Een stroom van herinneringen

Langs de Amstel de stad uit

We gaan weer eens wandelen. Ditmaal niet door een stadsbuurt, maar juist de stad uit – langs de rivier die Amsterdam zijn naam gaf. In de richting van de bronnen van de Amstel, al bereiken we die niet, al was het maar omdat dat er te véél zijn. Een excursie langs Amsterdams opschuivende stadsranden – maar ook door een natuurgebied dat veel dichterbij is dan menigeen denkt.

Onze route voert van de Munt naar Ouderkerk aan de Amstel – zo’n vijftien kilometer, de terugweg niet meegerekend. We beschrijven het als wandeling, maar u mag natuurlijk ook fietsen. Dan moet u wel bedenken dat u ook weer terug moet rijden. Wandelaars kunnen met de bus of sneltram naar huis.

Eigenlijk zouden we moeten starten aan de kop van het Damrak, want daar stroomt de Amstel uit in het IJ. Maar de laatste kilometer stroomt de rivier vooral ondergronds (door buizen) en nu de Noord-Zuidlijn wordt aangelegd is het daar bovendien één grote chaos. We beginnen dus op het Muntplein, waar aan het eind van de Middeleeuwen de Amstel de stad binnenstroomde, onder de Doelensluis door. Die brug uit omstreeks 1485 was destijds een schakel in de nieuwe stadsomwalling. De Munttoren was ooit de westelijke toren van de (tweede) Regulierspoort, naast die brug. Nadat de poort in 1593 haar functie verloor, kreeg ze diverse nieuwe bestemmingen. Op het plompe onderstuk werd in 1618 een sierlijke bovenbouw met spits gezet.

Van 1672 tot 1674 werden hier munten geslagen: vandaar de huidige naam. Op de oostoever sloot de Doelensluis aan op een stuk stadsmuur geflankeerd door twee vestingtorens. De dichtstbijzijnde heette het Rondeel. Na 1600 kwam hier Logement Het Rondeel, dat in 1896 werd vervangen door Hotel de l’Europe. De andere toren, op de hoek met de Kloveniersburgwal, heette Swygh Utrecht (1482). De Utrechters waren rond 1500 de meest waarschijnlijke belegeraars. De toren werd in 1522 het gildehuis van de (geweer-)schutterij, de ‘kolveniers’. Voor hun feestzaal schilderde Rembrandt in 1642 De Nachtwacht: het doek hing er tot 1715. Later werden deze Kloveniersdoelen een hotel, dat in 1882 geheel opnieuw werd opgetrokken en Doelenhotel ging heten. Toen sneuvelde de oude vestingtoren.

We steken over naar Amstel 2, alias Muntplein 1. Dit stuk Amstel tot de Blauwbrug wordt ook Binnen-Amstel genoemd. Vanouds waren hier veel bedrijfjes en kroegen gevestigd. Het deel tot de Halvemaansteeg heette in vroeger eeuwen Kistenmakersgracht, omdat hier in loodsen aan de waterkant doodskisten werden getimmerd. De kalkoen in de gevel van Amstel 34 herinnert aan de brouwerij die Claes Calkoen in 1661 overnam en naar zichzelf vernoemde. Sinds 1992 is hier de papierwinkel van firma Vlieger (anno 1869), tot dan toe op nummer 52.

We passeren de Halvemaansbrug naar de Kloveniersburgwal. Het 17de-eeuwse huis met twee trapgevels op de hoek van de Halvemaansteeg is al sinds 1714 een café. Op de andere hoek staat De Kleine Komedie, gebouwd als Fransche Schouwburg in 1788. Halverwege de 19de eeuw diende het theater als protestantse kerk en van 1880 tot 1885 als zetel van de piepjonge Vrije Universiteit. In 1947 ging De Kleine Komedie open, die sinds 1986 onder leiding van de zojuist vertrokken directeur Joost Nuissl opbloeide als cabaretpodium. Het fraaie poortje uit 1747 tussen 84 en 100 leidt naar het voormalige katholieke Swigtershofje.

