofiteert, binnen de stad van Amsterdam aan lant.”

In de wachtkamer van het Oost-Indisch Huis

In Amsterdam wachtten hem echter teleurstellingen. Een beroep tegen zijn veroordeling werd hem geweigerd. Hij bracht drie en een half jaar in Amsterdam door, wachtend op een nieuwe opdracht, tevergeefs kloppend op alle deuren van het Oost-Indisch Huis. Hij leefde in die tijd van een erfenis en een groot salaris-tegoed.

In de Jordaan, destijds een nieuwe woonwijk, kocht hij een eenvoudig huis, Egelantiersgracht 98, dat inmiddels plaats heeft moeten maken voor nieuwbouw. Een gevelsteen of uithangbord meldde in zijn tijd of kort na zijn vertrek dat het huis De Samaritaan heette. Die barmhartige is de beschermheer van de geneeskunst en dat zou erop kunnen duiden dat Van Riebeeck toch ook in Amsterdam als chirurgijn praktiseerde.

De latere volksplanter stichtte in de Jordaan een gezin. Hij trouwde met de Schiedamse domineesdochter Maria Querellerius en kreeg met haar in Amsterdam twee kinderen. De jongste werd in september 1651 gedoopt in de Zuiderkerk, waaruit blijkt dat het gezin toen al verhuisd was naar een nieuwe woning, op het toen net aangeplempte Nieuwe Waalseiland, waar nu het Scheepvaarthuis staat.

De ambteloze Van Riebeeck heeft in die tijd weinig sporen nagelaten, maar wel net genoeg om de perplexe onderzoeker, nog niet gewend aan de Afrikaanse taal, even op het verkeerde been te zetten: “Stukke oor van Riebeeck in die Gemeentlike Argief te Schiedam.” Van een dubbelportret dat Dirck Craey in 1650 schilderde, is altijd ten onrechte gedacht dat het het echtpaar Van Riebeeck voorstelde. Craey was één van de vele kleine meesters van de Gouden Eeuw, en hij heeft met dit portret goed werk geleverd, maar om Van Riebeeck blijkt het bij nader inzien niet te gaan. De elegante verschijning die Craey portretteerde, heeft later als basis gediend voor een standbeeld van Van Riebeeck in Kaapstad en voor de afbeelding op Nederlandse jubileum-postzegels uit 1952. Het portret van de vrouw schijnt wel Maria Querellerius voor te stellen. De beide portretten bevinden zich in het Rijksmuseum.

Na een paar jaar kregen de VOC-directeuren Van Riebeeck toch weer in het vizier. De VOC zocht een “koopman en opperhoofd” die de Kaap kon gaan uitbouwen tot een geschikte tussenstop op weg naar Indië. In de Tafelbaai moest een fort komen om mogelijke vijanden op afstand te houden.

Van Riebeeck liet zich natuurlijk voorstaan op zijn bekendheid met de Kaap en zijn handelservaring. Hij liet weten dat hij weliswaar zolang als nodig zou zijn op de Kaap wilde dienen, maar dat hij uitzag naar “meerder preuven van capitaler diensten”, bij voorkeur in de Oost. In juni 1651 werd hij commandeur, een van de jongste bij de Compagnie. Bij zijn afvaart begon Van Riebeeck zijn Daghregister als volgt:

“Adij [vandaag], 14en do., omtrent 2 uijren na den middagh, ongestadigh, buyigh, regenachtigh weder ende de wint westelijck sijnde, is gemelten Riebeeck met sijn familie uijt de stadt Amsterdam vertrocken, hebbende alvooren ten clocke elff uijren sijn laetste affscheijt genomen van de E[dele] Heeren Bewindhebberen soo op de reeckencamer als in het slaghthuijs der voorsz[chreven] Camere ende quam den 16den do., in de Balgh [een vaargeul bij Texel] aen ’t schip den Drommedaris aen boort.”

Wie het Oost-Indisch Huis aan de Oude Hoogstraat eens binnenloopt, vindt de genoemde plekken nog terug. Het “slagthuis” is het Bushuis, naast het Oost-Indisch Huis.

In de Balgh was het wachten op gunstige wind. Op kerstavond lichtte de Drommedaris het anker. Van Riebeeck zou tot zijn spijt Amsterdam nooit weerzien.

Tien jaar De Goede Hoop

Een voorspoedige overtocht bracht op 6 april 1952 de Tafelberg in zicht. Tot aan de democratisering van Zuid-Afrika in de jaren negentig van de vorige eeuw, is die dag door de Afrikaners altijd gevierd als de Stigtingsdagvan Kaapstad.

Van Riebeeck begon er meteen aan het werk dat hem tien jaar zou bezighouden. Voor de tachtig personeelsleden die hij had meegebracht werd een loods getimmerd, die op instructie van de Heren XVII De Goede Hoop ging heten. Binnen vier jaar had ook het fort zijn afschrikwekkende gestalte gekregen. Hij maakte handig gebruik van slaven en kanonnen. Ook speelde hij flexibel in op de verrassingen van het pioniersbestaan. Had hij in Amsterdam nog gerapporteerd dat hij de “Hottentotten, diefachtige, wilde, stinkende schepselen” vond (een berucht citaat), in De Goede Hoop gaf Van Riebeeck de instructie: “Men vergrijpe zich niet aan hun personen en vee.” Hij streefde goede verhoudingen na met de lokale bevolkingsgroepen. Zozeer zelfs dat hij een meisje van de KhoiSan-stam in huis nam en zich zeer aan haar hechtte: deze Eva groeide bij de Van Riebeecks thuis op. Dat hij desalniettemin zo negatief over Afrika schreef, had te maken met zijn Aziatische ambities.

