Een pikketanussie ging er altijd al in

‘Jenever doet het zweeten stillen’

In de Middeleeuwen werd bier letterlijk gedronken als water. Wijn was in de 17de eeuw een geliefde drank in de betere kringen. En het jenevergebruik onder het volk werd al in de 18de eeuw een probleem. Het idee dat alcohol bevorderlijk is voor de gezondheid leidt een taai leven.

Het was veel. Die vaststelling is voor het alcoholgebruik in Amsterdam door de eeuwen heen te rechtvaardigen. Vergelijkbare cijferreeksen zijn helaas niet beschikbaar. Er bestaan schattingen voor het Nederlands grondgebied als geheel in de 16de eeuw en die komen uit op een jaarlijkse bierconsumptie per inwoner van enkele honderden liters. Gezien het grote aantal Amsterdamse brouwerijen mogen we aannemen dat de bierconsumptie hier boven het gemiddelde lag. Het merendeel van dit bier had een laag alcoholpercentage van circa 2% en werd de hele dag door gedronken. Het was gezonder dan het vervuilde drinkwater.

De landelijke wijnconsumptie wordt voor de 16de eeuw geschat op jaarlijks twintig liter per inwoner en naarmate de Amsterdamse burgerij welvarender werd, zal het gebruik hier ter stede belangrijk hoger zijn geweest. Wijn werd gedronken door de rijken, de rest van de bevolking kon het niet betalen.

Voor het alcoholgebruik in de 17de eeuw zijn helemaal geen cijfers beschikbaar, maar blijkens de keuren en verordeningen van het stadsbestuur was het aantal herbergen, taveernen, tapperijen en andere drankgelegenheden in Amsterdam uitzonderlijk hoog. Er werd in de Gouden Eeuw in ieder geval steeds meer wijn gedronken, want de rijken werden rijker en bovendien was Amsterdam een belangrijke doorvoerhaven voor wijn. In deze periode kwamen bovendien de jenever en de brandewijn als alcoholische versnaperingen in beeld en dat zou nog flink uit de hand lopen.

De lof der jenever

Een pikketanussie is er bij de Amsterdammer altijd wel in gegaan. “Jenever in de morgenstond: verfrist en maakt den mensch gezond”, aldus Robert Hennebo in zijn De lof der jenever (1718). Volgens hem helpt deze wonderdrank behalve tegen graveel ook bij keelontsteking (“extr’oog in de keel”) en andere ongemakken: “Jenever doet het zweeten stillen; en warmt hen die van koude trillen.” De avonturier Hennebo (1685-1737) was toen hij dit schreef uitbater van de Amsterdamse drinkgelegenheid Het Gulden Vlies, vlakbij het Prinsenhof. Het nageslacht heeft in zijn woorden veel schalkse ironie gelezen, maar toen ze werden geschreven was het geloof in de heilzame werking van de jenever spinglevend.

Het gebruik van gedestilleeerd nam in de 18de eeuw grote proporties aan en naar verluidt zou in deze periode in Schiedam het verhaal zijn ontstaan dat ze in Amsterdam de straten ermee schrobden. De arts C.J. Nieuwenhuys noemt in zijn Proeve eener geneeskundige plaatsbeschrijving der stad Amsterdam (1816) jenever “de toevlugt voor den gemeenen man”. Jenever drinken wordt volgens Nieuwenhuys ook wel “graantjes pikken” genoemd en mogelijk zet hij ons hier op het spoor van een etymologische verklaring voor het later beroemd geworden ‘pikketanussie’. Nieuwenhuys wijst op de gunstige werking die de jenever volgens het volksgeloof heeft op het gestel: “ook wil men daardoor alle kwade dampen, welke hier den dampkring aanvullen, wegspoelen”.

Nieuwenhuys staat lang stil bij de negatieve uitwerking van alcoholgebruik op de gezondheid van de Amsterdammer en wijst in de eerste plaats op de gevolgen voor de voeding van de mindere man. Wat hem betreft kan het graan dat aangesproken wordt voor het stoken van jenever beter worden gebruikt voor brood en bier. Het drinken van bier is volgens hem nog het minst schadelijk en het valt op dat hij dit niet gevaarlijker acht dan koffie en thee. Hoewel volgens Nieuwenhuys matig gebruik van alcohol in het algemeen niet ongezond is, merkt hij op dat veel Amsterdammers ermee omgaan op een manier waarbij de voordelen verre worden overvleugeld door de nadelen: “Immers de verkwikkende opwekking, die door derzelver genot ontstaat, is van korten duur, spoedig volgt verslapping en slaperigheid.”