De in 1990 verbrede Bakkersstraat dankt haar naam aan het ‘backhuys’ achter Amstel 122-124, waar van 1595 tot 1603 de beschuiten werden gebakken voor de Compagnie van Verre, voorgangster van de VOC. Aan de overkant springt de combinatie van stadhuis en muziektheater in het oog, alias de Stopera. Het bakstenen stadhuis (1988) mist iedere allure, maar aan het witmarmeren Muziektheater (1986) beginnen de Amsterdammers gewend te raken. Even verderop (150-152) zien we een minikasteeltje, in 1889 gebouwd voor chocoladefabrikant Bensdorp, die in 1926 de productie naar Bussum verplaatste. Sinds 1995 maakt het deel uit van het aangrenzende Edenhotel.

Besjeshuis wordt museum

De Amstel maakt nu een bocht zuidwaarts. Links zien we de Blauwbrug. Die naam hoorde eigenlijk bij de 16de-eeuwse houten wipbrug op deze plek, die in ‘Nassau-blauw’ beschilderd werd toen de stad in 1578 eindelijk de kant van rebellenleider Willem van Oranje gekozen had. De huidige stenen brug werd, naar Parijs model, in 1883 gebouwd door de stadsarchitecten De Greef en Springer. De Amstelstraat was in de 19de en begin 20ste eeuw nog een straat vol theaters. Aan de overkant zien we verpleeghuis Amstelhof, in 1683 geopend als Diaconie Oude Vrouwenhuis, alias ‘Besjeshuis’. Sinds 1718 waren ook mannen er welkom. In 2007 vertrekken de bewoners naar de polder en wordt het complex ingericht als dépendance van museum de Hermitage in Sint-Petersburg.

We blijven aan de westkant van het water. De bebouwing voorbij de Herengracht heeft ineens veel meer grandeur dan die aan de Binnen-Amstel. In feite betreden we hier ook de fameuze grachtengordel, in de 17de eeuw gebouwd voor welvarende Amsterdammers. Dit tweede deel van die gordel dateert van na 1660. Het beroemdste huis is hier ongetwijfeld nummer 316: het Huis met de Bloedvlekken. Daar woonde de oud-burgemeester en diplomaat Coenraad van Beuningen (1622-1693) die in zijn laatste jaren knettergek werd en in zijn huis werd opgesloten. Volgens de legende had hij toen al met zijn eigen bloed kabbalistische tekens op zijn huis geklad. In werkelijkheid blijken de vlekken links van de deur van rode menie te zijn, maar aan de tragiek doet dat weinig af.

Het buurhuis (218) werd in de 19de eeuw bewoond door de professoren Gerard en Willem Vrolik, vader en zoon en beiden beroemde ontleedkundigen. Zij waren de stichters van het curieuze anatomische Museum Vrolik, sinds 1984 ondergebracht in het AMC. In 1915 werd het huis betrokken door prof. Jan Six (VII), telg uit een oud Amsterdams regentengeslacht. Hij richtte er in 1922 de Six-Stichting op ter beheer van zijn kunstcollectie, die nu wordt beheerd door Jan Six X. Hoogtepunt is Rembrandts portret van de jonge regent Jan Six I (1654). Na 2008 is de collectie weer te bezichtigen: nu wordt het huis gerestaureerd.

We komen nu bij de Magere Brug, waar blijkens ons ‘Liefdeskaart’-onderzoek uit maart 2004 tienduizenden Amsterdammers elkaar voor het eerst hebben gekust. Sinds de bouw rond 1670 is deze dubbele wipbrug al zeven keer vernieuwd, en ook lang niet meer zo ‘mager’ als in het begin. Dan volgen de Amstelsluizen uit 1674 en aan de overkant daarvan Carré, in 1887 gebouwd als circustheater in opdracht van Oscar Carré.