Hij toonde thuis dan misschien zijn goede wil, maar het werd in de kleine gemeenschap steeds moeilijker om de vrede te bewaren. Leden van de KhoiSan-stam moest het vee vaak met geweld ontnomen worden; ze waren niet uit vrije wil tot die belasting bereid. Andere stammen waren ronduit vijandig, en ook de omgang met andere Europeanen was ongemakkelijk. De Aziatische slaven ten slotte die de vestiging opbouwden, moesten met geweld in toom gehouden worden. Van Riebeeck probeerde in deze licht ontvlambare situatie zijn geduld te bewaren. Een echte volksplanter werd de commandeur toen hij uitgediende VOC-personeelsleden, als “vrijburghers”, lapjes grond ging schenken. Twee jaar nadat Van Riebeeck eindelijk de overplaatsing kreeg waar hij zo naar had uitgekeken, werden de eerste maatregelen afgekondigd om de verschillende bevolkingsgroepen in Zuid-Afrika van elkaar te scheiden.

Ondanks al zijn ambitie werd Jan van Riebeeck geen gouverneur-generaal in Indië, een post die zijn zoon Abraham in 1709 overigens wel wist te bemachtigen. Van Riebeeck diende eerst vijf jaar als president van Malakka, dat destijds als een afgeschreven handelspost werd beschouwd. Daar stierf zijn vrouw, met wie hij acht kinderen had. Na haar dood verzocht Van Riebeeck om “verlossing naar het vaderland”, maar die terugkeer werd hem geweigerd. Hij werd in Batavia gestationeerd, waar hij in 1667 hertrouwde, en wel met de weduwe Maria Scipio, met wie hij één kind kreeg. Tien jaar later overleed Jan van Riebeeck, 57 jaar oud, na een ziekbed van een halfjaar.

Postuum kreeg Van Riebeeck toch nog de erkenning die hij zo had geambieerd, want de stichting van De Goede Hoop vormde lang een vast onderdeel over het nationale Nederlandse en Afrikaanse erfgoed in de geschiedenisboekjes. Daarbij onderstreepten de Afrikaners ook graag dat de volksplanting van Van Riebeeck er de oorzaak van was dat – ook onder de Engelse overheersing – het calvinisme en de Nederlandse taal en tradities de grondvesten bleven vormen van de Afrikaanse cultuur. Toen de Afrikaanse Boeren hun onafhankelijkheid op de Engelsen bevochten, speelden zulke sentimenten in alle hevigheid op. In 1899 kreeg Van Riebeeck in Kaapstad een standbeeld – al is dus later gebleken dat het portret in het Rijksmuseum dat als voorbeeld voor het standbeeld diende, Van Riebeeck helemaal niet voorstelt. In Nederland konden de Afrikaanse Boeren bij hun strijd op veel sympathie rekenen. Verschillende steden vernoemden daarom aan het begin van de 20ste eeuw nieuwbouwwijken naar Zuid-Afrikaanse regio’s, plaatsen of personen. Zo ook Amsterdam, waar de Transvaalbuurt uit die periode stamt: met bijvoorbeeld het (later tot Steve Bikoplein omgedoopte!) Pretoriusplein en het Krugerplein.

Van de sokkel?

Toen Zuid-Afrika in 1910 eindelijk zelfstandig was geworden, werd Van Riebeeck wederom van stal gehaald, ditmaal om behulpzaam te zijn bij de vorming van een nationaal bewustzijn. De 300ste Stigtingsdag van De Goede Hoop werd in 1952 groots gevierd. Juist in die tijd werden de apartheidswetten van kracht en bij het Van Riebeeck-monument in Kaapstad protesteerde de jonge Nelson Mandela hiertegen.

Ook in Nederland werd Van Riebeeck in 1952 luister bijgezet: er waren festiviteiten, genealogische en tekstkritische uitgaven, en bijzondere postzegels (alweer gebaseerd op het portret waarvan we nu weten dat het Van Riebeeck niet is). Centrum van veel activiteiten was Keizersgracht 141: het Jan van Riebeeck-huis (nu Zuid-Afrika Huis).

Vanaf de jaren zeventig groeide ook in Nederland het verzet tegen de apartheid, dat internationaal zo beruchte Nederlandse woord. Amsterdam beleefde roerige tijden. In 1984 werd de bibliotheek van het Van Riebeeck-huis in het water van de Keizersgracht gegooid. En schrijver Willem Frederik Hermans moest het ontgelden nadat hij - de culturele boycot negerend - een bezoek had gebracht aan Zuid-Afrika. Het gemeentebestuur verklaarde hem daarom zelfs tot persona non grata. Het was de tijd van het solidaire gebaar. In augustus 1978 al had de toenmalige burgemeester Wim Polak het Pretoriusplein omgedoopt in Steve Bikoplein. Vernoeming naar die vermoorde activist moest een hart onder de riem zijn voor alle strijders tegen apartheid.

De anti-apartheidsstrijd is inmiddels voorbij, maar Van Riebeeck roept nog altijd veel weerstand op: vorige maand vond in Kaapstad op 6 april – Stigtingsdag – het festival Jan van Riebeeck Upside Down plaats, waarbij activisten het beeld van Van Riebeeck van zijn sokkel wilden halen en de baai in wilden gooien. Dit keer had de anti-globalistische beweging het op hem gemunt. En dat Jan van Riebeeck een globalist was, dat staat onomstotelijk vast.

Delen:

Jaargang:
2002 54

Gerelateerd

Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Hier gebeurde het… Haarlemmertrekvaart, 20 september 1839
Hier gebeurde het… Haarlemmertrekvaart, 20 september 1839
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Rood Amsterdam in zwart-wit
Rood Amsterdam in zwart-wit
16 december 2002