Drankbestrijders

Het kwaad van het jenevergebruik zou in de 19de eeuw verder uitgroeien en veel pennen in beweging brengen. J.A. Verdoorn noemt in zijn uitputtende studie over het gezondheidswezen in Amsterdam voor de jaren 1880-1885 een cijfer van zestien liter sterke drank per Amsterdammer jaarlijks. De gevolgen voor de gezondheid waren volgens hem ingrijpend. Jenever werd vooral gedronken door de allerarmsten en het daaraan uitgegeven geld kon niet besteed worden aan voeding.

Dáárop en op de ontwrichtende gevolgen voor het gezinsleven werd in de loop van de 19de eeuw door geneeskundigen en anderen steeds vaker gewezen. In Amsterdam ontspon zich in het laatste kwart van die eeuw net als in de rest van Nederland een waar netwerk van verenigingen die streefden naar matiging van alcoholgebruik, afschaffing van sterke drank of geheelonthouding.

De gezamenlijke inspanning van drankbestrijders, rijksoverheid en gemeente had uiteindelijk ook resultaat en begin jaren twintig kon wethouder De Miranda in zijn boekje over de negentiende-eeuwse geschiedenis van Amsterdam vaststellen “dat het jenever-verbruik, al is het Amsterdamsche cijfer nog steeds iets hoger dan dat van het gehele rijk, niet meer het gezinsleven vernietigt en den mens in de arbeider verdierlijkt”.

In de door economische crisis getekende jaren dertig van de 20ste eeuw, de bezettingsjaren 1940-45 en de zuinige wederopbouwperiode die daarop volgde was het alcoholgebruik in Amsterdam net als in de rest van Nederland relatief matig. Het ‘welvaartsdrinken’ begon in de jaren zestig en is sindsdien eigenlijk niet meer gestopt. Volgens opgave van het bureau Onderzoek & Statistiek maakt tegenwoordig 31,2% van de Amsterdammers “onverantwoordelijk” gebruik van alcohol. Dat zijn zowel de zware drinkers als de gewoontedrinkers die gemiddeld meer dan drie glazen per dag tot zich nemen.

In Amsterdam wordt tegenwoordig net als vroeger stevig gedronken. Zoals de stadbestuurders in de zestiende en 17de eeuw verordeningen uitvaardigden om dronkemanstonelen binnen de perken te houden, bezinnen ze zich ook tegenwoordig op maatregelen tegen overlast door alcoholgebruik op straat. Anders dan voorheen kunnen drinkers als ze in de problemen komen rekenen op medische begeleiding. Al in 1909 beleefde Amsterdam een primeur met de vestiging van het eerste consultatiebureau voor drankzuchtigen in Nederland en sindsdien is ‘de Jellinek’ die daar uit voortkwam, een begrip.

Suyp-stad

“Hier leyt een edel held, die in den wijn most leven; en die de wijn, eylaes den dood-steeck heeft gegeven.” Met de dronkaard loopt het slecht af in het satirische rijmwerk Suyp-stad of Dronckaerts Leven van de Amsterdamse uitgever en boekverkoper Dirck Pietersz. Pers (1581-1659). Suyp-stad verscheen in 1628. Het handelt over een denkbeeldige stad waar drinkers de dienst uitmaken en de auteur benadrukt in een inleiding dat we die stad nergens ter wereld terug zullen vinden.

Hoewel we de ‘suyp-stad’ dus beslist niet gelijk mogen stellen met Amsterdam, baseerde Pers zich bij het schetsen van het dronkemansleven op eigen waarneming. Die verrichtte hij mogelijk op de stoep van zijn zaak Op ’t Water bij de Korenmarkt (tegenwoordig: Damrak, tegenover de Beurs van Berlage). Hoe de inwoners van de ‘suyp-stad’ eruit zien beschrijft hij treffend. Ze hebben een rode gelaatskleur, zijn “dick en bol van vleys” en bovendien “meestendeels gebuyckt, wat vet en opgeblasen, kort-aemigh, swack van gang, en altijd aen het aesen”.

Op het Damrak is in al die eeuwen dus weinig veranderd.

Tekst: Niels Wisman
Beeld: Johan Coenraad Braakensiek / Amsterdam Museum
November-December 2007

Delen:

Dossiers:
Editie:
December November
Jaargang:
2007 59
Rubriek:
Verhaal

Gerelateerd

Gezond leven: een maatschappelijke plicht
Gezond leven: een maatschappelijke plicht
Verhaal 1 november 2007
Van Gasthuiskarretje tot traumahelikopter
Van Gasthuiskarretje tot traumahelikopter
Verhaal 1 november 2007
Ondernemer Carl Friedrich Utermöhlen
Ondernemer Carl Friedrich Utermöhlen
Verhaal 1 november 2007