Dan staan we bij de in 1883 gebouwde Hogesluis (Sarphatistraat), waar in de 17de tot de 19de eeuw de stadswal lag. Wie hier vóór de fatale brand van 1929 naar rechts keek, zag het sprookjesachtige Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein, een project van Samuel Sarphati. Aan de overkant van het water zien we een van zijn andere scheppingen, het Amstelhotel (1867), half zo groot als Sarphati had gewild, maar nog steeds indrukwekkend.

We steken de straat over en dalen af naar de Sarphatikade, die rechtsaf buigt langs de Singelgracht. Tot omstreeks 1850 hield de stad hier op. In de schaduw van De Nederlandsche Bank (1968) gaan we de brug over naar de Stadhouderskade, slaan linksaf en meteen weer rechtsaf naar de Amsteldijk.

Vanaf dit punt zuidwaarts stond ooit de westelijke Amsteloever vol met ‘buitenplaatsen’ van rijke Amsterdammers. Vier eeuwen geleden waren het nog gewoon tuinen met soms een klein huisje erin, later bouwden sommigen er een kolossaal landhuis. Van die tientallen zijn er nog maar drie over. Ook van de landelijkheid is hier niks over. Boven ons zien we de Torontobrug (1969), die de Stadhouderskade verbindt met de Mauritskade. Deze heette Stadhoudersbrug tot in 1974 de burgemeester van Toronto op bezoek kwam. Op de noordhoek van de Tweede Jan van der Heijdenstraat, Amsteldijk 25, zien we het voormalige particuliere Amstel-Badhuis (met torentje), in gebruik van 1883 tot 1921. Nu is het restaurant Altmann. Op de zuidhoek trok tot 1880 herberg De Berebijt veel klandizie. De naam ontleende het etablissement aan de berengevechten die hier in de 17de eeuw werden gehouden. Hiervandaan vertrokken de trekschuiten naar Utrecht; voor de trekschuit naar Muiden en Weesp moest men aan de overkant zijn, bij D’Ysbreeker op de Weesperzijde.

De volgende brug is de Nieuwe Amstelbrug uit 1903. Daar op de zuidhoek van de Ceintuurbaan, iets oostelijker dan het bejaardenhuis van nu, stond tot 1971 de beeldbepalende Sint Willibrorduskerk (1899) van architect Pierre Cuypers. Daar lag vroeger De Pauwentuin, een pleziertuin die vermaard was om zijn 190 kolfbanen. De zijstraten die we nu passeren waren al met lage huisjes bebouwd voordat Amsterdam in 1896 dit deel van Nieuwer-Amstel (nu Amstelveen) annexeerde. Daardoor ligt het straatoppervlak er lager dan in de rest van de Pijp, waar eerst een zandlaag is gestort voordat er werd gebouwd. Opmerkelijk laag staat het ‘Polderhuis’, Rustenburgerstraat 8. Op de noordhoek van de Rustenburgerstraat stond tot oktober 1887 het toen nog oudste buitenhuis langs de Amstel, Rust en Werk uit omstreeks 1620.

Wanhoopsdaad

Het statige pand met het torentje is natuurlijk het Gemeentearchief (Amsteldijk 67). Het werd in 1894 gebouwd als gemeentehuis van Nieuwer-Amstel, hoewel de burgemeester al wist dat Amsterdam het noordelijkste deel van zijn gemeente wilde annexeren. (De gemeentegrens lag nog bij de Ceintuurbaan.) De bouw hier was dan ook een wanhoopsdaad. Vergeefs: twee jaar later was de annexatie een feit. In Rembrandts tijd stond hier de Bergenvaarderskamer, gildehuis van de stokviskooplieden. Voorbij de Tolstraat (waar ooit en tolhek stond) zien we eerst een paar deftige huizen uit het eind van de 19de eeuw, en daarop aansluitend een schitterende rij huizen in Amsterdamse-Schoolstijl (1925). Op nummer 96 had de vader van historicus Loe de Jong tot 1943 een melkwinkel.

Voorbij het Amstelkanaal, vlak voor de Berlagebrug uit 1934, stond tot 1920 het buitenhuis Meerhuizen, gebouwd door de 17de-eeuwse koopman en dichter Hendrik Laurensz Spiegel. Het moest verdwijnen om Berlages Plan-Zuid mogelijk te maken. Na vertrek van de laatste eigenaar diende het vanaf 1913 een paar jaar als illegale ‘kunstenaarskolonie’. Langs de achterkant van de tramremise-Lekstraat, waar in 1941 de Februaristaking begon, komen we bij de Trompenburgstraat. Die is vernoemd naar het gelijknamige huis van de gebroeders Spijker, die erachter van 1899 tot 1925 hun wereldberoemde autofabriek hadden. Nu zien we hier kantoorcomplex Rivierstaete, alias de Apenrots. Ertegenover ligt de landtong die de Omval heet. Rembrandt tekende die toen de hoogste bebouwing nog bestond uit een eenzaam landhuis en een molentje. Nu is er een indrukwekkende skyline, inclusief een naar hem genoemde ‘wolkenkrabber’.

Waar tot 1928 een watertoren te zien was, buigt de autoweg rechtsaf, maar wij blijven aan de waterkant. Hier begint het Martin Luther Kingpark, dat van 1932 tot 1968 Amstelpark heette en waar al 25 jaar iedere zomer het theaterspektakel De Parade neerstrijkt.

Dat we vanaf hier, kilometers vóór de huidige stadsrand, toch al door het groen wandelen, danken we aan het visionaire Algemeen Uitbreidingsplan van 1935. Om ervoor te zorgen dat de bewoners van de snel groeiende stad toch snel de steenmassa’s konden ontvluchten, moesten er tot diep in de stad ‘groene schengen’ worden vrijgehouden. Bij de Amsteloevers is dat goed gelukt.

In de Amstelbocht bij de Hoendiepstraat stond tot 1845 de boerenhofstede Welna, waar in 1650 een verrassingsaanval van stadhouder Willem II op Amsterdam strandde. Onder de Utrechtsebrug (1954) door, bereiken we het De Mirandapaviljoen en daarachter het De Mirandabad, beide vernoemd naar de rode wethouder die het bad in 1932 opende. Het paviljoen is de opvolger van herberg Halfweg ’t Kalfje, een eeuw geleden vertrekpunt voor pleziervaarten over de Amstel en op 12 september 1910 het toneel van de allereerste vliegtocht (zeven minuten) boven Amsterdam, door de ‘Antwerpse vliegduivel’ Jan Olieslagers.

Meteen voorbij het park en de Zuidelijke Wandelweg ligt begraafplaats Zorgvlied, op Amsterdams grondgebied, maar nog altijd eigendom van de gemeente Amstelveen. Voor de uitbreiding daarvan verdween in 1941 de bekende kwekerij Rozenoord. Ook hiervandaan maakte Olieslagers stuntvluchten, in 1914. Aan het Rozenoordpad, laatste restant van de kwekerij, staat een monumentje voor de ruim 100 mensen die hier tussen februari en mei 1945 door de Duitsers werden gefusilleerd.

Erfenis van de Floriade

Toen in 1971 ten zuiden van de Rozenoordbrug (deel van de ringbaan A10) een nieuw park werd aangelegd, kreeg dit de weer ‘vrijgekomen’ naam Amstelpark. Allereerst diende het in 1972 als terrein voor de Floriade. In dit park zien we de gelukkig behouden 17de-eeuwse buitenplaats Amstelrust (Amsteldijk 319). Tegen leegstand protesterende krakers moesten het pand vorig jaar van de rechter verlaten. Vlak voor de volgende grote rivierbocht werd in 1958 de Riekermolen uit 1636 herplaatst, die moest wijken voor de verbreding van het Nieuwe Meer. In 1969 werd er een beeld van een schetsende Rembrandt naast gezet, ontworpen door Han Wezelaar.

Hier aan het einde van de Kalfjeslaan, staat restaurant Het Kleine Kalfje, alweer 200 jaar oud. Tot 1967 stond aan de overkant Het (‘oude’) Kalfje uit 1670; daarvan bleef alleen de gevelsteen gespaard. Sinds 1921 vormt de Kalfjeslaan de gemeentegrens, getuige ook de limietpaal naast de bushalte.

Archeologisch onderzoek in 1995 wees uit dat Amsteldijk 165 de locatie was van het schilderachtige kasteeltje Kostverloren, gebouwd rond 1500 en gesloopt in 1822. Aannemer/sloper A.J. Bakker wilde het reconstrueren, maar omwonenden blokkeerden zijn plan. In de scherpe bocht hierna passeren we kaasboerderij Rembrandt-Hoeve. Terwijl veel boerderijen hier verdwijnen, houden andere zich staande door zich op toerisme en/of educatie te richten. Twee bochten verder bereiken we de Machineweg. Experts vermoeden dat Rembrandt hier zijn bekende ets maakte van het bruggetje van Six, over een sloot die in de Amstel uitmondde.

Eén weiland verder staat een obelisk met het opschrift “Terminus Proscriptionis/Uiterste paal der bannelingen”. Deze banpaal uit 1625 gaf aan tot waar verbannenen de stad mochten naderen. Net voorbij de volgende bocht ligt Wester-Amstel. Het huidige witte huis uit 1730 had een robuustere voorganger uit ongeveer 1650. Sinds 1990 is dit het kantoor van Groengebied Amstelland. Hier doet men er alles aan het groene karakter van de Amsteloevers te behouden. De tuin is openbaar toegankelijk. Zo niet de fraaie strakke Franse tuin van Oostermeer (1684), misschien wel de mooiste nog bestaande buitenplaats. In de jaren dertig woonde hier ’s zomers de kunsthandelaar Jacques Goudstikker, om wiens erfenis de afgelopen jaren zo veel te doen was.

Nog één bocht en dáár is dan Ouderkerk aan de Amstel, een kleine eeuw eerder ontstaan dan Amsterdam, daar waar de Bullewijk uitmondde in de Amstel. Op de plek van de Portugees-joodse begraafplaats Beth Haïm, links over de brug, moet het huis van de heren van Aemstel hebben gestaan, dat in 1204 door de Kennemer boeren werd verwoest. In het dorpsmuseum in de Kerkstraat weet men er alles van. Nog steeds is Ouderkerk een charmant plaatsje, met oude en chique restaurants als Paardenburg en het Jagershuis, maar gelukkig ook veel betaalbare kroegen. Dus strijken we neer en bestellen een Amstelbiertje. Dat hebben we wel verdiend!

Door- en terugreistips:

Doorzetters kunnen de Amstel verder volgen, langs de Ronde Hoep naar Nes aan de Amstel en Uithoorn, waar de Amstel ontstaat uit de samenvloeiing van de Drecht en de Kromme Mijdrecht. Van Uithoorn (Amstelplein) rijdt bus 170 naar Amsterdam CS. Vanuit Ouderkerk (brug) rijden de bussen 125 en 175 naar Amstelveen, vanwaar bus 170 en sneltram 51 naar Amsterdam CS gaan; bus 300 rijdt van Ouderkerk naar station Bijlmer (metro 54). Fietsers die langs de oostoever terug willen rijden kunnen ’s zomers (voor zessen) met de pont oversteken bij de Kalfjeslaan, Ouderkerk, Zwarte Kat en Nessersluis. In Ouderkerk en Uithoorn zijn bruggen over de Amstel.
Vermoeide fietsers kunnen ondermeer bij de Kalfjeslaan, de Machineweg en in Ouderkerk rechtsaf doorsteken naar de Beneluxbaan en daar met fiets en al sneltram 51 naar het centrum nemen.

Tekst: Peter-Paul de Baar
Foto: J.M. Arsath Ro'is
Juni 2006

Delen:

Buurten:
Centrum Zuid
Dossiers:
Natuur
Editie:
Juni
Jaargang:
2006 58
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
Vanaf 2000